Het zekere voor het onzekere

Tijdens mijn buitenlandse reizen wordt me vaak gevraagd, of er nog wat nieuws in Londen te beleven valt. Na wat er in de jaren negentig is gebeurd, zijn de verwachtingen hooggespannen, zeker nu Londen de internationale hoofdstad van het commerciële galeriecircuit geworden is. Mijn gebruikelijke reactie is dat de scene zich heeft geconsolideerd, dat er veel interessante kunstenaars zijn – maar dat, als het gaat over wat écht nieuw is, dat wil zeggen zo nieuw dat er van een paradigmawissel sprake is – het antwoord dan luidt: ‘niets’. Of we datgene wat ‘nieuw’ is überhaupt kunnen herkennen op het moment dat het plaatsvindt, is ook een belangrijke vraag, maar dat laat ik hier even buiten beschouwing.

Kenmerkend voor deze huidige situatie, is de shortlist van de Turner Prize. Normaal gesproken bedoeld als etalage voor al wat jong en nieuw is, biedt de lijst van vier genomineerden in 2007 maar liefst drie kunstenaars van boven de veertig. Het zijn allemaal gevestigde kunstenaars in hun ‘mid-career', van wie er twee al eerder op de shortlist stonden, één zo’n tien jaar geleden. Als we verder kijken, met name naar de Grand Tour van dit jaar, te weten Venetië, Kassel en Münster, is het oordeel vergelijkbaar. Er was veel interessante kunst, maar weinig dat je kunt typeren als wereldschokkend nieuw. Op een moment als dit, waarop de machine van de commercie op volle toeren draait en krachtiger is dan ooit, mag dat verrassend heten: zelfs de markt is niet in staat om iets nieuws te hypen.


Nathan Coley, There Will Be No Miracles Here (2006), 6.3 x 6.3 x 4 m, foto Kenneth Hunter, © Nathan Coley

Dit alles sluit precies aan op het redactionele thema van dit nummer: mid-career. Momenteel zijn het immers meestal mid-careerkunstenaars die de agenda domineren binnen kunstinstellingen die op safe spelen of ergens op terugblikken. Mid-career, dat zijn kunstenaars met een gezond marktprofiel. En mijns inziens gaat dit ten koste van jonge, meer riskante kunstpraktijken. Wellicht is dit niet zozeer een tekort, maar business as usual, alleen tegenwoordig op een grotere en andersoortige schaal. Het nieuwe is iets zeldzaams, zeker ook in de markt, maar het is er wel. Wat de huidige situatie vooral bewijst is dat je dit simpelweg niet kunt bestellen.

De veranderingen in de kunstwereld zijn meer kwantitatief dan kwalitatief van aard, ook al is de laatste van invloed op de eerste. Iets dat symptomatisch hiervoor is, is het ondoordachte gebruik van de term ‘mid-career’. Niet lang geleden zou de filosoof Maurice Blanchot wit weggetrokken zijn bij een dergelijke terminologie. Blanchot was verantwoordelijk voor het verzinnen van de klassiek moderne termen ‘ontwerken’ of ‘desoeuvrement’ voor de artistieke activiteit van de kunstenaar. Het was een praktijk die hij opvatte als antithetisch tegenover het zuiver doelgerichte denken.

Tegenwoordig is het kunstenaarschap een legitieme carrière binnen het werkzame bestaan, waarbij de term mid-career vooral aan de commerciële status van de kunstenaar refereert, en onderdeel geworden is van onze lingua franca. Het geeft aan dat kunstenaars niet alleen een carrière hebben, maar ook een succesvolle carrière – anders zouden ze er niet middenin kunnen zitten. Mid-career betekent dat een kunstenaar een gevestigd marktprofiel heeft. Het is een veilige, commerciële gok.

Een daaraan gerelateerde ontwikkeling is het gebruik van de term door instituten en musea en de manier waarop zij steeds jongere kunstenaars retrospectieve mid-careertentoonstellingen bieden, met voor de hand liggende voordelen voor de marktwaarde van het werk, die stijgt als gevolg van de institutionele waardebepaling.

Kunstbeurs academisme

In aanvulling op de categorie ‘mid-career’ hebben we tegenwoordig ook de categorie ‘opkomende kunstenaar’, samen met ‘opkomende kunstbeurzen’, die speciaal voor hen en hun galeries zijn opgericht. Tot welke hoogte stijgt de opkomende kunstenaar? Niet zo hoog, vermoedelijk, in de voortdurend bewegende kunstwereld. Men wordt of succesvol, krijgt een carrière – en wordt zo min of meer mid-career-kunstenaar – of men verdwijnt uit het zicht. De druk om zo snel mogelijk een carrière te maken, betekent dat mid-career niets met de leeftijd van de kunstenaar te maken heeft. De meeste jonge kunstenaars, zelfs studenten, zijn al bezig met het maken van mid-careerkunst, zeg maar kunst die er ‘serieus’ en ‘professioneel’ uitziet en die succesvol is in tentoonstellingen en in de markt.

