Enige ergernis geeft het wel, steeds maar weer gevraagd worden om je uit te laten over de kunst uit je geboortestreek. De Cubaanse criticus en onderzoeker Rubén de la Nuez weigert zich nog langer vrijwillig te laten marginaliseren en definiëren als ‘ander’. Het tropische is geen Latijns-Amerikaanse aangelegenheid, het tropische is overal.
Tropicollage was de titel van een liedje dat door de Cubaanse zanger Carlos Varela in de late jaren tachtig populair is gemaakt. De songtekst gaat over een verwrongen zelfbewustzijn en zelfrepresentatie, die een gevolg waren van het feit dat het grootste Caraïbische eiland besloot zijn economie grotendeels te richten op het toerisme. Sindsdien heerst er een wijdverbreide zorg over de kloof tussen wat wordt opgevat als de Cubaanse, culturele identiteit en het opkomende fast food-repertoire, dat bedoeld is voor consumptie door toeristen. Binnen een dergelijk scenario wordt het woord tropical vooral geassocieerd met een beeld of omschrijving van Cuba die enkel bestemd is voor de buitenlandse blik.
Van mij, een criticus geboren en opgeleid in Havanna en momenteel wonend en werkend in Europa, wordt vaak verwacht dat ik kunst uit mijn geboortestreek beschrijf, door gebruik te maken van concepten uit de moderne wetenschappen van ‘het anders zijn’, in plaats van terug te vallen op de uitgebreide esthetische termen die in de hedendaagse kunstkritiek worden gehanteerd.
Deze moderne wetenschappen, met name ecologie, etnologie en antropologie, hebben zo’n invloed gehad op de kunsten, dat het beeld van ‘de ander’ er nog steeds door bepaald wordt. Zo heeft zich in het moderne kunstdiscours een analytisch raamwerk ontwikkeld, waarin esthetische noties als kubisme, expressionisme of surrealisme het tegendeel vormen van exclusieve, culturele noties als africanisme, oriëntalisme of tropicalisme. Het esthetische zelf van het westerse kunstdiscours en zijn culturele ander, vormen zo een binaire eenheid die is blijven bestaan, terwijl de hedendaagse kunst zijn werkterrein uitbreidde van het esthetische naar het culturele. De hedendaagse kunstpraktijk wordt omschreven met concepten als archivering, re-enactment, performativity, met referenties naar de hele wereld. Deze ‘reizende concepten’ – om een term van Mieke Bal te gebruiken – staan nog steeds in contrast met eerdergenoemde ‘concepten waar naartoe gereisd wordt’.
Bij het huidige globalisme probeert de nog altijd ‘perifeer’ genoemde kunst haar stem te verheffen. Deze opkomende stem wordt in het hedendaagse kunstdiscours neergezet als een passief object, in plaats van als een actief, hedendaags subject. Kennelijk is er nog altijd een verschil tussen degene die iets een naam geeft en zij die die een naam opgeprikt krijgen. Het belangrijkste probleem van de actuele herpositionering van concepten als africanisme, oriëntalisme of tropicalisme is niet zozeer de vraag of de realiteit die ze beschrijven nog geldig is, maar het gebrek aan erkenning die die concepten al hadden binnen de culturele gemeenschappen waaraan ze refereren.
Om dat probleem beter te begrijpen moet men zich hun ontstaan voor de geest halen. Volgens Edward Said is oriëntalisme ontstaan uit de ‘vage notie van de Oriënt’ waarvoor er geen tegenhanger bestaat binnen het oosterse, culturele discours.1 Africanisme kwam tot stand tijdens de opkomst van de vroeg twintigste-eeuwse mode van de l’ art nègre en diende ter onderscheiding van de Maghrebi cultuur, die werd geassocieerd met de Oriënt. Daarom waren er aan die twee concepten altijd raciale implicaties verbonden.2 Alleen tropicalisme heeft een iets andere geschiedenis, als we tenminste de Braziliaanse Tropicália-beweging als zijn bron beschouwen.
