Het bovennatuurlijke is niet een onderwerp om de vinger op te leggen. Of even te zeggen hoe het zit. Het is meer iets om te omcirkelen; aftastend, proberen te begrijpen wat kunstenaars erin fascineert. David Lillington ging op onderzoek uit en sprak met verschillende kunstenaars over hun interesse in geesten, magie en betovering.
1
Geraldine Pilgrim: ‘Ik houd me bezig met afwezigheid en aanwezigheid. Het heeft te maken met gebouwen. En de gedachte dat als je het behang van de muren trekt, je je afvraagt wat zich daar dan achter bevindt. Het idee dat je in de muur gebrande negatieven zou kunnen vinden’, alsof de muren van fotopapier waren en ze de energie van gebeurtenissen zouden opzuigen. Haar overtuiging van de mogelijke overdracht van energie in materie, van ‘een afwezigheid die een aanwezigheid is’ is niet vreemd; het is een idee dat we allemaal kunnen herkennen. ‘Ik luister naar het gebouw, zijn geesten – ik bedoel niet dat er fysiek geesten zijn, maar de energie die men voelt.’ Als men het over geesten heeft, wordt er meteen aan gothic gedacht, maar daar is al vaak genoeg bij stilgestaan. Gothic heeft te maken met gebouwen. Er wordt wel gezegd dat het de schrijver/dichter Edgar Allan Poe was die ‘gothic’ uit gebouwen haalde en het in de menselijke ziel plaatste.
Maar er zijn nog zoveel andere dingen om het eerst over te hebben. De theatraliteit van Pilgrims performance Stardust in het De La Warr Paviljoen in Bexhill-on Sea, was behoorlijk dik aangezet. Stardust maakte gebruik van toneelspelers gekleed als mensen die in het verleden iets met het paviljoen te maken hadden gehad: een schoonmaakster, een oud echtpaar, een toneelspeelster die eindeloos haar make-up corrigeerde, danseressen die ronddwaalden en door mensen heen keken. Een ander stel danseressen zat stil op zolder. In haar video Spa ‘kijkt een oudere vrouw op een bed naar een afbeelding van zichzelf. Zij trekt de lakens over de afbeelding, die verdwijnt. Ze loopt door een gang en draait om, net voor ze het licht aan het einde bereikt. Dan loopt ze door en de deur klapt achter haar dicht. Dat gaat natuurlijk over de dood. Maar het is archetypisch, en daarom ben ik blij als het publiek het zelf interpreteert.’
Je kunt het ook hebben over de glamour van haar werk. Glamour betekende oorspronkelijk ‘magie’ of ‘betovering’. To cast the glamour over betekent betoveren of beheksen. Het is een werkwoord: to glamour someone.1 De kunstenaar Nike Savvas wijst op een verband tussen ‘problemen die worden opgelost in een droomachtige staat van zijn’ en ‘de glamour van magic shows’. Kunstenaar Jonathan Allen (Engeland, 1966) heeft een toneelpersonage gecreëerd – Tommy Angel – een mix van een dominee en een illusionist. Zijn optredens zijn erg goed: grappig en puntig. Zo heeft hij een truc met een verlamde man die hij uit het publiek haalt en vervolgens in een skelet verandert. Hij heeft op het moment veel succes. In de persberichten wordt hij iemand genoemd die zich bezighoudt met ‘illusie en realiteit’. Wellicht een manier om zijn performances tot ‘de hoge kunsten’ te verheffen, maar echt overtuigend is dit niet.
Ook performer Marisa Carnesky is geïnteresseerd in magische shows. Hoewel Carnesky een burleske performer is, functioneren de geesten in haar Ghost Train als metaforen: het zijn vrouwen die door heel Europa trokken, ‘verloren zielen’ gevangen in een voor henzelf ondraaglijke situatie. Toen Carnesky haar Ghost Train een meer politieke lading gaf, werd het een betere voorstelling. Beide zijden van de metafoor (de geesten en de echte mensen en het lastige parket waarin ze zich bevinden) kwamen scherper in beeld.
