In de kunstwereld is zij inmiddels een veel gevraagd spreker. De Waalse, in Londen werkende politiek filosoof Chantal Mouffe, toont zich in haar denken niet bepaald een voorstander van het poldermodel. Haar stelling: durf gepassioneerd van mening te verschillen, want juist daar is democratie bij gebaat. Mouffes theorie wordt meer en meer gezien als een algemeen toepasbaar model, maar het is de vraag of haar in-tenties in de kunst tot hun recht komen.
Het is niet zo verwonderlijk dat er onder kunstenaars en curatoren de belangstelling groeit voor politieke filosofie. Kunstenaars zijn in het posthistorische tijdperk, zoals Francis Fukuyama het in 1992 afkondigde, meer dan ooit de publieke sfeer gaan verkennen, misschien wel omdat die leek te zijn ontdaan van zijn conventionele partij-politieke tegenstellingen en gedragscodes. De publieke sfeer is locatie van artistieke interventies, zonder dat er politieke kleur hoeft te worden bekend. Kunstenaars werken samen mer ambtenaren bij de planning van nieuwe stadswijken, ze voeren sociale projecten uit of organiseren op kleinere schaal ontmoetingen. Soms raakt hun optreden wel aan het politieke domein, en juist dan is er behoefte aan concepten om het optreden te duiden en verder te ontwikkelen. Mouffes agonisme lijkt daartoe bijzonder geschikt.
Enthousiast verwijst de jonge Koreaanse curator Hyunjin Kim naar het gedachtegoed van de Belgische filosofe en politicologe Chantal Mouffe, in de toelichting bij haar presentatie Plugin #03 The Undeclared Crowd in het Van Abbemuseum in 2006. Met instemming beschrijft zij de passage uit het voorwoord van The Democratic Paradox (2000), waarin Mouffe in grote lijnen uitlegt wat zij onder agonisme verstaat. Mouffe onderscheidt agonisme van antagonisme. Bij antagonisme beschouwen tegenstanders elkaar als vijanden. Bij agonisme, stelt zij, beschouwen de tegenstanders elkaar als ‘vriendschappelijke vijanden’ of ‘vijandelijke vrienden’. Vrienden, omdat zij een gemeenschappelijke, symbolische ruimte delen. Vijanden, omdat zij die ruimte elk op een andere manier willen organiseren.
Deze ‘vriendschappelijke vijandigheid’, waarover Mouffe spreekt binnen de politieke filosofie, wilde curator Kim met beelden oproepen in het museum. Ter markering van het einde van haar verblijf als curator-in-residence mocht zij een keuze tonen uit de collectie van het Van Abbemuseum. Ze hing 60 tekeningen, posters en verschillende soorten drukwerk van uiteenlopende kunstenaars door elkaar op aan een muur, en plaatste in de hoek ertegenover Dan Flavins installatie Untitled (to a man, George McGovern), bestaand uit 55 cirkelvormige neonlichten. De plaatsing van de veelvoud aan tekeningen tegenover Flavins lichtinstallatie moest agonistische spanning oproepen. En dat niet alleen: de curator beschouwde haar opstelling tevens als een allegorie van onze pluralistische samenleving. In een interview vertelt zij het als haar taak te zien om als curator-in-residence de rol van ‘vriendschappelijke vijand’ te vervullen.[1]
Of Kim erin slaagde met haar tentoonstelling agonistische spanning op te roepen, is de vraag. Maar belangrijker is haar intentie om zich van Mouffes concept van agonisme te bedienen. Voor Kim is agonisme meer dan een handvat om museumstukken te ordenen en daar een betekenis aan te geven waarin het publiek zich kan herkennen. Agonisme is een leidraad voor haar professie van curator. Het begrip krijgt een persoonlijke lading en daarmee een zekere urgentie.
