De Pijp in Amsterdam lijkt zich steeds meer als een nieuw kunst- en cultuurkwartier te profileren. Na galerie Juliette Jongma en Dubbelbee galerie, opende onlangs ZINGERpresents daar haar deuren, na eerder actief te zijn geweest in Tilburg. Galeriehouder Steven van Grinsven, die een opvallende internationale stal van jonge kunstenaars aan zich heeft weten te binden, wil van ZINGERpresents iets maken ‘tussen galerie en experimenteel initiatief in’.
Je moet het hem meegeven: ZINGERpresents oogt niet als ‘the average white cube’ die we gewend zijn. In een smalle pijpenla van de Gerard Doustraat staan de ogenschijnlijk krakkemikkige installaties van de jonge, Britse kunstenaar Graham Hudson genoegzaam te pruttelen en te ratelen. Een echt kantoor is er niet. De op de organische Merzbau van Kurt Schwitters lijkende, ‘provisorisch’ getimmerde installatie van Hudson markeert de scheiding tussen de tentoonstellings- en werkruimte. ‘Kopje koffie?’, vraagt de galeriehouder gastvrij als ik binnen kom lopen,‘oh nee, heb ik hier niet, moeten we even naar het café om de hoek lopen.’
Eva Raeder, een kunstenaar die aan De Ateliers studeert en toevallig passeert, noemt de galerie ‘fris en heel Londens eigenlijk’. Die kwalificatie Londens komt niet uit de lucht vallen. Van Grinsven studeerde kunstgeschiedenis in Londen (na een studie bedrijfskunde in Den Haag) en was er vijf jaar werkzaam in de kunstscene. ‘Ik werkte onder andere voor de Henry Peacock Gallery, een mooi initiatief met een zwaar politiek programma, met bijvoorbeeld enerzijds performances maar anderzijds ook een historische tentoonstelling over de Trade Unions in Engeland. Niet bepaald het soort werk dat goed verkoopt. Op een gegeven moment verkocht ik wel iets aan The Saatchi Gallery; een fantastisch mooi werk van Dan Brady, een jonge architect/kunstenaar. Hij maakte een driedimensionaal beeld: een zo letterlijk mogelijke vertaling op schaal van de architecturale ruimtes, die worden beschreven in Franz Kafka’s roman Het Proces. Toen ik mijn directeur, Tom Winterburn, over de verkoop vertelde was hij er niet echt blij mee. Hij verkocht eigenlijk liever niet aan Saatchi, niet zozeer vanwege zijn geld of verzameling, maar vanwege de populistische omgang met zijn collectie. Succes werd bij de Henry Peacock Gallery niet alleen afgemeten aan verkoopresultaten, het ging er ook om mensen op een nieuwe manier te laten kijken naar de galeriewereld en haar functie. Toch heeft het wel iets licht hautains om expres niet aan beurzen mee te doen en van je kunstenaars min of meer eenzelfde tegendraadsheid te eisen uit idealistische overwegingen. Achteraf vind ik dat een soort salonsocialisme.’
Van Grinsven heeft wel aan zijn periode bij de Henry Peacock Gallery een bepaalde vorm van tegendraadsheid overgehouden. Hij voelt zich het best bij situaties die het toestaan vanuit de luwte te opereren, ongedwongen en nieuwsgierig. Dat begon al bij de keuze voor de stad om zijn eigen galerie te vestigen: Tilburg. ‘Ik dacht dat de kunstenaars met wie ik in Londen werkte daar niet blij mee zouden zijn. Een verhuizing naar Tilburg was niet echt een voor de hand liggende keuze. Maar ze stonden er juist wel achter. Het voordeel van Tilburg was dat ik er kon experimenteren en mezelf kon ontwikkelen, zonder dat er veel druk op stond van buitenaf. Het was zowel voor mij als de kunstenaars een echte vrijruimte. Pas in Tilburg ontdekte ik dat ik dat in het hiërarchische Londen erg had gemist. In Tilburg kon ik gemakkelijk een ruimte vinden, ik liep toevallig tegen een oude slagerij aan in de Tuinstraat en een week later was mijn galerie bij wijze van spreken geboren. Tilburg heeft bovendien een hecht kunstklimaat waarin iedereen elkaar steunt. Er gebeurt veel. Maar op een gegeven moment miste ik toch wel een soort dialoog.’