In de stukken van kunstenaar Anna Best (Londen, 1965) treden illusionisten, geesten en een ghostbuster op. Ze liet zichzelf ooit in tweeën zagen in Amsterdam. Anna Best: ‘Geesten verschijnen en verdwijnen. En onze ervaring van kunst is die van visioenen die verschijnen en verdwijnen. Tentoonstellingen openen en vervolgens krijg je misschien tien jaar lang geen kans om het werk van die kunstenaar te zien. Of nooit meer. Het is alsof de wereld vol van geesten is.’ Ze vervolgt: ‘Het kan zijn dat geesten de ongeborenen vertegenwoordigen. Misschien zijn ze wel hormonaal.’ Volgens haar zijn geesten eigenlijk ‘als kunst; ze zijn archetypische verhalen, waarvan het niet mogelijk is om de waarheid vast te stellen. Net als kunst kunnen ze niet worden verklaard om ervan af te zijn.’ (De taak van de dichter was volgens Shakespeare ‘to give to airy nothings/A local habitation and a name’).
Over een video van kunstenaar Andrew Mania (Bristol, 1974) zegt curator Simon Wallis: ‘het gaat over hoe verhalen worden overgeleverd van familie tot familie.’ Mania zelf zegt: ‘Er zit inderdaad een bovennatuurlijk element in mijn werk, maar ik gebruik het instinctief en neig eerder naar traditioneel katholieke iconografie dan naar het occulte.’ Er wordt beweerd dat zijn moeder een Yeti heeft gezien.
Geesten worden vaak in verband gebracht met film en fotografie. De Duitse kunsthistoricus Gerhard Glüher schrijft in een commentaar op een citaat van Roland Barthes: ‘In deze zinnen wordt een onoplosbare paradox met betrekking tot fotografie uitgedrukt, of de handeling van het fotograferen creëert een code, waardoor fotografie een medium wordt en tot het culturele domein gaat behoren, of fotografie is geen teken maar een ding, net als alle andere dingen in deze wereld, waardoor het tot het domein van de natuur behoort.’2 Deze merkwaardige status van fotografie, deze onoplosbare paradox, heeft haar overal tot bondgenoot van geesten gemaakt. Tegenwoordig lijkt fotografie eerder opgevat te worden als iets dat verwant is aan magie, dan als een indexicaal medium. Rosalind Nashashibi’s idee om iets te ontdekken door de magie van haar machine, een videocamera, bevat het idee van kunst als een vorm van onderzoek van het onzichtbare.3
Het stikt van de geesten, dat is zeker. Charlotte Prodgers video The Ghosts of Doctor Gretel Harp lijkt te gaan over plekken, familie, incest, dood en taal. Het is intens duister. De kracht ervan ligt in de manier waarop de video je nieuwsgierig maakt: wat, zo vraag je je af, ligt er achter al deze complexe, en o zo menselijke griezeligheid? Maar er valt ook iets te zeggen voor een meer directe onderzoeksaanpak. Karen Russo’s (Israël, 1974) Spontaneous Human Combustion, werd ‘gemaakt na een uitgebreid onderzoek, waaronder studies van literatuur en wetenschappelijke experimenten. Het gebruikt dit materiaal om een “brandend verlangen” te tonen als metafoor – dat verlangen is een emotioneel exces van wat voor soort dan ook, die het slachtoffer in een acute, emotionele gemoedstoestand brengt. Een toestand waarin de brandende emotie (van de minnaar, van de kunstenaar) het slachtoffer niet alleen tot een delirium dwingt, maar ook tot een extreme fysieke toestand, tot aan zelfdestructie toe. De film is geschoten in een documentaire stijl, en exploreert dit fenomeen door middel van interviews (met brandweerlieden, wetenschappers en familieleden van slachtoffers), wetenschappelijke bewijzen en politiemateriaal. Maar het heeft uiteindelijk vooral een poëtische lading. Het gebruikt de vorm van de documentaire om de grenzen van de realiteit te ondermijnen.’
Over die laatste zin twijfel ik. Natuurlijk wil Russo uitdrukken dat deze staat van mentale ineenstorting, van burn-out, inderdaad echt is. Maar haar uitspraak is enorm interessant. De metafoor – waarbij een natuurlijk, maar mysterieus fenomeen, symbool staat voor een trauma – suggereert dat ze meent dat alleen zo’n metafoor de menselijke ervaring adequaat kan beschrijven. Dat zou wel eens de redenering kunnen zijn achter veel van het werk van kunstenaars die bovennatuurlijke beelden gebruiken. Het is een bepaalde benadering van de realiteit. Dit gaat zelfs op voor kunstenaars waarvan het werk erg verschillend is, zoals dat van Gavin Turk. Het probleem is uiteraard dat je hetzelfde kunt zeggen van een kunstenaar die stillevens schildert, of van elke kunstenaar. Maar toch, er valt iets voor te zeggen.
