De stad maak je zelf


Mariska van den Berg deed onderzoek naar de vele nieuwe stedelijke bottom-up initiatieven van de laatste jaren. Een gesprek over de buitengewone effectiviteit van kleinschaligheid.

MM:
Waar gaat het boek Stedelingen veranderen de stad over?
Mariska van den Berg:
Het boek gaat over initiatieven van burgers die naar eigen inzicht ingrijpen in de stedelijke publieke ruimte. Onder hen bevinden zich overigens opmerkelijk veel kunstenaars, ontwerpers en architecten maar ook buurtbewoners en activisten. In gesprekken gaan ze in op hun drijfveren, de impact van de projecten ter plekke en de betekenis ervan voor het grotere geheel van de stad.
Hoe ben je bij je onderzoek te werk gegaan? Was het moeilijk selecteren?
Mariska van den Berg:
Initiatieven alom. Ik heb voor het onderzoek dertig cases gekozen in binnen-en buitenland op basis van verschillende criteria. De eerste was dat de initiatieven zich afspelen in de stedelijke ‘openbare ruimte’ waar zij vormen van publiek domein weten te creëren: plekken die niet alleen openbaar toegankelijk zijn maar waar ruimte is voor ontmoeting en uitwisseling. Een tweede voorwaarde was dat de projecten op eigen initiatief tot stand zijn gekomen. En tenslotte heb ik naar een goede afspiegeling gezocht van de verschillende activiteiten die worden ontplooid. Die lopen uiteen van stadslandbouw en een cultureel programma tot het mobiliseren van netwerken om invloed uit te oefenen op de (her)ontwikkeling van de wijk.

De initiatieven staan voor een samenleving waarin niet de overheid of markt leidend zijn maar burgers een rol van betekenis spelen

Waarom nu?
Mariska van den Berg:
In de loop van 2011 ben ik het onderzoek begonnen op een moment dat zich in Nederland en daarbuiten een ware hausse aftekent aan burgerinitiatieven in de stad. Zij maakten zichtbaar hoe stedelingen zich al geruime tijd mengden in het gebruik en de vormgeving van hun leefomgeving. Ik vond het intrigerend dat op een moment dat de overheid oproept tot actief burgerschap, er al veel bottom-up wordt ontwikkeld terwijl dezelfde overheid dat met terughoudendheid bejegend. Ik heb de betekenis van deze eigenzinnige vormen van actief burgerschap willen onderschrijven, net als het perspectief dat zij als fenomeen bieden op een hernieuwde civil society: een samenleving waarin niet de overheid of markt leidend zijn maar burgers een rol van betekenis spelen. En in tegenstelling tot de met spruitjeslucht omgeven participatiesamenleving die de regering ons voorspiegelt, is dat een inspirerend perspectief.
Het onderzoek is zowel Nederlands als internationaal? Zijn de omstandigheden hier niet heel anders dan elders?
Mariska van den Berg:
De omstandigheden verschillen inderdaad nogal. Maar wat de initiatieven in verschillende steden overeenkomstig hebben is het kader waarbinnen zij ontwikkeld worden en de problemen die ze ontmoeten. De initiatieven verhouden zich moeizaam tot de gangbare praktijk van stedelijke (her)ontwikkeling waarin de economische waarde van het vastgoed richtinggevend is en gebruikswaarde van de stad al snel het onderspit delft. De onderzochte bottom-up praktijken worden gedreven door andersoortige motieven en waarden, en gerealiseerd met andere vormen van kapitaal. Er ontstaan er allerlei internationale verbanden waarbinnen ervaringen worden gedeeld en kennis wordt uitgewisseld. In Nederland wordt bovendien goed gekeken naar buitenlandse voorbeelden als de Community Gardens in New York en Prinzessinnengarten in Berlijn, die navolging vinden.

Prinzessinnengarten, Berlijn

Prinzessinnengarten, Berlijn
Hoe werkt bottom-up door? Waar eindigt de 'up'? Zitten er ook voorbeelden in je boek van navolging op grotere schaal?
Mariska van den Berg:

Voor alle onderzochte projecten geldt dat op eigen initiatief en buiten de officiële professionele kaders ideeën voor de stad worden geformuleerd. Zij hebben betrekking op de fysieke stedelijke ruimte waarin vele belangen spelen die manifest worden in eigendomsverhoudingen, beleids– en bestemmingsplannen en complexe wet– en regelgeving. Die worden bovendien uitgezet en gecontroleerd door lastig toegankelijke bureaucratische instituties. Die bottom-up plannen echter, kunnen alleen beslag krijgen in samenwerking met de institutionele spelers en de initiatiefnemers zijn daarom genoodzaakt hun weg ‘omhoog’ te vinden. En hoewel het begrip bottom–up al sleets begint te raken, omdat het te pas en te onpas wordt gebruikt, vangt de term als geen ander die complexe relatie in slechts twee woorden.

Veel van de initiatiefnemers ondervinden voor het eerst hoe dwingend de machtsverhoudingen zijn ingeschreven in de ‘openbare’ ruimte. Soms leidt dat tot frustratie of zelfs het afblazen van het initiatief, hoewel het ook voorkomt dat het contact met bestuurders en ambtenarij juist leidt tot een constructieve aanscherping van de plannen. Maar in alle gevallen gaat het om een cruciale ontmoeting. Het vraagt veelvuldig overleg en doorzettingsvermogen om de ideeën van onderop te introduceren en beslissingsmakers te overtuigen. In dat proces ontstaan onder de initiatiefnemers nieuwe collectieven die in toenemende mate een rol opeisen in het bestuurlijke proces waarin de stad wordt gemaakt. Daar schuilt potentie voor verandering, meer dan in eventuele opschaling.