Een van de eerste tentoonstellingen die hij in Tilburg maakte, was een dubbelpresentatie met werk van de Rotterdamse Christine Rusche en de Londense Samuel Herbert. Opnieuw valt de naam Saatchi. In 2004 bij zijn afstuderen op Goldsmiths in Londen kocht Saatchi meteen het grootste deel van het afstudeerwerk van Samuel Herbert op. Van Grinsven: ‘Toen zei ik tegen Samuel: Jongen, dat is fantastisch, maar dit is niet de enige manier om een betekenisvolle carrière op te bouwen. We hebben er bewust voor gekozen om de schilderijen die hij maakte voor zijn eerste galeriepresentatie bij mij in Tilburg niet aan Saatchi te verkopen, omdat we vonden dat het werk een plek moest vinden in de omgeving waarin het getoond werd.’
Het is de belangrijkste drijfveer voor Van Grinsven: kunstenaars brengen die nog weinig bekend zijn in Nederland, maar elders wel al enig succes hebben. Zo bracht hij met ZINGERpresents een opmerkelijke, jonge stal internationale kunstenaars de ‘lokale’ kunstscene van Tilburg binnen. Een groot aantal daarvan had wortels in de Londense kunstscene. Gereon Kreber, met wie hij al acht jaar samenwerkt, is bijvoorbeeld afkomstig van de Royal College of Art. Daarvandaan zijn ook kunstenaars als Markus Vater en Mike Cooter afkomstig. De jonge Leipziger schilder Sebastian Nebe zag hij voor het eerst op een kleine tentoonstelling in Berlijn. De tentoonstelling van zijn werk in Tilburg was de eerste solotentoonstelling van de kunstenaar. ‘Dat is dan een situatie waarin je een kunstenaar echt begeleidt bij zijn eerste serieuze presentatie.’
Kan hij uitleggen of de kunstenaars die hij vertegenwoordigt iets gemeenschappelijks hebben? ‘Dat vind ik moeilijk te zeggen. Meer in het algemeen zou je kunnen zeggen dat ik zoek naar een bepaalde schizofrenie in een werk, dat het iets paradoxaals heeft, een moment waarop het beeld niet meer strookt met het gevoel. Kunstenaars die de opperste laag van de werkelijkheid af weten te krabben. De motivatie om een kunstenaar te willen vertegenwoordigen komt altijd in nauwe samenspraak met de kunstenaar zelf tot stand. Verkopen is niet het hoofddoel. Op de eerste plaats staat voor mij de liefde voor de kunst en de nauwe band met een kunstenaar. Ik wil in Amsterdam, net als in Tilburg, vooral heel graag mooie, intrigerende tentoonstellingen maken.’
Het lijkt exemplarisch te zijn voor een jonge generatie galeriehouders: ze zoeken naar een vorm die het midden houdt tussen kunstenaarsinitiatief en galerie, waarin ruimte voor experiment minstens zo belangrijk is als goed verkopen. Steven van Grinsven herkent die mentaliteit niet alleen bij de jongste galeries: ‘Galeriehouders als Fons Welters, Ellen de Bruijne, Diana Stigter, om er maar een paar te noemen, zijn door hun eigen en eigentijdse manier van werken heel belangrijk geweest, en nog steeds, voor het Nederlandse kunstklimaat. Zij zijn het fundament waar wij op voortbouwen. Als jonge galeriehouder kan ik alleen maar hopen daar uiteindelijk op mijn eigen manier een bijdrage aan te leveren.’











