Ingezonden brief

Rotterdam, 23-12-2004


In het laatste nummer van METROPOLIS M met als thema 'vakwerk' staat een aantal artikelen over design. Lovenswaardig, want er wordt niet heel veel geschreven over design. Maar ook verwarrend, omdat ze bij elkaar een nogal een eenzijdig beeld van ontwerpen geven, met een nadruk op formalistisch ontwerp. In het ene artikel wordt dit bekritiseerd, in het andere juist weer gewaardeerd. Deze schijnbare tegenstellingen vullen elkaar eerder aan dan dat ze elkaar als friendly enemies bevechten. 1 Geen van de artikelen weet zich te onttrekken aan deze even succesvolle, als alles neutraliserende opinie.

Ontwerpproductie, -kritiek, -reflectie en -beleid opereren in dezelfde richting. Zij treden op in het gezamenlijke project, zoals beschreven in False Flat en bekritiseerd door Domeniek Ruyters. Maar vervolgens doet dit nummer van METROPOLIS M precies dat: alles scharen onder een noemer. Wat moeten wij hieruit opmaken? Dat METROPOLIS M - zonder dat het er erg in heeft - fungeert als doorgeefluik voor een agenda die het zelf tracht te ontrafelen?

Om een goed overzicht te krijgen van hoe dit beoordeeld kan worden is het goed drie ogenschijnlijk verschillende posities te onderscheiden: het idee ontwerpen waarbij onorthodoxe oplossingen als beheersbaar risico kunnen worden ingezet (NL Architects, False Flat, Interpolis flexibel kantoor, Thonik®); de rationalisering van de luxe met een overdreven aandacht voor kwalitatieve meerwaarde (Jongstra, Bey, Boom, Schouwenberg) en de economische legitimering van een culturele activiteit (Senseo, beleid Premsela, I am sterdam). Daartegenover staat een mentaliteit waarbij het ontwerp wordt ingezet om de werkelijkheid te kunnen begrijpen, te veranderen of versteld te doen staan. En juist die gedachte mist in het debat over ontwerpen, zoals hier door METROPOLIS M gevoerd.

Het Nederlands ontwerpen is doordrenkt van calvinisme waardoor alles in termen van nut en functie a priori wordt beschreven. Betekenissen (politieke, poëtische of historische), kwaliteiten die a postiori toegekend kunnen worden en niet altijd even eenduidig zijn, vallen daarbuiten. De hedonistische experience economy biedt een vleugje ervaring, maar binnen de lijnen van het beheersbare (Robinson Island, Now&Wow, Museumn8, et cetera) zogenaamde prescribed poesis; het ontwerp mag alleen beloven, zonder volledig in te lossen. Voilà: de verbintenis tussen calvinisme en kapitalisme.

Het is interessant te vernoemen dat de katholieke De Steurs al in 1873 in zijn pamflet Holland op zijn smalst (De Gids) ageerde tegen deze koopmansmentaliteit. Hij maakt zich zorgen over ‘de neiging van de Nederlanders om trots te zijn op hun verleden, maar niet op de kunstwerken die door hun voorgangers zijn gemaakt’ en het ‘is verschrikkelijk dat (...) kunstwerken aan het buitenland worden verkocht’.

Design is verworden tot een exportproduct in de beste traditie van Frau Antje. Dat doet de potentie van het ontwerpen en de ontwerpers te kort. (We weten wat er van de Nederlandse tomatentelers is geworden...) Wie suggereert dat ontwerpen bijdraagt aan een cultuur en een drager van betekenissen is, wordt zelfoverschatting verweten. Andersom zou je eigenlijk kunnen stellen: wie twijfelt aan die grote rol, is klaar voor het fourniturenhuis.