Er is uiteraard ook een andere optie voor de jonge kunstenaar, en dat is te spelen met het begrip ‘jong’ door onbezonnen acties te omarmen, die gewoonlijk even cliché zijn als waartegen ze ageren. Vandaag de dag is de optie ‘jong’ echter even niet erg in zwang, na de overdadig ‘jonge’ jaren negentig. Aangezien de cyclus van de mode gewoon verder gaat zal het niet heel lang duren of ‘jong’ keert gewoon weer terug.

Misschien is de meeste kunst altijd wel mid-careerkunst geweest. Ik wil mezelf niet tegenspreken, maar kunst die niet toepasbaar is binnen de heersende criteria van curatoren en critici, is heel zeldzaam. De huidige mid-careerkunst is typische ‘kunstbeurskunst’. Ze is dat waarmee we overspoeld worden, elke keer dat we een beurs bezoeken, of elke keer dat we een kunsttijdschrift openslaan. Het is het soort kunst dat varianten hanteert van verschillende bekende formules. Kunst die op de eerste plaats altijd goed op de hoogte is van de manier waarop kan worden deelgenomen aan ‘het spel’ van verwijzingen binnen de kunstwereld. Dit betekent: anticiperen op, en op de hoogte zijn van de juiste kritische stijlfiguren van de curatoren. Het is ook een spel van ‘positionering’, van het zich dicht in de buurt begeven van bestaande praktijken, om er een een marktnis te vinden voor jouw praktijk. Dit soort kunst is vaak erg ingewikkeld, maar komt uiteindelijk neer op een nieuw soort van academisme. Academische kunst kan erg goed zijn, maar het zal nooit echt Grote Kunst worden.

Misschien is ‘Groot’ het verkeerde woord voor het huidige postromantische tijdperk. Misschien moeten we naar een andere term op zoek voor kunst die ‘vroegtijdig’, of nieuw, eerder dan vernieuwend heet te zijn – en niet gevangen kan worden in de categorieën ‘jong’ of ‘mid-career’. Het vroegtijdige is er nog steeds, maar onze, totaal door curatoren bedachte kunstcultuur, heeft er geen plaats en tijd voor. Alles wat er tegenwoordig gebeurt, moet inhoudelijk onderbouwd zijn en passen binnen de themacultuur van de curatoren. Alles dat verbaast, of buiten elke bestaande orde valt, wordt hiervan uitgesloten. Of het wordt buitengesloten door wat Rancière ‘de mantra van de melancholici’ heeft genoemd. Hier blijkt dat het nieuwe nog altijd bezig is de postmoderne crisis te boven te komen, en we nog steeds veroordeeld zijn tot eeuwige herhaling – toevallig het thema van de laatste Tate Triennial. Zelfs pogingen voor een meer bevestigende praktijk, hetgeen de huidige opleving van het politieke in de kunst laat zien – zie de overdaad aan shows met de woorden ‘Protest’, ‘Revolutie’ en ‘Communisme’ erin – zijn doortrokken van een nostalgie naar de verloren geest van de jaren zeventig.

Wat duidelijk wordt, is dat het steeds moeilijker is voor jonge kunstenaars om zich een beeld te vormen van de dingen die buiten de bestaande context liggen. In de snelle, veeleisende kunstwereld worden jonge kunstenaars direct na school opgepikt, nemen deel aan groepstentoonstellingen of krijgen razendsnel solotentoonstellingen in een commerciële galerie. Dit veroorzaakt een professionalisme dat slechts één stap verwijderd is van het kunstbeurs-academisme. Hier ligt het grote probleem. Er is steeds minder tijd beschikbaar om aparte scenes te laten ontstaan. Nieuwe dingen zijn altijd voortgekomen via de gemeenschap van nieuwe undergroundscenes, en deze zijn gewoonlijk het product van ogenschijnlijk ongewone omstandigheden. Een goed voorbeeld hiervan is de Londense yBa- scene van de jaren negentig, dat in veel opzichten het product was van een economische crisis waarbinnen nauwelijks carrièrekansen waren. Het beste van deze kunst was niet gemaakt voor een bestaande, door curatoren verzonnen context, maar voor een opkomende community. Uiteraard zijn veel van deze kunstenaars doorgegaan en hebben zij succesvolle carrières, maar dit betekent niet dat ze per definitie mid-careerkunst maakten of maken.

Bestel dit nummer

Bestel het nummer waarin dit artikel is verschenen:

Bestel nu
Neem een abonnement op METROPOLIS M

Word nu lid en krijg het eerste jaar 40% korting op de winkelprijs

Bestel nu
METROPOLIS M Webshop

Koop abonnementen, nummers, boeken en edities in de webshop

Ga naar de webshop