Het bezig zijn met het onwerkelijke betekent meestal iets anders. Alsof het doel van de kunstenaar altijd is om wijzer en meer een met zichzelf terug te keren van een bovennatuurlijke reis. Dat maakt dat ik me ongemakkelijk voel bij Jonathan Allen – wiens kunstwerken, ondanks de bewering dat ze zich bezighouden met het reële, eerder over hun eigen interne, magische logica lijken te gaan.
De geest in Paulette Phillips’ Homewrecker is een ‘klein stukje zijden stof dat in de lucht zweeft. Het wordt op zijn plaats gehouden door elektromagnetisme en reageert op luchtstromen en mensen’.4 Ertegenover toont een filmloop een starende vrouw. ‘Het lijkt alsof de geest op zijn plaats wordt gehouden door de blik van de vrouw.’ De 16mm filmsequentie herinnert aan vroege cinema. In galerie Danielle Arnaud in Londen stond dit werk op een klein podium en had de geest een toneellamp op zich gericht. Het werk is een onderzoek van onzichtbare of ingebeelde fenomenen, zoals telepathie, hypnose, aantrekking, elektromagnetisme en refereert aan de vroege geschiedenis van wisselstroom, spiritualisme en aantrekkingskracht.’ Ze noemt ook Mesmer.
Deze beschrijving van energiestromen doet mij denken aan de ideeën over twintigste-eeuwse kunst van criticus Guy Brett. Hij heeft gezegd dat het modernisme vooral over energie ging – en dat dit over het hoofd wordt gezien. Volgens David Freedberg wil alle kunst ‘spreken en in beweging brengen’ om te leven.5 Misschien zijn alle standbeelden wel geesten. Een interesse in de natuur kan ook belangrijk zijn voor veel kunstenaars die zich met geesten, magie of bovennatuurlijke zaken bezig houden. Arturo Schwartz, de samensteller van The Complete Works of Marcel Duchamp, citeert Novalis: ‘de natuur is zuiver poëtisch, net als de werkplaats van een magiër, een natuurkundige, een kinderkamer, een opbergruimte en een kelderkast. Het is ‘een holistische opvatting van natuur en de wereld’, aldus Schwartz.6
Om jezelf als kunstenaar te verbinden met tovenaars of geesten demonstreert een zeker zelfbewustzijn. Wie paranormaal onderzoek en artistieke methode gelijkstelt – beide houden zich naar eigen zeggen bezig met ontastbare zaken – van zo iemand kan natuurlijk worden gezegd dat ze meer conceptueel dan gothic zijn. Iets daarvan heeft ook te maken met de huidige interesse in premodern denken: een heronderzoek naar hoe we zijn gekomen waar we zijn. Pilgrim is het met me eens dat magie over nostalgie gaat (dat is niet mijn idee, het is een hele afdeling van renaissancistisch denken). ‘Het gaat ook over binnendringen’, zegt ze. Marc Hulson heeft een hele serie geesten geschilderd: ‘Ik ben geïnteresseerd in de notie van achtervolgd worden. Dat heeft niet te maken met bovennatuurlijke wezens, het gaat over iets dat je niet kunt vergeten. Het is een psychologische toestand.’
Simon Wallis zegt over Mania’s werk: ‘Het gaat over mensen die vast zitten op een bepaald moment in hun leven’. Marc Hulson: ‘Henry James’ The Turn of the Screw is de essentie van het fantastische – er vindt een verdubbeling van de fictie plaats: zijn de geesten echt of zijn ze een product van de verbeelding? Niets in het verhaal vertelt je hoe het te interpreteren. Op dit moment gaat mijn werk meer over iets tevoorschijn toveren of oproepen dan over iets vangen. Dat is denk ik de relatie van fotografie tot geesten. Ik ben geïnteresseerd in het afbeelden van iets dat alleen in de verbeelding bestaat.’7
‘Vroege cinema is op een nogal letterlijke manier ongelofelijk spookachtig en vertoont veel overeenkomsten met magic shows.’ Lynda Nead schrijft in een recent artikel voor Tate Etc. over de vroege filmmaker Georges Mélies: ‘In veel van zijn werk vindt een overgang plaats tussen de levenloze toestand van een beeld en een levende vorm.’8 Ze beschrijft een film waarin hij zijn eigen filmbeeld begroet. Vreemd genoeg lijkt hier een overeenkomst zichtbaar met de latere conceptuele kunst.
