Anonym - In the Future No One Will Be Famous

FRANKFURT AM MAIN
Schirn Kunsthalle
31/10/06 - 14/01/07

N.N., dat is de afkorting die op de regel van de kunstenaarsnaam komt te staan wanneer deze onbekend is. ‘Nomen nominandum’, tegenhanger van ‘z.t.’ (zonder titel) komt echter niet vaak voor, want men is in de kunst sneller tevreden met naamloze kunst dan met onbekende makers, zo leert de kunstgeschiedenis ons. Zonodig wordt er een klinkende term ter vervanging bedacht. Het vroeger vaak voorkomende ‘meester van het…’ is daarvan het bewijs. Maar wat gebeurt er als de kunstenaar zijn werk zelf anoniem mag tentoonstellen? De Schirn Kunsthalle in Frankfurt heeft zeventien kunstenaars aan een tentoonstelling gecommitteerd, die ‘anoniem’ als thema heeft.

Anoniem, dat staat voor stiekem en achterbaks, zijn auteurs die niet alleen het bekende verhaal en de waarheid beschrijven, maar ook het verborgene en laaghartige opsporen. Anoniem zijn brieven zonder afzender of telefoontjes waarbij een onbekende persoon je iets toevertrouwt dat je misschien liever niet gehoord had. Kunst is echter geen obscuur geheim en dus was het in het geval van eze tentoonstelling misschien gepaster geweest het begrip ‘incognito’ te kiezen. ‘Incognito’, dat zijn de sterren die zich met zonnebril en hoofdbedekking onherkenbaar onder het volk begeven. Juist dat was het ‘carnaval’ van bekenden en onbekenden dat Max Hollein, directeur van de Schirn, in gedachten had. Het gaat erom de hedendaagse kunst los te maken van het kunstwerk als ‘merkartikel’, waardoor de naam van de kunstenaar als branding en als een onderscheidend kenmerk kan worden misbruikt. Ook de curator moet in het duister tasten, in een tijd waarin ‘tentoonstellingscuratoren tot impresario’s’ verworden zijn, wier namen de ‘richting van het tentoongestelde’ al prijsgeven.

De curator van Anonym – In the Future No One Will Be Famous, wiens naam in de catalogus vanzelfsprekend consequent niet wordt genoemd, schrijft dat het hem vooral om de echte concentratie op en de ‘onvervalste dialoog’ met het kunstobject gaat: ‘de bezoekers moeten, zonder door tekst, persberichten, catalogus of kritieken gemanipuleerd of afgeleid te worden, hun eigen mening kunnen vormen’. Daarbij moeten ‘blokkades en psychologische oorlogsvoering ophouden, want die zijn er altijd zodra er namen vallen. Sartre = nihilisme, dat klopt net zo weinig als Warhol = Campbell-soep’.

Kunst en nieuwe mediaspecialist Stefan Heidenreich wijst er in dezelfde catalogus echter op dat de fixatie op namen voor de musea van belang is, omdat de naam als eenheid dient, die meer laat zien dan alleen het private. ‘Door deze eenheid wordt de naam, van geboorte tot de dood, samen met de aan hem toegeschreven werken, in een historische samenhang ingebed’, aldus Heidenreich. Maar anoniem of niet, men koos voor deze tentoonstelling een prominente plek als locatie die bij voorbaat aandacht en groot aantal bezoekers zou garanderen. En men kon het ook niet nalaten om naast de naam van museumdirecteur Max Hollein ook een andere beroemde naam te laten prijken, namelijk die van Hans-Ulrich Obrist. Hij interviewde de curator voor de catalogus en zijn initialen HUO wegen ruimschoots op tegen een hele rij onbekende signaturen.