De laatste tijd eigenen meer kunstenaars en curatoren zich Mouffes visie toe, gelijk op met Mouffes opmars als keynote speaker op internationale symposia waar de verhouding tussen hedendaagse kunst, filosofie en politiek onder de loep wordt genomen. In november 2006 sprak zij op de conferentie Thinking Worlds van de tweede Biënnale van Moskou en begin 2007 was zij op uitnodiging van het ontwerp- en onderzoekscollectief Metahaven in Boekarest om mee te denken over de toekomst van het nieuwe museum voor hedendaagse kunst in het voormalige Volkspaleis. Kort daarop was zij alweer in Amsterdam voor de conferentie Transformations of Public Space, georganiseerd door het Lectoraat Kunst en Publieke Ruimte van de Gerrit Rietveld Academie. En nog geen maand later sprak zij in Istanbul bij Platform Garanti over agonistisch pluralisme.
Mouffes opmars is opmerkelijk, omdat ze zelf ondertussen gewoon politieke theorie blijft doceren aan de University of Westminster, zonder zich al te zeer te bekommeren om toepassingen van haar ideeën op andere terreinen. Uit haar optreden op symposia spreekt beleefde welwillendheid jegens de belangstelling vanuit de wereld van de kunst, maar zelf legt zij nauwelijks verbanden met artistieke praktijken. Zoals ook te merken was aan de lezing die zij dit voorjaar in Amsterdam gaf.[2] Pas helemaal aan het eind deed zij kort de suggestie dat wanneer kunstenaars de publieke sfeer betreden, zij dit op een agonistische wijze zouden moeten doen. Over hoe dat zou moeten, zegt ze niets. Dat laat ze aan de kunstenaars. Wel geeft zij het publiek omstandig uitleg over de specifieke, politiek filosofische context van het begrip agonisme. Mouffe is er duidelijk veel aan gelegen dat zij goed wordt begrepen. Want het is inderdaad nog maar de vraag of haar theorie in de artistieke praktijk tot zijn recht kan komen, zonder aan politieke lading, waar het haar vooral om te doen is, in te boeten.
Het politieke buiten politiek
Chantal Mouffe mengt zich al zo’n vijftien jaar hartstochtelijk in het debat over de crisis van de democratie. De wereldwijde verbreiding van de liberale democratie is gepaard gegaan met etnische conflicten, burgeroorlogen en fundamentalistisch terrorisme. In de westerse landen met een lange democratische traditie heeft men te kampen met onvrede over de afstand van de politiek tot het volk, met lage opkomsten bij verkiezingen en met populistische bewegingen die willen tornen aan democratische verworvenheden.
Volgens Mouffe is een van de belangrijkste oorzaken van deze crisis de veronachtzaming van ‘het politieke’. Daarmee bedoelt zij iets anders dan de politiek of het politieke bedrijf. Onder ‘het politieke’ verstaat zij de dimensie van antagonisme die in alle menselijke relaties aanwezig is. Te denken valt aan religieuze, nationalistische of culturele ‘passies’: niet zozeer individuele als wel collectieve drijfveren die onderscheid maken tussen wij en zij. Dat antagonisme hoeft niet op een onderscheid tussen vriend en vijand uit te lopen, maar die kans is altijd aanwezig.
Onze huidige liberale democratie weet niet goed raad met die antagonistische dimensie van ‘het politieke’. Het liberalisme heeft er een blinde vlek voor, stelt Mouffe in navolging van Carl Schmitt (1888-1985), de omstreden Duitse staatsrechtsgeleerde en politiek filosoof, die zich in 1933 bij de nazi’s aansloot en ook wel bekend is geworden als Hitlers ‘kroonjurist’. Mouffe wijst Schmitts nationalisme af, maar trekt uit diens visie, dat politiek in laatste instantie draait om het onderscheid tussen vriend en vijand, wel een wijze les. Volgens Schmitt moet je in de politiek altijd alert zijn op het Ernstfall, het moment van de waarheid, het moment waarop het erop of eronder is. Dat geldt in de politiek nog steeds, vindt Mouffe. Maar daarvoor heeft het liberalisme geen oog. De traditie van het liberalisme legt immers de nadruk op de vrijheid van het individu en op het eigen belang, niet op de vorming van gemeenschappen waarmee burgers zich collectief kunnen identificeren. De liberale traditie hanteert een instrumentele kijk op de democratie: democratie als een neutraal instrument voor individuele burgers om hun belangen te garanderen, en politiek als een serie rationele procedures om compromissen tussen al die verschillende belangen te sluiten. De uitkomst is een optelsom van al die compromissen, niet de uitkomst van een strijd waarin het erop of eronder is.