Tropicália was de naam van een kortstondige tegencultuur die de stereotypen van de ‘tropical cultures’, afkomstig uit de negentiende-eeuwse romantiek, tegensprak.3 Het idee van een ‘authentieke’, inheemse en populaire cultuur ver verwijderd van de ‘besmettelijke ziektes’ van het westerse culturele establishment, werd uitgedaagd door een open en experimentele praktijk, die in alle opzichten een kosmopolitische sensitiviteit uitdroeg. Met Tropicália werd op satirische wijze uitdrukking gegeven aan een cultuur die leed onder dictatuur. Het was daarmee in staat om de algemeen aanvaarde zienswijze van tropische cultuur als iets ‘dionysisch, vrolijk en zonnigs’, tegen te spreken.
Caentano Veloso, een van de oprichters van de beweging, was zich bewust dat Tropicália alleen internationale erkenning zou verwerven als het gereduceerd werd tot een ‘isme’.4 Sinds het ontstaan van de ‘ismes’, is de kunstenaar zich bewust van de voors en tegens van deze geografisch culturele ‘brands’. Hij of zij kan ze gebruiken als methode om zich toegang te verschaffen tot een artistiek circuit, maar eenmaal toegetreden, zal hij of zij moeten worstelen om de daaraan verbonden beperkingen te overwinnen.
De moderne tropical studies maken nu af waar de hedendaagse, beeldende kunst aan is begonnen. Deze wetenschappelijke studies zijn nu een onderdeel geworden van een educatief systeem in tropische regio’s die ooit zelf case studies waren. Een aanzienlijk aantal kunstenaars uit deze regio’s is nu actief bezig met de deconstructie van die wetenschappelijke erfenis en de theorie van het tropicalisme. Enkele van hen zijn terechtgekomen in de diaspora in Europa, waarvandaan ze terugkijken naar de plaats van ontstaan van dit begrip.
Een voorbeeld hiervan is Ricardo Brey. Deze Cubaan, nu wonend in Gent, heeft in detail de wetenschappelijke methodes van Von Humboldt, Da Verrazano, Loefling en anderen onderzocht, om het moment vast te stellen waarin wetenschappelijke passie de kiem wordt van een mythe. Uiterlijk gezien, behoort zijn werk tot een grote groep kunstenaars wier werk zich buiten elke geografische grens begeeft.5 Het tropische is overal, zo is de suggestie. Er is niet langer een ‘tropische’ afstand, moet je constateren als je het werk van Brey ziet. En dus luidt de conclusie dat de kijker, gretig uit op herstel van het verloren Latijns-Amerikaanse paradijs, zichzelf terugvindt als Lévi-Strauss in zijn filosofische reisverhaal over Brazilië: als ‘een archeoloog van de ruimte, tevergeefs proberend het exotische te herstellen’.6
Noten
- Edward Said, Orientalisme, Vintage Books, New York 1978, p. 208.
- Africanism heeft in het Westen enige weerklank gekregen onder de term négritude, ontwikkeld door zwarte, Europese intellectuelen, als een oproep voor raciaal zelfbewustzijn. Echter, deze notie wordt bestreden door sleutelfiguren in de Afrikaanse intellectuele gemeenschap, als Ezekiel Mphahlele en Wole Soyinka.
- Tropicália was de titel van een installatie van de kunstenaar Hélio Oiticica. Het werd tot cultureel ideaal nadat het de titel werd van een gezongen manifest naar een compositie van Caetano Veloso. Volgens Christopher Dunn, ging Veloso met moeite akkoord met het gebruik van de titel, omdat hij bang was de argumenten van de koloniale theoretici over de tropen in de kaart te spelen. (Ch. Unn, Brutality Garden. Tropicália and the Emergence of a Brazilian Counterculture, The University of North Carolina Press, Chapel Hill & Londen, 2001, p.8.)
- Hij heeft recentelijk geschreven dat Tropicália ‘…is free from the –ism, which precisely owing to its reductiveness, facilitates the circulation of the ideas and repertory created, conferring on them the staus of a movement.’ C. Veloso, Tropical Truth. A Story of Music & Revolution in Brazil, Da Capo Press, New York, 2003, p.8.
- Dit moment van de opheffing van de merktekens van hedendaagse, materiële cultuur werd speciaal benadrukt in de installatie die recentelijk getoond is in Hanging around, GEM, Den Haag 2004.
- C. Lévi-Strausss, Tristes Tropiques, Penguin Books, New York, p.44.