Ooit schilderde Marc Hulson abstract. Toen hij vreemde landschappen begon te schilderen, met aliens en geesten, merkte een vriend op: ‘Ik denk dat hij gek geworden is’. Hij zegt: ‘In feite verbind ik geesten altijd met abstractie: het idee dat je het onrepresenteerbare weergeeft, wat de abstracte kunst beweerde te doen.’ Van alle hier genoemde kunstenaars lijkt Pilgrim het meest te geloven in iets echts. Maar wat is echt? Hulson gelooft in iets echts, maar dat zijn geen geesten – net als bij Pilgrim gaat het om nauwelijks waarneembare energie. John Thomson van het kunstenaarsduo Thomson & Craighead zegt: ‘Mensen zijn vaak op zoek naar kunstenaars die geloven. Mensen die echt in geesten geloven zijn zeldzaam. Wij werken met netwerkprocessen, die het werk dat we maken verhelderen, hoewel onze eigen interesse vrij grillig is. We leggen verbanden tussen efemere spektakels en verschijnende communicatietechnologieën.’9
De filosoof Mircea Eliade zei dat een gebed belangrijk is omdat het een plek is waar je vrij bent van welke wet dan ook. Filosoof Jacques Maritain zei dat het kwaad oplost in kunst. Magie, zo wordt gezegd, is een soort gebed. Kunst, gebeden en magie hebben iets gemeenschappelijks. Laten we Yves Klein en de geheime krachten van de kunstenaar niet vergeten, of zijn votieve offers. Natuurlijk was de kerk, katholiek en protestant, tegen magie. Velen hebben erop gewezen dat de kerk zijn eigen magie kent, die wijn in bloed veranderd. Echte magie – en Marsilio Ficino en Hermes Trismegistus en astrologie en the great chain of being en sympathie en angst – is natuurlijk nogal eng. Ficino was doodsbang voor de sterrendemonen. De alchemisten konden jaren besteden aan een magisch werkstuk en verpestten het door verkeerde gedachten te denken. Timing was cruciaal: de sterren moesten goed staan.
Een van de formules om minderwaardig metaal in goud te veranderen hield in dat je drie keer om een kerk moest lopen zonder het woord abracadabra te denken. Zulk paradoxaal denken – de latente humor is zichtbaar – bezit een aantrekkingskracht voor meerdere conceptuele kunstenaars.
Bij Trisha Donnelly (1974, San Francisco) lezen we dat ‘door het naar voren brengen van de bijna magische kundigheid van de kunstenaar, promotie een integraal onderdeel wordt van haar totale esthetiek’ (John Miller). Noemde ik Klein al? Haar werk is vaak bijna onzichtbaar.
Toen Elizabeth Price een tentoonstelling samenstelde, was Giorgio Sadotti’s (Stockport, 1955) bijdrage de outfit van een goochelassistente. Hij wilde haar deze outfit op de opening laten dragen. In plaats daarvan toonde ze het op een tafel. Maar wie was de illusionist van wie ze de assistent moest zijn? Kunst? Marcel Duchamp? Sadotti? De video van Gavin Turk A Mysterious Force of Nature waarin hij lijkt te kunnen zweven op commando van een illusionist, lijkt over kunst en kunstenaars te gaan.
2
Nu hoeven we nog maar een stap te zetten om al onze conclusies samen te brengen. - Arturo Schwartz
Natuurlijk is het niet zo eenvoudig. Maar ik schrok nogal toen ik weer eens naar William Butler Yeats’ gedicht Byzantium keek, dat uitdrukkelijk wordt overspoeld door magie en geesten. Zo’n beetje tweederde van mijn aantekeningen stonden er op een of andere manier in. Kunst, magie, politiek en het theater hielden Yeats zijn leven lang bezig. Al dat verkeer tussen geest en stof.