Dit liberale model heeft, naar Mouffes idee, in onze huidige democratie de overhand gekregen, zeker sinds de aloude tegenstellingen tussen links en rechts aan betekenis hebben ingeboet en er geen alternatief meer lijkt te zijn voor de westerse liberale wereldorde. Maar dat gaat ten koste van de democratische traditie waarin het draait om gelijkheid, gemeenschap en soevereiniteit van het volk. Mouffe wil daarmee niet zeggen dat het liberale model moet verdwijnen. Het is juist de spanning tussen de liberale en de democratische traditie die een vruchtbare ‘democratische paradox’ vormt, stelt zij.
Onze huidige liberale democratie is de uitkomst van een historisch proces. In de loop van twee eeuwen is het liberalisme gedemocratiseerd en de democratie geliberaliseerd. Dat is niet zonder slag of stoot gegaan. Beide tradities staan nog steeds op gespannen voet met elkaar. Democratische besluiten kunnen individuele vrijheden inperken, terwijl het streven naar vrijheid pluralisme afdwingt en de democratie behoedt voor uitsluiting en gelijkschakeling. Die spanning vormt de motor van onze democratie, zegt Mouffe. Die dynamiek moeten we koesteren, zelfs radicaliseren.
Een eerste stap, stelt Mouffe voor, is dat we af moeten van het streven naar rationele consensus. Rationele consensus kan in haar ogen nooit een oplossing bieden voor alle conflicten die onze pluralistische samenleving nu eenmaal met zich meebrengt. Dat is een nuchtere constatering, maar het gaat haar om iets fundamentelers. Elke consensus bestaat bij de uitsluiting van wat zich niet rationeel laat inlijven, stelt zij. Hoe groter het streven naar rationele consensus, hoe groter de kans dat gevoelens van verongelijktheid de kop op steken. En hoe groter de kans dat populistische politici daar garen bij spinnen door het antagonisme in die passies aan te wakkeren. Politiek, benadrukt Mouffe, draait altijd om het creëren van collectieve identiteiten, om identificatie met een gemeenschappelijke zaak. Des te urgenter is het om de passies die daarbij een rol spelen serieus te nemen en te hanteren. Haar voorstel is antagonisme om te vormen tot agonisme.
Het doel is om politieke gemeenschappen op zo’n manier te construeren dat het onderscheid tussen wij en zij, dat je nodig hebt om überhaupt een gemeenschap te kunnen vormen, niet uitloopt op een onderscheid tussen vriend en vijand. Maar dan wel zonder de passies weg te drukken die bij die vorming van gemeenschappen zo’n belangrijke rol spelen. Dat kan als burgers agonistisch optreden. Agonistisch pluralisme zorgt ervoor dat democratie zich voortdurend op het scherp van de snede bevindt, in een permanente staat van ‘vriendschappelijke vijandigheid’.
Pluralisme is bij Mouffe dus niet vrijblijvend. Zij is er geen voorstander van dat alle verschillen in onze maatschappij moeten kunnen groeien en bloeien. Aan pluralisme stelt zij een duidelijke grens. Er mag niet worden getornd aan één consensus, die als het ware de symbolische ruimte vormt van de democratie: vrijheid en gelijkheid voor allen. Wie de instituties die vrijheid en gelijkheid voor allen garanderen, in twijfel trekt, mag niet langer mee doen, die plaatst zichzelf buiten de liberale democratie. ‘Wie bijvoorbeeld een theocratie wil stichten, mag niet meedoen aan democratische verkiezingen’, stelt zij in een interview.[3] Tegelijk zal die ene, laatste consensus in een agonistische democratie altijd ter discussie staan omdat er nu eenmaal geen universele consensus bestaat; ook in dit geval niet, benadrukt Mouffe.
