Mai Thu Perret
Land of Christal

Maastricht
Bonnefantenmuseum
11/09/07 - 06/01/08

Historisch gezien waren artistieke praktijken die afbeeldingen of objecten met tekst combineerden - als achtergrondinformatie of integraal onderdeel van het werk - vaak utopisch ingesteld. De kunstenaars lieten in ieder geval een duidelijk engagement zien met het collectieve, het sociale, kortom de politieke aspecten van het leven. De Amerikaanse kunsthistoricus Daniel Herwitz schreef het al: het was het verlangen naar de revolutionaire kracht van beelden en de poging een andere wereld vorm te geven, die avant-gardisten als Mondriaan en Malevich aanspoorden een theorie uiteen te zetten over een nieuwe wereld en kunst. Recente conceptuele en kritische kunststromingen gaan er ook van uit dat kunstenaars hun praktijk positioneren binnen een veranderende wereld en maatschappij, onder andere door middel van tekst. Maar hun benadering is eerder realistisch en gefragmenteerd te noemen, dan utopisch.


Mai-Thu Perret, 'The Family', 2007, foto Peter Cox

Mai-Thu Perrets The Crystal Frontier, een project waar ze al vanaf 1999 aan werkt, kan in dit licht gezien worden. Het project is gebaseerd op een zelf verzonnen verhaal over een utopische, feministische commune die het modernistische, stedelijke (lees kapitalistische) leven afkeurde en zich terugtrok in de woestijn van New Mexico. Het wordt nu in het Bonnefantenmuseum gepresenteerd onder de titel Land of Crystal, verwijzend naar een tekst van Robert Smithson, The Crystal Land. Land of Crystal is een ruimtelijke constellatie van teksten die aan de wand hangen, sculpturen - waaronder een aantal levensgrote personages van papier-maché gekleed, in zilveren stof en één met een hoepel van neon rond haar middel - porseleinen plaquettes waarin gevonden voorwerpen zijn verwerkt, textiele werken, behang met abstracte op de avant-garde geïnspireerde patronen en neonwerken. Laverend tussen figuratief en abstract en het spirituele en het niets, komen deze ‘expanded objects’ (een term die Perret aan Smithson ontleent) nogal in zichzelf gekeerd over.

Perret laat met opzet in het midden in welke tijd en op welke plaats het verhaal over de commune plaatsvindt. Daarmee daagt ze het credo van transparantie, klaarheid en rationaliteit uit, zoals dat werd aangehangen door stromingen binnen de traditie van de avant-garde, van Bauhaus tot de conceptuele kunst. Perret confronteert ons met hun paradoxale, rationele extremiteit. Sterker nog, ze laat zien dat de jongere generatie van kunstenaars de emotionele, intieme en heimelijke aspecten, die bij de conceptuele kunst van de jaren zestig onderdrukt waren, opnieuw op de voorgrond zetten. Ze toont ‘feministische’ revolutionairen die spirituele aspecten net zozeer waarderen als kritische rationaliteit, lichamelijke en rituele oefeningen net zo belangrijk vinden als constructivistische principes, en de omhelzing van de ander net zo belangrijk als een puristisch ideaal.

Aan de muur hangt een brief waarin een van de leden van de commune schrijft hoe ze vrouwen zag optreden in een cabaret, ‘ik kon onmogelijk vaststellen of het nu helemaal “niets” was wat ik zag, of dat ze [de vrouwen –red] objecten waren (…), maar zelfs objecten zouden in onze opvatting onze gelijke zijn, echte kameraden, niet de trieste en grijze slaven die ik zag’. De tekst gaat terug op een originele brief geschreven door Russische avant-gardist Aleksander Rodchenko aan zijn vrouw Varvara Stepanova in 1925, toen hij bezig was met de vormgeving van een onderdeel van het Russische paviljoen voor de Exposition des Arts Decoratifs in Parijs.

In een andere tekst, een dagboekfragment, schrijft een lid van de commune hoezeer ze de kapitalistische, stedelijke cultuur van het spektakel en de verveling en verslaving eraan afkeurt. In plaats daarvan, zo schrijft ze, ‘bouwen wij een landgoed als een piramide van liefde’. Het rationele ‘humanistische’ doel wordt vervangen door de liefde als hoogste goed. De hele tentoonstelling is gebaseerd Perrets spel met dit soort tegenstellingen: het figuratieve versus het abstracte, het handgemaakte versus het mechanische, het productieve ethos versus Bartleby’s ‘prefer-not-to’- houding, het fragiele versus het koppige en het optimistische versus het apocalyptische.

De vraag is of het totaalbeeld dat met deze tegenstellingen wordt neergezet met opzet vaag is gehouden om aan te zetten tot een dialectisch vertoog. Helaas slaagt het project zoals dat nu wordt getoond in het Bonnefantenmuseum er niet in discussie op gang te brengen, het blijft te veel een tentoonstelling van een abstracte en zelfgenoegzame fascinatie voor deze revolutionaire commune, een ondoorzichtige en nostalgische representatie waarvan de betekenis nergens echt duidelijk wordt. In een van de grootste ruimten loopt men tegen een monumentale gehoekte spiraalvorm op, met abstracte, bijna op-art-achtige opdruk. Op de achtergrond hangt een ‘spiritistische’ neon, opgebouwd uit een patroon van esoterische vormen. Men wordt verleid deelgenoot te worden van dit We en Harmonium (de titels van de werken), wat niet bepaald een vragende houding stimuleert ten opzichte van de gecodeerde objecten en teksten die worden tentoongesteld. De kloof tussen dit geïnstitutionaliseerde altaar voor een hypothetische commune en het zonnige Maastricht, waar de mensen gezellig aan shoppen zijn, lijkt bijna onoverbrugbaar.

Het onderzoek van de kunstenaar naar en het creëren van verhalen gebaseerd op allerlei artistieke en culturele referenties van de geschiedenis van revolutionaire manifesten verdient waardering. Toch heeft Perrets decontextualisering (zoals ze het zelf noemt) een sterkere re-contextualisering nodig. Een gedeelte van de collectie van haar onderzoeksmateriaal wordt getoond in een kleine vitrine bij de ingang van de tentoonstelling. Deze afbeeldingen en teksten zouden verder in de tentoonstelling kunnen worden geïntegreerd of op een levendiger manier benadrukt worden. Een tekening van J.J. Grandville’s L’Exposition de l’Avenir (1868) geeft mooi aan wat er mist in Perrets tentoonstelling. Het laat een ‘kristallen landschap’ zien met de bijbehorende tekst: ‘de geometrie van de natuur – objecten bedoeld als uitgangspunt voor de studie van rekenmethodes en de exacte wetenschappen in het algemeen.’ Perret moet verder gaan met het kristalliseren van haar fascinaties en ze articuleren binnen de context van onze huidige maatschappij waarin behoefte bestaat aan alternatieve definities van gemeenschap.

Bestel dit nummer

Bestel het nummer waarin dit artikel is verschenen:

Bestel nu
Neem een abonnement op METROPOLIS M

Word nu lid en krijg het eerste jaar 40% korting op de winkelprijs

Bestel nu
METROPOLIS M Webshop

Koop abonnementen, nummers, boeken en edities in de webshop

Ga naar de webshop