Anonym – In the Future No One Will Be Famous heeft, zo leren we uit het interview, naast het onbekend blijven van de kunstenaars ook in concreet inhoudelijk opzicht het thema ‘anoniem’ als leidraad genomen. Het is echter de vraag of het werkt de deelnemende incognito-kunstenaars ook nog met een dergelijk concept op te zadelen. Er zijn beslist een aantal werken in de tentoonstelling te ontdekken die goed binnen de context passen. Bij de ingang druppelt een bijzondere fontein: een met de hand gemaakt en bont beschilderd ontwerp dat zich richt tegen de anonimiteit van kunst in de openbare ruimte. Op een monitor zijn videobeelden van found footage te zien, die de oude discussie over graancirkels naar de hemel verplaatst: condensstrepen worden als bovenaardse tekens bediscussieerd. Het mooiste is waarschijnlijk een vitrine met een serie anonieme bekentenissen: een opengeslagen Penthouse, ‘Zungenkunst’ en een beschrijving van een lesbische relatie tussen een kunstenares (‘half-Aziatisch, 20 jaar, ontluikende borsten en lang, zijdeachtig haar’) met de vastberaden en rondborstige, vrouwelijke stercurator die wordt getoond in het onbarmhartige licht van het kunstenaarsatelier.

Overtuigend is ook het idee van een kunstenaar om openbaar groen te jatten en struiken en bomen gewoonweg uit plantsoenen en parken uit te graven. In de tentoonstelling hangt een serie foto’s van de ‘delictplaatsen’, waarop gaten te zien zijn die op graven lijken, terwijl op een winderig dakterras de hele buit is uitgeplant. Net zoals de anonieme kunst van haar wortels is ontdaan, ziet het groen er enigszins verdord en verlept uit.

Het is bijna onmogelijk om de aandacht van het sterke concept naar de individuele werken te verplaatsen. Omdat de hele tentoonstelling tot een idee wordt gereduceerd, lijken de tentoongestelde werken op rekwisieten. De professionele bezoeker voelt zich als connaisseur uitgedaagd en kan het niet laten te gaan raden welke kunstenaars bij de kunstwerken horen, maar dit leidt vooral tot vage overwegingen en raadselachtige vermoedens. Die dure installatie daar, zou die naar een internationale naam kunnen verwijzen? Ook technische virtuositeit of een duidelijk handschrift kunnen aanwijzingen zijn. Maar wat kunnen de minder ingewijden met het concept beginnen? Wie niet bekend is met het circus van de hedendaagse kunst heeft wellicht een groot voorbehoud om zich met ‘berichten zonder afzender’ in te laten. De aanwezigheid van kunst zonder verklaring of achtergrond, geeft de leek alleen maar een gevoel van incompetentie. Als ‘medespeler’ ontbreekt het hem immers aan kennis.

De kunst wint ondertussen niet aan betekenis en verliest haar geloofwaardigheid. Want niet alleen de markt en de musea willen de kunst beoordelen en indelen. De zo tentoongestelde werken hebben zich minder uit het heden losgerukt dan het lijkt, men heeft ze slechts tijdelijk stilgezet om zichzelf misschien van de verantwoordelijkheid te ontslaan. Niet voor niets is in een soort manifest het naleven van de afspraken vastgelegd rondom de speciaal voor de tentoonstelling gemaakte werken: de kunstenaars mogen de tentoonstelling wel in hun cv opnemen, maar het werk dat ze hebben gemaakt niet expliciet vernoemen.

De namen blijven dus voorlopig een mysterie, met smart wordt gewacht op het uitgestelde prijsgeven ervan. Men verlaat de tentoonstelling met het gevoel dat je bekruipt op de ochtend na een late televisieavond; dat je op de een of andere manier het einde en de aftiteling hebt gemist. Stefan Heidenreich besluit zijn essay met de opmerking, dat in het Latijnse nomen nominandum het bevelende gerundivum ‘de naam is te noemen’ verborgen zit. Voordat dat echter gebeurt, kunnen we naar het meeste slechts blijven gissen.

Order This Issue Now

Order the issue that this article appeared in:

Order now
Subscribe to METROPOLIS M

Take a yearly subscription and receive METROPOLIS M every two months to your door

Order now
METROPOLIS M Webshop

Buy subscriptions, issues, books & limited editions at our webshop

Visit webshop