Bekering
Is Mouffes visie een utopie? In sommige opzichten doet onze huidige liberale democratie al denken aan het agonistische model. Politici gaan in het parlement als ‘vriendschappelijke vijanden’ met elkaar in de clinch. En de rationele consensus van het poldermodel wordt sinds de val van Paars niet langer gepropageerd als dé oplossing voor maatschappelijke conflicten. Mouffe wijst op bestaande initiatieven die op den duur kunnen bijdragen aan een meer agonistische democratie. Zo prijst zij het voorstel van de Italiaanse filosoof en voormalig burgemeester van Venetië, Massimo Cacciari, voor een nieuwe vorm van federalisme waarbij politieke besluitvorming ook op de niveaus van regio’s en van steden zou kunnen plaatsvinden. En wellicht zijn er ook nog andere politieke gemeenschappen denkbaar die door bestaande structuren van politieke besluitvorming heen breken.
Bevorderen van heterogeniteit, opdelen en vermenigvuldigen van gemeenschappen opdat collectieve passies zich minder snel hechten aan één volk of aan één culturele of religieuze achtergrond: dat lijkt Mouffe de strategie die agonistisch pluralisme dichterbij kan brengen. In allerlei varianten van kosmopolitisch burgerschap, die zij analyseert in haar bundel essays On the Political (2005), ziet zij niets. Burgerschap dat meedeint op de golven van globalisering, verdoezelt verschillen en conflicten en maakt het nog moeilijker om mensen te mobiliseren voor politieke actie.
Maar om tot een heuse agonistische democratie te komen, zal volgens Mouffe toch een meer fundamentele omslag moeten plaatsvinden. In een passage in The Democratic Paradox, waar je de neiging hebt overheen te lezen, schrijft Mouffe: ‘Het perspectief van een agonistische tegenstander aannemen vergt een radicale verandering van politieke identiteit. Het is eerder een soort bekering dan een proces van rationele overtuiging. Zoals Thomas Kuhn de omslag in het aanhangen van een nieuw wetenschappelijk paradigma een bekering noemt.’[4]
Het is een veelzeggende passage. De omslag naar agonisme is kennelijk iets onverklaarbaars dat zich aan de ratio en planning onttrekt. Het gebeurt. En achteraf kun je alleen maar met verbazing terugkijken naar het voorbije tijdperk van antagonisme. Voorlopig echter kunnen we slechts reiken naar die toestand. Zo bezien vertoont Mouffes theorie licht messianistische trekjes. Waarmee ook Hyunjin Kims persoonlijke instelling op zijn plek valt. Als nomadisch curator voelt ze zich geroepen agonistisch pluralisme in praktijk te brengen, niet alleen als illustratie met beelden, maar ook door zelf die houding aan te nemen en zich daarin te oefenen.
Ze staat daarin niet alleen. Op 14 februari 2003 oefende een honderdtal mensen zich in Maastricht in zo’n agonistische houding. Een dag lang bewoog het gezelschap zich door het zogenaamde Gender Democratic Labyrinth, dat was ontworpen door filosoof Marli Huijer en beeldend kunstenaar Irene Janze, ter gelegenheid van de inauguratie van eerstgenoemde als bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Maastricht. Huijer ging er onderzoek doen naar de wijze waarop vrouwen kunnen participeren in processen van besluitvorming bij het gebruik van menselijke embryo’s voor medische doeleinden. Tot nog toe zijn vele partijen betrokken, maar op alle niveaus van besluitvorming veel te weinig vrouwen. Huijer en Janze pleiten niet voor het vinden van consensus tussen alle betrokkenen, maar stellen, geheel in lijn van Mouffe, dat alleen al het streven naar consensus allerlei factoren uitsluit, die niet op een rationele noemer kunnen worden gebracht. Het tweetal besloot de koe bij de horens te vatten en creëerde een situatie waarin het publiek zou deelnemen aan een agonistisch experiment.