Als tegenwicht, hier een wat andere gedachte van een scepticus, om het extreem dichterlijke mysticisme van Yeats wat te temperen Marcel Duchamp: ‘Als we de kunstenaar de eigenschappen van een medium verlenen, moeten we hem het bewustzijn van wat hij op het esthetisch vlak doet en het waarom ervan ontzeggen. Al zijn beslissingen in de artistieke uitwerking van het werk zijn zuiver intuïtief en kunnen niet worden vertaald in een gesproken of geschreven zelfanalyse, ze kunnen zelfs niet worden uitgedacht.’ Als. En doen we dat? Het is nog een open vraag.
Het is werkelijk vreemd dat de inleiding op The Complete Works van Marcel Duchamp bijna magisch is – omdat ze geschreven is door Schwartz, die slaaf is van de schoonheid van het geheim. Een beroemde uitspraak van Max Ernst is dat hij geloofde in een plek waar alle dingen één waren. maar misschien is dat de oppervlakkige complicatie – de ‘glamour’ – die zo aantrekkelijk is. Wat eenheid betreft, vraag je je soms af wat we zouden doen als we die vinden.
Andrew Mania, Galerie Diana Stigter, Amsterdam
27 mei t/m 1 juli
David Lillington dacht dat u dit moest lezen:
Byzantium
The unpurged images of day recede;
The Emperor’s drunken soldiery are abed;
Night resonance recedes, night walkers' song
After great cathedral gong;
A starlit or a moonlit dome disdains
All that man is,
All mere complexities,
The fury and the mire of human veins.
Before me floats an image, man or shade,
Shade more than man, more image than a shade;
For Hades’ bobbin bound in mummy-cloth
May unwind the winding path;
A mouth that has no moisture and no breath
Breathless mouths may summon;
I hail the superhuman;
I call it death-in-life and life-in-death.
Miracle, bird or golden handiwork,
More miracle than bird or handiwork,
Planted on the star-lit golden bough,
Can like the cocks of Hades crow,
Or, by the moon embittered, scorn aloud
In glory of changeless metal
Common bird or petal
And all complexities of mire or blood.
At midnight on the Emperor's pavement flit
Flames that no faggot feeds, nor steel has lit,
Nor storm disturbs, flames begotten of flame,
Where blood-begotten spirits come
And all complexities of fury leave,
Dying into a dance,
An agony of trance,
An agony of flame that cannot singe a sleeve.
Spirit after Spirit! The smithies break the flood.
The golden smithies of the Emperor!
Marbles of the dancing floor
Break bitter furies of complexity,
Those images that yet
Fresh images beget,
That dolphin-torn, that gong-tormented sea.
- William Butler Yeats
Noten
- De Oxford Dictionary levert leuke voorbeelden: ‘That maiden in the tale/Whom Gwydion made by glamour out of flowers.’ (Tennyson). ‘Woman and tree prove of a stuff /Wholly to glamour his wild heart?’ (Robert Graves).
- Jörg Boström and Gottfried Jäger (red.), ‘Unreality of the Code’, in Can Photography Capture our Time in Images?, Kerber Verlag, Bielefeld, 2004.
- Veel andere kunstenaars kunnen op een of andere manier met dit idee in verband worden gebracht: Cornelia Parker, Mat Collishaw, Susan Hiller en Brian Catling, ze worden hier niet besproken.
- Homewrecker zal in mei in Rotterdam te zien zijn.
- David Freedberg, The Power of Images: Studies in the History and Theory of Response, Chicago, 1989.
- Arturo Schwartz (red), The Complete Works of Marcel Duchamp, Delano Greenidge, New York 2000.
- Hulson stelt tentoon in Ghosts - the Race Against Oblivion, Klub der Polnischen Versager, Berlijn.
- Nead’s The Haunted Gallery: Painting, Photography and Film, c.1900, wordt in september gepubliceerd.
- Bijna iedere kunstenaar die ik benader blijkt in een tentoonstelling te zitten met iets van geest of magie in de titel. Nu betreft het The Blur of the Otherworldly, in Baltimore in de Verenigde Staten.