Het succes van een formalistische aanpak vloeit voort uit haar verhandelbaarheid en uitwisselbaarheid. Door historisch op die functie gericht te zijn geweest, zijn we vergeten over de betekenis van de dingen en wie wij zijn, na te denken. Iedereen is niemand geworden. Dit vacuüm heeft Nederland in brand gezet. In de haast aangelegde firewalls zorgen intussen voor safe-areas waarbinnen exclusief contained-poesis geconsumeerd kan worden.

Wat is het verschil tussen de Miljonairs Fair en de designstands op de Salone di Mobile? De avant-gardistische ontwerpen hebben zich afgezonderd van de realiteit. En wat doen we? We schrijven artikelen over ‘handgemaakte letters’ en continueren het risicomijdend opdrachtgeverschap.

Het is Femke Halsema die (in het kamercommissie overleg op 22.11 over de cultuurnota) haarscherp formuleert wat je van ontwerpers ten minste zou kunnen verwachten: ‘Ik was getroffen door een uitspraak van de staatssecretaris over Senseo. “Het versterken van ontwerpers als die van Senseo is mijn grote droom.” Mijn vraag is: gaan wij die dan subsidiëren? Met alle waardering die je kunt hebben voor de Senseo, dat is niet waarover het gaat. Daar moet het ook niet over gaan. Het is heel goed als het bedrijfsleven gebruik maakt van de talenten en mogelijkheden van ontwerpers, maar dat is niet waar deze staatssecretaris voor op de barricades moet.’

En het is Femke Halsema die ook de verantwoordelijke politica, beleidsadviseurs en -uitvoerders fijntjes wijst op het feit dat economisering van ontwerpen niet uit cultuurbudgetten gehaald behoord te worden. Bovendien vraagt zij zich af het ministerie van economie, met een budget van 1,5 miljard, hieraan gaat bijdragen.

Exemplarisch is de rol die menig design- en kunstproject krijgt toebedeeld als procesbegeleider van ‘identiteitstransformatieprocessen’: ontwerpen als interim-management voor imagoprocessen. GEVRAAGD: AANTREKKELIJK ONTWERP – FEEL GOOD - SCHUURT NIET - MAKKELIJK TE VERVANGEN. Boeken en reizende designtentoonstellingen spelen een merkwaardige dubbelrol in dit spel. Aan de ene kant promoten ze de creatieve onaangepastheid van ontwerpers, aan de andere kant wordt dat aangeboden als een reeks van manageble return-on-investment opties voor potentiële opdrachtgevers. Ontwerpers noch hun visies kom je er nog maar zelden in tegen. Het is hiermee niet gezegd dat de ontwerpen uit het vorige nummer van METROPOLIS M niet bijzonder of waardevol zouden zijn.

Waar ik voor pleit is om voorbij de doelgerichte, conceptmatige en rationele benadering van de verschijning te denken. Globalisering veronderstelt niet alleen het exporteren van een brand, maar ook het toelaten van het andere. Nokia is het resultaat van een zieltogende monocultuur. Wat is er mis met een mogelijk rijk geschakeerd ontwerpklimaat? Waarom zouden we dat moeten opstoken?

Als ontwerpers en verwanten in Nederland alleen maar bezig zijn met het exporteren van objecten en stijlen vergeten we wie we zijn en wat we met elkaar delen. Welke (publieks)instelling durft zich nog trots te representeren? Onze werkelijkheid is dramatisch aan het veranderen. Wat daar de effecten van zijn is dagelijks in de krant te lezen, en alternatieven daarvoor hadden hier kunnen staan.


Felix Janssens,
ontwerper en oprichter van T(C), H&M


Noten

  1. Met dank aan Charles Esche die friendly enemies introduceerde als meest democratische rollenpatroon waarin het ‘oneens zijn’ inzet is van dialoog.
Bestel dit nummer

Bestel het nummer waarin dit artikel is verschenen:

Bestel nu
Neem een abonnement op METROPOLIS M

Word nu lid en krijg het eerste jaar 40% korting op de winkelprijs

Bestel nu
METROPOLIS M Webshop

Koop abonnementen, nummers, boeken en edities in de webshop

Ga naar de webshop