Het Gender Democratic Labyrinth was een happening. Het publiek trok langs vele speciaal ontworpen nissen in de voormalige bibliotheek, waar ooit ook het Bonnefantenmuseum was gevestigd. In elke nis vertolkte iemand zijn of haar visie op het medisch gebruik van menselijke embryo’s, en dat binnen vijf minuten. Dan ging de bel, en schoof het publiek door naar de volgende nis. De happening beantwoordde aan wat de makers voor ogen stond: een hedendaagse ‘agora’ waar tegenstanders elkaar tegenkomen en hun verschillen van mening onder ogen zien. Het labyrinth was zo opgezet dat je onmiddellijk de weg kwijt raakte, en dus ook degene met wie je een appeltje te schillen had of degene wiens mening je deelde. Geschillen duurden voort, konden niet worden bijgelegd. Er was ook kritiek. Het was in het Gender Democratic Labyrinth een gezellige chaos. Misschien iets te gezellig. Want in dit experiment, dat zich nestelde in het domein van de kunst, hoefden geen knopen te worden doorgehakt, er hoefde geen consensus te worden bereikt. Met als gevolg een licht gevoel van vrijblijvendheid.
Symbolische ruimte
Wellicht onbedoeld oefent het experiment van Huijer en Janze kritiek uit op Mouffes politieke theorie. Agonisme is alleen mogelijk als de symbolische ruimte ook duidelijk is voor de tegenstander. Zij kunnen vriendschappelijke vijanden zijn als zij van elkaar weten dat ze zich tot het uiterste zullen inspannen om binnen die symbolische ruimte te blijven. Maar wat als die ruimte wordt geschonden? Hoe maak je onderscheid tussen intimidatie en gezonde geldingsdrang? En wie of wat roept de tegenstanders in dat geval tot de orde en volgens welke procedures?
Seyla Benhabib, bekend theoretica in de politieke wetenschap, verwijt Mouffe een gebrek aan aandacht voor de arbitrage en stelt dat Mouffes agonisme in feite neerkomt op willekeur en machtsstrijd. Mouffe reageert op Benhabibs verwijt door te stellen dat er binnen agonistisch pluralisme wel degelijk arbitrage mogelijk is tussen recht en onrecht en tussen legitiem en niet legitiem, maar dat dit alleen maar kan binnen de specifieke constellatie van een traditie of een cultuur of welke groep dan ook, met gebruikmaking van de normen die binnen die groep gelden. En dat zo'n arbitrage ook altijd weer aanvechtbaar is. Want elke claim op universele procedures en normen is volgens Mouffe een illusie: niemand kan een positie op afstand innemen van waaruit hij of zij een universeel geldend oordeel kan vellen.
Die consequentie in Mouffes denken is bewonderenswaardig, maar bevredigt niet. Misschien komt haar afhoudende opstelling in deze voort uit de afkeer die zij etaleert over die andere, concurrerende visie op de radicalisering van de democratie die zij maar niet van zich af kan schudden: die van de Duitse filosoof Jürgen Habermas. Ook hij is uit op verdieping van de democratie, maar dan juist door het ontwerpen van universele, rationele voorwaarden voor democratisch overleg. Tegen de mode van alle postmoderne kritiek op de universele rede in, ontwikkelde Habermas met zijn Theorie des kommunikativen Handelns (1981) de gedachte van de ‘ideale gesprekssituatie’, een publieke, machtsvrije situatie van overleg en dialoog waaraan de deelnemers zonder dwang en vrij om te spreken zouden kunnen deelnemen. En die tot werkelijke overeenstemming zou kunnen leiden. Habermas ziet deze situatie niet zo snel in de werkelijkheid plaatsvinden, maar houdt hem wel voor als een idee waarnaar democratisch overleg zich zou moeten richten. Critici, Chantal Mouffe én Seyla Benhabib incluis, hebben Habermas’ optimisme gekraakt. Zij wijzen op de mechanismen van uitsluiting die de nadruk op het bereiken van rationele consensus met zich meebrengt.
