De galeriehouders staan te dringen om hem in hun stal op te nemen. Navid Nuur (geboren in Teheran, woonachtig in Den Haag) geldt als een van de grote talenten uit de Nederlandse kunst. Zijn werk is even bruusk als poëtisch, even terloops als doorwrocht. Een intelligent knutselaar met een groot beeldend vermogen, opererend op de grenzen van het zeg- en zichtbare.
Als Navid Nuur (1976) over zijn eigen werk spreekt, gebruikt hij vaak termen als ‘schoon’ of ‘zuiver’, en soms zelfs ‘warm’. De wijze waarop hij zich tot materiaal, de ruimte om hem heen, en zijn observaties daarin verhoudt, is bijna devoot te noemen. De aandacht voor details en de zorgvuldige afstemming van de verschillende onderdelen van een tentoonstelling maken dat je als toeschouwer deelgenoot wordt van een ‘inwendige’ wereld. In zijn eerste solopresentatie, die onlangs in Stroom in Den Haag te zien was (tegelijkertijd exposeerde Nuur ook bij Moira in Utrecht en bracht bij Veenman Drukkers in Rotterdam een boek uit –red.), wordt een zeer persoonlijke beeldproblematiek zichtbaar waarin de vraagstelling centraal staat. Hoe een bepaalde zinsnede uiteindelijk om een specifieke vorm vraagt bijvoorbeeld, of hoe door middel van het in variabele stemtonen benoemen van rood en blauw verschillende kleuren paars kunnen worden opgeroepen.
Of welke kleuren er kunnen ‘opzwellen’ uit de schaduw onder een plint als je erop inzoomt – duizenden kleine balletjes van gekleurde klei draaide hij daarvoor. En dan is daar ineens een ander beeld dat ‘opzwelt’ tussen de wanden van bruin kartonnen dozen in de Haagse tentoonstelling: een 16-mm filmpje van een in elkaar gefrommelde vuilniszak op een sokkel die zich langzaam ontvouwt, als was het een dynamische sculptuur. De fascinatie die Nuur ten aanzien van visuele processen toont, is van een kinderlijk enthousiasme, maar is evengoed gestoeld op analytische en conceptuele principes.
Irrational thoughts should be followed
absolutely and logically.*
Wat Nuur gemeen heeft met de conceptuele kunstenaars uit de jaren zestig, is de relatie tussen concept en vorm. Maar de vorm is bij hem niet vanzelfsprekend resultaat van de idee, het komt tot stand middels een subjectief programma van eisen of regels waarin de intuïtie de boventoon voert: ‘het is een zekerheid vanuit het gevoel, die ik pas later rationeel kan verklaren. Maar het is ook niet zo dat het werk pas met de verklaring bestaansrecht krijgt, dan maak je een werk conceptueel dood.’ Hij ziet wel overeenkomsten met de uitgangspunten van de minimal art en de conceptuele kunst, zoals het naar oplossingen zoeken vanuit gegeven omstandigheden, maar de uiteindelijke oplossingen of uitingen uit die fameuze kunststromingen van dertig jaar geleden vindt hij te orthodox. ‘Bij mij is het visuele aspect speelser, toegankelijker, ook al is ook mijn werk in essentie gekaderd.’ Het geeft hem meer bewegingsruimte. ‘Zo kun je verder gaan dan het vooropgelegde concept, zelfs terwijl het werk van binnenuit zodanig is bepaald.’
De condities die Nuur als kader gebruikt, bevinden zich veelal buiten zijn atelier in de tentoonstellingscontext, ‘daar waar het gedragen kan worden.’ Maar niet alle ideeën zijn geschikt om in een tentoonstellingscontext te functioneren. In het proces dat daaraan voorafgaat, worden ze ‘gefilterd’. Alle kleine ideetjes die niet passen in die context, moeten ergens anders een plek krijgen, bijvoorbeeld in een publicatie. En bij enkele werken gaat het zelfs zo ver dat ze niet gemaakt kunnen worden omdat hij niet weet hoe hij ze moet vertonen. De geëxposeerde werken ziet Nuur nog steeds niet als eindstation maar als hetgeen dat openbaar gemaakt, of neergezet wordt. Ze functioneren als tussenstations of ‘interimodules’, zoals hij het noemt: ‘Er ontstond een noodzaak voor die term omdat mijn werken vaak slechts tijdelijk bestaan. Sculptuur is dan een te zwaar begrip en het woord installatie is niet intiem genoeg. Ik ben het toen als het ware opnieuw gaan formuleren.’
The conventions of art are altered by works of art.
Het is pas zes jaar geleden dat Nuur in aanraking kwam met de beeldende kunstpraktijk. Daarvoor studeerde hij grafische vormgeving en illustratie en hield zich voornamelijk bezig met skateboarden en graffiti. Tijdens een kunstgeschiedenisles in het voorlaatste jaar van de kunstacademie realiseerde hij zich ineens hoe beperkt de eigen scene van skateboarders en grafisch vormgevers was: ‘Ik wilde meer diepgang in mijn werk bereiken en zag dat men in de autonome kunst meer risico’s durfde te nemen. Dat kwam vooral door een schilderij dat ik toen zag. Die schilderijen van rond 1900 lijken allemaal op elkaar; zoete pastelkleuren om het licht zo precies mogelijk te vangen. Maar dit was anders, hier werd het interieur van een huis van buitenaf geschilderd. Wat je ziet is een groot zwart vlak waarin alleen de lichte randjes van vormen aangegeven zijn. Het is eigenlijk een heel licht schilderij, maar dan vanuit de binnenkant gezien. Toen ik dat had gezien, dacht ik: ik ga mijn eigen ding doen. Ik heb alles opgegeven en ben op de academie overgestapt van vormgeving naar autonome kunst. Pas later op het Piet Zwart Instituut in Rotterdam vond ik de rust om over mijn praktijk en positie na te denken. Het was belangrijk om vertraging te creëren tussen maken en tonen.’
