Is Bernard Bazile een ‘kunstenaar voor kunstenaars’, zoals in de jaren zeventig Bas Jan Ader was voor zijn collega’s aan de Amerikaanse westkust? Het zijn immers vaak marginale kunstenaars, wier historische erkenning nog moet blijken, die wél indirect invloed hebben op generaties na hen. Het is niet moeilijk om de invloed die Bernard Bazile had op verschillende kunstenaars van zijn generatie, zoals Alain Séchas, of op een latere generatie, zoals Boris Achour of Franck Scurti, te constateren. Maar veel verder dan dit ging het niet. Op geen enkele wijze wordt er in de hedendaagse kunstkritiek naar zijn werk verwezen; in publieke collecties is hij niet of nauwelijks aanwezig of zichtbaar. Velen weten niet eens meer wat voor belangrijke werken hij in de jaren tachtig en negentig maakte.
Bazile is dan ook een kunstenaar van het zeldzame soort. Een kunstenaar die ‘nee’ zei tegen het maken van exposities, tegen het idee om een plaats in te nemen in de kunstwereld. Sinds 1989 heeft hij daarom niet meer dan vijf exposities gehad. Dat ‘nee’ is overigens altijd de basis geweest van zijn productie en zijn kunstenaarschap. Het was zelfs de naam van een expositie in het Centre Georges Pompidou in 1983, ontleend aan de serie schilderijen It’s O.K. to say No!. Boven de schijnwerpers verkiest Bazile de achtergrond en het ritme dat bij zijn werk past. Zijn meest recente expositie getiteld Une mesure pour tous in het Institut d’art contemporain te Villeurbanne, begin dit jaar, werd vijf jaar lang aangekondigd voordat hij er eindelijk kwam. ‘Een leven als kunstenaar en een leven als mens zijn van een andere tijdsorde’, zei Bazile. De tentoonstelling was het resultaat van een zoektocht naar de eigenaren van de beroemde blikjes Merda d’artista van Piero Manzoni. In 1989 al had Bazile in Marseille één van die blikjes poep voor de camera open gemaakt. Het was bedoeld als het opnieuw actueel maken van een radicaal kunstwerk vanuit de wil na te gaan hoe de geschiedenis en artistieke gewoonten kunst omvormen tot een verstard object, een fetisj, een mythe, en hoe ze kunstwerken verstikken die ooit bedoeld waren als ontmoeting en aanzet tot een polemische dialoog.
Zowel tijdens zijn samenwerking met Jean-Marc Bustamante tussen 1983 en 1987, onder de naam BAZILEBUSTAMANTE als in zijn latere praktijk, nam Bazile afstand van het idee van auteurschap door ieder idee van stijl uit te bannen. Kunstwerken vatte hij op als complexe handelingen waarbij de sociale betekenis, het samengaan van waarden en symbolen alle aandacht kreeg. Hij wilde altijd vraagtekens plaatsen bij de autoriteit van vormen en verhalen, niet door hier direct commentaar op te geven, maar juist door de spanning van deze ambigue relatie op de toeschouwer over te brengen. Bazile stapelt tegenstrijdige codes op elkaar, uitgaande van beelden die zowel gemeengoed zijn geworden als verdrongen (opvoedkundige, religieuze, publicitaire, pornografische beelden). Deze combineert en polijst hij tot ze volledig ‘onpersoonlijk’ zijn geworden en als object of beeld een algemene waarde hebben gekregen, waardoor ze toegeëigend kunnen worden door het publiek. Zijn werk is niet te begrijpen door een formele samenhang of een thematiek: Bazile schept in zijn tentoonstellingen voorwaarden voor een spannende situatie door aandacht te besteden aan de context.
Voor zijn tentoonstelling in het Centre Georges Pompidou in 1983 koos hij bijvoorbeeld voor expositiezalen met veel ramen die uitzicht boden op straat om een verbinding te maken tussen de serie It’s O.K. to say No!, beelden van Amerikaanse handboeken waaruit kinderen zouden moeten leren hoe zij zich kunnen verdedigen tegen seksuele agressie, en de Mel Ramos, zijn eigen versie van het hyperrealisme waarin modellen naakt poseren op verkoopstandaards. Hoewel hij dat werk eerst met vrouwelijke en daarna met mannelijke modellen maakte, riep het heftige gevoelens van onbegrip op: ‘men vertelde me dat het schandalig was vrouwen de posities aan te laten nemen die ik had bedacht. (…) Maar ik wilde dat ze een eigen autoriteit hadden. Daarom vroeg ik ze een positie aan te nemen waarbij ze zich comfortabel voelden. (…) Je moet het dus eigenlijk hebben over het ongemak van sommige bezoekers die er niet op voorbereid waren zo dicht bij de modellen te komen en een actieve rol kregen toebedeeld, een eigen verantwoordelijkheid.’ Je zou willen dat meer kunstenaars toeschouwers zo’n gevoel van verantwoordelijkheid zouden geven, maar de onverschilligheid die het werk van Bazile ten deel is gevallen, heeft meer weg van een enorme verspilling. ‘Wanneer een waarlijk genie verschijnt in de wereld, is hij te herkennen aan dit teken, dat de idioten allemaal tegen hem samenzweren’. (Jonathan Swift)
Alle citaten van Bernard Bazile zijn overgenomen uit een artikel van Catherine Millet in Art Press, verschenen in december 1998.