Het lijkt erop dat Habermas zich die kritiek heeft aangetrokken. In zijn latere werk The inclusion of the Other (1998) legt hij het accent minder op de universele normering en meer op het ontwerpen van procedures aan de hand waarvan open overleg kan plaatsvinden. In zijn model van een democratie bepalen de deelnemers aan het overleg zelf binnen de gegeven omstandigheden aan welke procedures hun dialoog moet voldoen. De uitkomst, de consensus, kan altijd weer worden opengebroken, als de deelnemers dat willen. Daarmee begint Habermas’ democratie van het overleg wel heel sterk te lijken op Mouffes pluralisme. Misschien wel daarom botsen beiden zo heftig met elkaar.
Voor Jürgen Habermas moet het argument over de macht kunnen zegevieren. Met hem meedenkend is argwaan jegens Mouffes visie gepast. Want achter het informele en niet-procedureel vastgelegde agonisme, kunnen machtsmisbruik en manipulatie schuilgaan. En wie bepaalt hoe rechtvaardig de symbolische ruimte is waarbinnen de vijandelijke vrienden moeten blijven? Voluntarisme! klinkt het dan ook aan het adres van Mouffe, en dat is in de politieke filosofie het ergste scheldwoord denkbaar. Echter, Chantal Mouffe stelt terecht dat argumentatie niet het laatste toevluchtsoord van de democratie kan zijn. Want antagonistische passies vegen met gemak argumenten van tafel. Democratie moet zich niet afwenden van de ongrijpbare, conflictueuze, antagonistische dimensie van ons bestaan, maar die accepteren en omvormen.
De kunst is een domein waar aan die oproep gevolg wordt gegeven. Het is een veilig domein: er is de vrijheid om eigen regels te stellen. En de bereidwilligheid van het publiek om die procedures te volgen. Maar juist die bereidwilligheid om met de kunstenaar mee te gaan, sluit de botsing van antagonistische passies, de clash tussen groepen waarbij het erop of eronder is, uit. En daarmee vervalt ook de noodzaak om die botsing om te vormen tot een agonistisch spanningsveld. Natuurlijk kunnen mensen die binnen het domein van de kunst optreden, elkaars vrienden en vijanden zijn. Maar bij deelname aan kunstwerken, zoals aan het Gender Democratic Labyrinth, betreden zij een autonoom terrein. De mogelijkheid van het Ernstfall ontbreekt. En ‘veilig agonisme’ is een contradictio in terminis. Daarom kan Mouffes gedachtegoed weliswaar de aanzet geven tot interessante experimenten binnen de kunst, maar die zullen altijd los blijven staan van waar het Mouffe eigenlijk om begonnen is.
Noten
- A-I.R-Agonism, Trans Artists Newsletter 15, 2006, p. 4.
- Chantal Mouffe, lezing Public Spaces and Democratic Politics, Conferentie Transformations of Public Space, Lectoraat Kunst in de Publieke Ruimte, 16-2-2007, Amsterdam.
- Harriet Evans, ‘Democracy – Radical and Plural’, CSD Bulletin (Centre for the Study of Democracy), winter 2001-2002, Volume 9, no. 1, p. 12.
- Chantal Mouffe, The Democratic Paradox, Verso, Londen/New York 2000, p. 102.
Gebruikte literatuur:
Chantal Mouffe, The Return of the Political, Verso, Londen/New York 1993.
Chantal Mouffe, The Democratic Paradox, Verso, Londen/New York 2000.
Ilan Kapoor, ‘Deliberative democracy or agonistic pluralism?’, in Alternatives: Global, Local, Political, Lynne Rienner Publishers, Boulder (USA) 2002.
Chantal Mouffe, On the Political, Routledge, Milton Park, Abingdon 2005.
Marli Huijer & Irene Janze, ‘Democratic Transactions in the Life Sciences. A Gender Democratic Labyrinth’, in European Journal of Women’s Studies 12 (1), pp. 9-29.