The artist’s will is secondary to the
process he initiates from idea to completion.
His willfulness may only be ego.
Elke presentatie van Nuur staat op zichzelf; de werken bestaan na de tijdelijke opstelling in een tentoonstellingsruimte niet meer in dezelfde vorm. Nuur benadrukt de verschillende aspecten van het tijdelijke karakter van zijn werk. Dat zit hem bijvoorbeeld in de lichtomstandigheden, die maken dat sommige werken er ’s ochtends anders uitzien dan ’s avonds – een principe dat hij in het werk Glow in the Dark gebruikte. Maar het heeft ook te maken met een soort ‘respect’ dat hij voor de plek heeft. Zoals bij het werk dat hij speciaal voor de grote achterzaal van TENT. in Rotterdam maakte: ‘Er komt zo’n bak licht die ruimte in, waardoor de oude muur van de voormalige gymzaal heel goed te zien is, bijvoorbeeld de stukjes schimmel. Ik vond dat ik hier niet zomaar een werk kon laten zien. Dat zou te egoïstisch zijn. Ik moest een verhouding vinden tussen mijn ideeën en vormen, in relatie tot de condities van die ruimte en de materialen die ik daarbij kon gebruiken. Uiteindelijk heb ik alleen een vloer aan de ruimte toegevoegd die opliep met allerlei uitsteeksels die in de muurgroeven doorliepen, waardoor de stukjes schimmel een soort objecten werden. Andere stukjes van de wand had ik met was ingesmeerd waardoor die gingen spiegelen. Uiteindelijk exposeerde het werk de ruimte zelf, was daaraan ondergeschikt.’
Maar niet altijd neemt Nuur dezelfde, ‘onderdanige’ positie ten opzichte van een plek in. ‘In groepsverband laat ik vaak meer “gestold” werk zien. Werk dat goed op zichzelf kan staan, zoals de kleine kijkobjecten. Dan wordt het heel anders. Zo vroeg ik me bijvoorbeeld af wat ik zou kunnen doen in het kader van een groepstentoonstelling waarvoor ik was uitgenodigd. Ik heb toen aan iedereen kleine buttons uitgedeeld met daarop de tekst: we share air. Uiteindelijk bleek dat toch een heel groot werk, zonder letterlijk de ruimte op te eisen tussen die andere.’
The concept of a work of art may involve the matter
of the piece or the process in which it is made.
Teksten zijn een belangrijk gegeven in het werk van Nuur: ‘Ik heb veel stukjes tekst geschreven die mooi weergeven hoe je werk soms net niet kan aanraken. Zinnen hebben die wonderlijke eigenschap: dat je ze bijna kan beetpakken of niet. Die tekstjes zijn heel dierbaar en belangrijk voor me. Het is pas sinds kort dat ik een manier heb gevonden om ze uit mijn notitieboekjes te krijgen. Het waren er zo veel en het frustreerde me dat ik niet wist wat ik ermee kon doen. De oplossing ligt vaak in de techniek, in het vinden van materialen die een vertaling mogelijk maken. Ik werk nu bijvoorbeeld met thermische inkt. Als je dat aanraakt, verdwijnt het. Het wordt eerst rood en dan wit. Daar kun je in tekst wat mee doen. Een andere vorm is die van het werk Absence of Evidence Is Not Evidence of Absence. Het is een met viltstift geschreven tekst op linnen, waaraan middels water de verschillende kleuren die het zwart maken, worden onttrokken. Op die manier kon ik de potentie die in zo’n woord zit eraan onttrekken, door middel van mijn materiaalgebruik. Tekst, water en lucht werden samen met het materiaal het werk.’
Het proces is onderdeel van Nuurs werk, de tekst op de drager, en het gebruikte materiaal. Daardoor ontstaat een soort van heilige drie-eenheid: ‘Soms vind ik het zo egoïstisch dat zo’n stuk papier alleen een tekening draagt; er is gewoon veel meer aan de hand en op die manier kun je dat zichtbaar maken. Dat proces heb ik helemaal onderzocht, verschillende dragers, niet alleen papier, maar ook doek en vaatdoek, vanwege het hoge absorptievermogen, om zoveel mogelijk kleur te onttrekken. Maar daarvoor moet je ook op een bepaalde tijd water toevoegen. Het mooie van dat werk is dat het macht had over mij. Ik moest er om de drie uur water op doen, en heel voorzichtig zodat de kleur niet wordt afgescheiden. Dat betekende dus dat ik er ’s nachts om de zoveel uur uit moest. Over dat proces heb ik een tekstje geschreven. Dat gaat weer helemaal terug naar de oorsprong van het materiaal.’
The artist may not necessarily understand
his own art. His perception is neither better
nor worse than that of others.
*Sol Lewitt, Sentences on Conceptual Art, 1969
Werk van Navid Nuur is te zien op:
The Armory Show, 27 t/m 30 maart, New York
(in samenwerking met galerie Plan B)
Leap of Faith, mei 2008, Hotel Mariakapel, Hoorn
Publicaties:
ETIOLATION I, Veenman Drukkers, Rotterdam 2007
ISBN 978-90-78454-06-9
Where I end and you begin (i.s.m. Marijn van Kreij),
Onomatopee, 2007. ISBN 978-90-78454-12-0