Singeldingen Rotterdam, via singeldingen.nl
Hoe dienen de projecten als voorbeeld?
Mariska van den Berg:

Het geheel van al deze bottom-up initiatieven wijst in de richting van een andere manier van ‘stad maken’ die meer ruimte biedt aan gebruikers en bewoners. Deze initiatieven nemen daar een voorsprong op. De initiatiefnemers van Singeldingen in Rotterdam bijvoorbeeld opereerden vanuit het besef dat in de huidige planningspraktijk het masterplan aan invloed verliest en binnen de uitgezette hoofdlijnen meer invulling van onderaf mogelijk en nodig is. Maar om het mogelijk te maken om de stad anders te ontwikkelen moet de overheid durven vertrouwen op burgers en ze ruimte geven. Vooralsnog vraagt dat om goede voorbeelden die dat vertrouwen verdienen en waar maken. Daarin schuilt de voorbeeldfunctie van deze generatie bottom-up.

Tegelijkertijd heeft die wel degelijk al betekenis voor stedenbouw en ruimtelijke ordening. Die komt tot uitdrukking in een visie op de stad, waarin niet uitsluitend consumptie centraal staat, maar waarin (culturele) productie en de stedelijke cultuur worden gezien als essentieel voor de stad. Bovendien sluiten deze praktijken, in aanpak en waarden, goed aan bij nieuwe manieren van gebiedsontwikkeling die op het moment in opkomst zijn, zoals de organische gebiedsontwikkeling.

Het gaat om de kleinschaligheid. Kopiëren of opschalen werkt hier niet

Het is natuurlijk allemaal erg idealistisch, ‘speldenprikken’ zegt een architect in het boek. Wordt het niet tijd voor wat krachtiger coalities?
Mariska van den Berg:

Vooralsnog is het inderdaad vooral signalerend en kleinschalig. Maar we moeten af van het idee dat het hele fenomeen crisis-gebonden is, daar geloof ik niets van. Bottom-up mag hot zijn, het is veel meer dan een hype, en juist de historische voorbeelden in het boek laten de maatschappelijke potentie zien. Daar gaat het interview met Tine De Moor – expert in historische en hedendaagse commons – over.

Meer invloed uit kunnen oefenen kan alleen met inachtneming van de aard van het fenomeen: kleinschalig, plaatsgebonden en per geval uniek. De klassieke praktijk - best practices eruit pikken en die kopiëren of opschalen - werkt hier niet. Het gaat niet om herhaling van een procedure maar om het opstarten van nieuwe processen. Alleen zo behoud je kleinschaligheid en diversiteit. Dan is de cruciale vraag hoe deze veelheid aan minuscule projecten te verbinden is aan de macrostructuur van de stad? Daar ligt een rol weggelegd voor de initiatiefnemers, de positie van deze nieuwe collectieven in relatie tot bestuurders en andere decisionmakers vraagt zeker om aandacht.

Margit Mayer – een kenner van stedelijke sociale bewegingen en als professor Political Science verbonden aan de Freie Univeristät Berlin - wijst op het ontstaan van nieuwe coalities tussen groepen die voorheen afzonderlijk opereerden: samenwerkingsverbanden van buurtbewoners, kunstenaars en creatieve professionals, kleine ondernemers en studenten, die de handen ineenslaan voor gezamenlijke doelen. Sterker dan in het verleden slagen deze lokale groepen erin om ‘uitgeslotenen’ en meer geprivilegieerde stadsbewoners samen te brengen. Mayer ziet hierin een kans op de vorming van brede allianties en bovenlokale netwerken, die nieuwe mogelijkheden bieden voor het verwerven van zeggenschap in de besluitvormingsprocessen omtrent de stad.


Apolonija Šušterši? & Aktionsteam | Hustadt Project, Bochum, 2009
Ook de rol van de stedenbouwer komt hier in het geding, als verbinder van de verschillende schaalniveaus in de stad. Daar gaat het interview met Willemijn Lofvers over.
Metropolis M is een kunstblad dus specifiek in kunstenaars geïnteresseerd. Waarom moet een kunstliefhebber kennis nemen van dit boek?
Mariska van den Berg:

De praktijken van kunstenaars staan aan de basis van het onderzoek en van het boek. Juist om de betekenis ervan uit te dragen buiten het eigen vakgebied heb ik ze in een breder kader geplaatst. Dat lukt op het moment aardig, het boek staat in de belangstelling in de wereld van de architectuur en gebiedsontwikkeling.

In het boek komt overigens aan de orde hoe de lessen - die zijn geleerd over participatie en empowerment in Commnunity Art en collaborative art practices - doorsijpelen in deze praktijken, evenals het denken over relationele kunst en dat van Jacques Rancière over overdracht. Dat wordt benoemd in het interview met Apolonija Šušteršic?, zij is beeldend kunstenaar en architect en leidde tot voor kort het Sculpture Department aan de Royal College of Art in Londen, waar ze de opdracht meekreeg het traditionele curriculum uit te breiden met Critical Spatial Practice. Daarin komt ook de specifieke positie van de kunstenaar in de stedelijke context aan de orde, en de plek die deze activistische praktijken wel degelijke hebben in de kunsthistorische traditie.

Mariska van den Berg, Stedelingen veranderen de stad. Over nieuwe collectieven, publiek domein en transitie, Trancity Valiz, 2013, ISBN / ISSN: 978-90-78088-82-0. In het boek staan 18 projectbeschrijvingen en interviews met onder anderen Tine de Moor, Apolonija Šušterši?, Willemijn Lofvers en Sadik Harchaou. Koop het boek HIER, voor slechts €15.

Op 23 januari vindt er in Pakhuis De Zwijger eenboekpresentatie plaats. HIER meer informatie.

Reacties