Antwerpen
MuHKA
18/12/04 -
27/02/05
Het klinkt bijna romantisch. Het ICC (Internationaal Cultureel Centrum) dat in 1969 werd opgericht in Antwerpen om een breder publiek in contact te brengen met uiteenlopende vormen van cultuur, werd onder leiding van Flor Bex een van de weinige instituten dat een rol speelde bij de verspreiding van de internationale avant-garde. En dat terwijl het de wens was om van het ICC, gevestigd in het voormalige barokke Koninklijke Paleis op de drukke Meir in Antwerpen, een ‘Paleis voor het Volk’ te maken.
Onlangs vond in het MuHKA in Antwerpen de tentoonstelling Dear ICC: Aspecten van de actuele Kunst in België 1970-1985 plaats, samengesteld door kunsthistoricus Johan Pas. De tentoonstelling was het resultaat van het doctoraal onderzoek van Pas naar de Belgische hedendaagse kunst in de periode 1970-1985, waarbij hij vooral veel archiefonderzoek in het ICC deed. Geen gemakkelijke taak een tentoonstelling te maken die de geschiedenis wil weergeven van deze rebelse periode, toch is Johan Pas hierin vrij goed geslaagd. Pas stelde voor om met de toestemming van de kunstenaar, tal van werken opnieuw te reconstrueren.‘Slapende’ kunstwerken werd zo een nieuw leven ingeblazen. Dat gebeurde met interessante werken en interventies van Dan Graham, Daniel Buren, Marie-Jose Lafontaine en Lili Dujourie. Dear ICC, een titel ontleend aan een briefje van Laurie Anderson, vormde de aanleiding om na te denken over de rol van het archief en het depot van een museum en hoe een instituut in onze ‘geïnformatiseerde’ tijden hier op een zinvolle manier mee om kan gaan. Naast dit informatieve karakter van de tentoonstelling toonde curator Johan Pas ook actueel werk van jonge kunstenaars als Boy & Erick Stappaerts en Cel Crabeels. Zij visualiseerden elk op hun manier een interpretatie van het door velen als heroïsch bestempelde ICC.
Belgische kunstenaars moesten in de jaren zeventig werken in een kunstklimaat zonder institutionele infrastructuur. De publieke verspreiding en ontsluiting van hedendaagse kunst beperkte zich in die tijd tot het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten, galeries als Wide White Space in Antwerpen en MTL in Brussel en de inspanningen van de Vereniging van Museum van Hedendaagse Kunst in Gent - inspanningen die in de late jaren negentig (eindelijk) vruchten afwierpen met de oprichting van het SMAK. Flor Bex (68), die ik sprak over de tentoonstelling en de roerige jaren zeventig, was een initiator die kunstenaars de kans gaf om niet alleen werk te tonen maar ook te produceren. In 1974 opende hij in het ICC een videowerkplaats waar kunstenaars dure apparatuur konden lenen. Bex wist kunstenaars als Marie-Jo Lafontaine ertoe te bewegen minimale textielkunst in te ruilen voor videowerk. Hij was zelf geruime tijd werkzaam als kunstenaar onder het pseudoniem Hubert Van Es. Een aantal van zijn conceptueel getinte video’s oogstte zelfs per toeval succes in de Verenigde Staten.
Belgische kunstenaars waren toen heel braaf. Ideologisch activisme beperkte zich tot zachte kritiek of speels verzet. Maar Documenta 5 van Harald Szeemann maakte grote indruk. Het werd als een radicale en revolutionaire tentoonstelling beschouwd die een duidelijke stempel drukte op het kunstklimaat van na 1972. Het werd een tijd van grote verwarring. Wide White Space toonde de ene keer de staven van Walter de Maria en een andere keer de omgekeerde motiefschilderijen van Georg Baselitz. De meest radicale Belgische kunstenaar was Luc Deleu die opgeleid als architect de wereld bestormde met voorstellen die de maatschappij leefbaarder moest maken. Anarchist Deleu stelde voor om radioactief afval naar de maan te schieten; de sierbomen langs de lanen te vervangen door fruitbomen en de platte daken te gebruiken als moestuintjes. Ria Pacquée lapte het verbod van het Antwerpse stadsbestuur aan haar laars en voerde op straat performances uit. De plaatselijke politiek had duidelijk schrik van de hedendaagse kunst. Flor Bex mocht naar hartelust experimenteren maar alleen binnen de veilige muren van het ICC. Zijn plannen voor een kunstparcours in leegstaande winkels van het centraal station tot aan de Schelde, vond geen doorgang maar inspireerden Jan Hoet naar het schijnt tot zijn latere Chambres d’Amis in Gent.
Bex maakte optimaal gebruik van de relatief kleine en goed met elkaar in contact staande internationale wereld van kunstenaars. Bekende kunstenaars als Laurie Anderson zakten af naar Antwerpen. Ze interviewde het publiek op straat om daarna ‘s avonds de bruine geluidstape als een strijkstok te gebruiken en de commentaren van de straat op een avant-gardistische manier te integreren in een geluidsperformance. Bex wist daarmee geschiedenis te schrijven. In 1976 vond er een van de meest spraakmakende performances van James Lee Byars in het ICC plaats, Shadow of an Extra Terrestrial Man (1976). En Gordon Matta-Clark maakte een werk in een verlaten pand in de nabijheid van het centrum. Internationaal protest kon de sloop van dit meesterwerk getiteld Office Baroque niet verhinderen, maar de vele geschonken kunstwerken die sloop moesten voorkomen werden later via een stichting de basis voor de oprichting van het MuHKA in 1985. Flor Bex werd daar de eerste directeur. Met het ICC ging het toen snel bergafwaarts. Het werd in 1998 gesloten. Maar als de tentoonstelling Dear ICC iets duidelijk maakt is het dat het voor het Belgische kunstklimaat van onschatbare waarde was.










