Hamburg
Kunstverein Hamburg
09/10/04 -
09/01/05
Het is een ambitieus project: een internationale groepstentoonstelling die onder de titel Formalismus. Moderne kunst, heute 24 kunstenaars en iets meer werken samenbrengt. Met een provocerende titel ook nog, immers, vorm als beeldelement was niet echt een relevant onderwerp in het kunstdebat van de afgelopen jaren, en daarnaast heet de Hamburger Kunstverein een op context en concept gerichte instelling te zijn. In deze tentoonstelling wordt onderzocht hoe de kunstenaarsgeneratie uit de late jaren zestig en vroege jaren zeventig zich verhoudt tot nadrukkelijk formele vraagstellingen. De perstekst stelt: ‘Wat is de positie van esthetiek ten aanzien van overwegend conceptuele en sociaal-maatschappelijk getinte kunst? In hoeverre zijn maatschappelijke en theoretische strategieën tegenwoordig bewust formeel? Veel van de hier getoonde kunstenaars grijpen terug op het visuele repertoire van het modernisme, reflecteren op de historiciteit ervan en transporteren deze naar een actuele, sociale en intellectuele samenhang.’
Wie de in twee ruimten opgedeelde tentoonstelling betreedt, stuit op de grote schilderijen van Anslem Reyle en Wade Guyton, wier beeldanalyses een indruk-wekkende dialoog vormen. Minimalistische, koele, technisch simpele maar toch geconstrueerde figuren voegen zich samen tot radicale werken, die niet méér tegengesteld aan elkaar zouden kunnen zijn, maar toch een vergelijkbare, esthetische mentaliteit tonen. In samenhang met de vergroting van het beeldvlak dankzij de sensitieve stofuitdrukking - zonder het schilderkunstige gebaar of de artistieke daad te benadrukken - staat bij beide invalshoeken de reductie van beeldelementen centraal. Zo wordt de voorkeur gegeven aan de formele inhoud boven de inhoud van het formele, en dus ook boven het symbolische en narratieve. In dezelfde ruimte zien we de op schilderkunst geïnspireerde oppervlakteconstructies en kleurig vormgegeven energievelden van Tomma Abt, de mystieke, raadselachtige, op beuysachtige wijze vervaardigde, spirituele werken op papier van Helena Huneke en de heldere, door fysieke arbeid gekenmerkte, sculpturale granieten werkbankbladen van Bojan Šarčević, die met een fragiel net overspannen zijn.
Met de tentoonstelling Formalismus. Moderne Kunst, heute zet de Hamburger Kunstverein een discussie voort die in 2002 is begonnen met de contextuele, op een institutionele kritiek gerichte tentoonstelling Zusammenhänge herstellen. Michael Krebber geldt als een belangrijk referentiepunt in de presentatie. In zijn werk sneed hij altijd al kwesties als ‘de juiste vorm’ aan, waarbij hij zich tegelijkertijd bewust was van het falen van dit streven. Binnen de tentoonstelling wordt zijn werk opgevat als een voorbeeld van een op de inhoud geconcentreerde houding, waarvan de visuele resultaten op het eerste gezicht niet de bedoelde, contextuele analyse laten zien. Formalisme en inhoud sluiten elkaar niet uit, verkondigt Yilmaz Dziewior die Formalismus samenstelde. Of zoals Juliane Rebentisch het eerder al formuleerde in haar bijdrage aan de catalogus van Zusammenhänge herstellen: esthetische autonomie is geen taboe voor hen die zich bezig houden met contextuele kritiek.
Op de bovenste verdieping is een hindernis te zien voor een concours hippique, een werk van David Lieske. Links daarvan maken Carol Bove en Katja Strunz’ aanspraak op een esoterische of grafische vorm van reductie, die bij Strunz toch strikt antidemocratisch verwijst naar de gestileerde vormentaal van de jaren dertig. Rechts daarvan verwijst Jonathan Monk naar Sol LeWitt, wiens conceptuele onderzoekingen worden voortgezet in andere media. De kubustekeningen van LeWitt worden door Monk naar een klein formaat film omgezet. Een grote, constructivistische muurschildering van Markus Amm gaat een relatie aan met een aan de Japanse kunstenaar Hokusai ontleende installatie van een glittergordijn van Christian Holstad. De werken van Wade Guyton en Sergei Jensen die vlakbij hangen, ogen zo fris dat je meteen duidelijk wordt in welke mate dit ogenschijnlijke afzien van inhoud in de eerste plaats gaat over het materiaal. Beide kunstenaars werken met zachte, pastelachtige kleuren op doek. Wonderbaarlijk is ook het gedeconstrueerde functionalisme van Martin Boyce, die met een rekje, een mobiel en een stoel de uiterste hoeken van de ruimte bespeelt. Vlakbij liggen de gebruiksvoorwerpen van de Da Group te stralen: colliers en nepbontjes die dienen als requisieten bij een performance. Ze lijken wel uit een ander tijdperk afkomstig, terwijl Claus Richter en Oliver Husain van Da Group de jongste kunstenaars in de tentoonstelling zijn. Cathy Wilkes krijgt het voor elkaar om een efemere constellatie te maken door een robuuste boormachinestandaard te verbinden met een arrangement van kleine, tere elementen. Florian Pumhösl, een kenner op het gebied van beeldvorming met behulp van montagetechniek, toont ons op een foto een ‘historisch’ beeldhouwwerk als een steen en omgekeerd, terwijl op de grond en aan de tegenoverliggende muur Helen Mirra de verhouding tussen stofomhulsels en de inhoud van woord en vorm tegelijk zacht en radicaal tot uitdrukking brengt.
Yilmaz Dziewior benadrukt in de catalogus de discrepantie tussen de lofzang op de tentoonstellingen over schilderkunst, die een heropleving van de schilderkunst zouden inluiden, en de als topzwaar bekritiseerde tentoonstellingen zoals ExArgentina in het Museum Ludwig in Keulen, of de afgelopen Berlijnse biënnale. ‘Wat niet zozeer ergerlijk is, omdat het inhoudelijk niet klopt, maar omdat het aanschouwelijk maakt hoe hier de diepe kloof wordt geconstrueerd tussen schijnbaar onpolitieke kunst aan de ene, en geëngageerde kunst aan de andere kant.’ Dziewior sluit in kunsthistorische zin aan bij de iconografie van Erwin Panofsky. Bij Panofsky bezit de vorm immers een eigen uitdrukking, die in een pseudo-formele analyse werd beschreven: Panofsky als de antiformalist onder de formalisten. Ten slotte neemt ook hij geen genoegen met deze fundamentele tegenstelling van vorm en inhoud, en ook ik vind deze problematisch, omdat ze te zeer in hegeliaanse zin wordt gebruikt als wachtwoord voor het einde van de kunst. ‘De gedachte en de reflectie’, zo merkte Hegel in 1830 op, rouwend over de voltooiing, ‘hebben de kunst overvleugeld’. Laten wij het dan liever bij Jonathan Monk houden, die niet bijzonder in de vorm is geïnteresseerd: ‘Zo lang een werk het idee erachter overbrengt, ben ik tevreden, en niet zelden wordt dit idee in de loop van de tijd beter. (...) Mijn vader zei in 1976: “Minimalistische kunstenaars proberen iets er naar niets uit te laten zien, en conceptuele kunstenaars proberen niets er als iets uit te laten zien.” Dat is wellicht een beetje te simpel geformuleerd, maar niettemin waar.’
Formalismus. Moderne Kunst, heute, Kunstverein, Hamburg, 9 oktober 2004 tot en met 9 januari 2005.










