Net als ten tijde van de conceptuele kunst uit de jaren zestig en zeventig richt een generatie kunstenaars zich op het gebruik van taal in de kunst. Anders dan destijds, gaat het daarbij niet om de omzetting van het beeld in taal, resulterend in sobere tekstwerken. Falke Pisano, Mario Garcia Torres, Aurélien Froment en Josef Strau onderzoeken op een meer gevarieerde wijze de relatie tussen taal en beeld, om zo tot een andere zienswijze te komen.
In 2004 hield de filosoof Jacques Rancière in Musée des Beaux-Arts een lezing getiteld The Space of Words. Hij haalde Marcel Broodthaers’ toe-eigening van Mallarmé’s gedicht Un coup de dés jamais n’abolira le hasard (1914) aan als voorbeeld. Broodthaers nam in 1969 de twaalf pagina’s van het gedicht van Mallarmé als uitgangspunt voor een nieuw werk. Hij liet deze pagina’s afdrukken op platen waarbij hij de woorden verving door zwarte stroken. Volgens Rancière gaf deze verschuiving van woord naar beeld het vermogen van taal weer om ruimte te scheppen. Het oppervlak van de pagina kan gezien worden als een ‘uitwisselingsvlak’, waarop een verschuiving plaatsvindt tussen verschillende media, waarbij ‘tekens vormen en vormen handelingen worden’.[1] Dit moet echter niet worden opgevat als een illustratie van de gelijkwaardigheid tussen woord en beeld. Integendeel, door de woorden van Mallarmé om te zetten in onleesbare vormen, vergroot Broodthaers juist de kloof tussen woord en ruimte en onderzoekt hij de discrepantie tussen beide als een productieve ruimte.
Diverse hedendaagse kunstenaars lijken in hun praktijk gebruik te maken van dit spanningsveld tussen tekens, vormen en daden, zoals beschreven door Rancière. De relatie tussen woord en beeld heeft vanaf het begin van de twintigste eeuw een belangrijke rol gespeeld in de kunstgeschiedenis, van de kubistische composities en dadaïstische collages, tot Lettrisme en conceptuele kunst. Echter uit het werk van de kunstenaars die in dit artikel besproken worden blijkt dat taal in de beeldende kunst tegenwoordig op een andere manier gebruikt wordt. Waar kunstenaars zich voorheen voornamelijk bezighielden met het gebruik van woorden als beelden enerzijds, of het gebruik van taal als een artistiek medium anderzijds, richten kunstenaars zich nu meer op het onderzoeken van begrippen als ‘woord’ en ‘ruimte’ in een poging naar betekenisgeving te zoeken. Taal wordt gebruikt als een manier om de kern van de kunstpraktijk ter discussie te stellen. Kunstenaars als Falke Pisano, Mario Garcia Torres, Aurélien Froment en Josef Strau proberen met hun werk de verschillende kenmerken van taal – waaronder het performatieve aspect, de structuur van een verhaal of juist de circulatie ervan – te onderzoeken als een methode om zich te bezinnen op de huidige positie van de kunst.
Een sculptuur verandert in een gesprek
‘Soms kunnen dingen een andere wending nemen. Vriendschap kan omslaan in liefde of andersom. Situaties kunnen totaal veranderen; van een boek kan een film gemaakt worden, een vaste stof kan veranderen in een vloeistof, soms in gas; deze transformatie is als fenomeen natuurlijk een heel interessant gegeven.’ Deze woorden vormen de inleiding tot Falke Pisano’s A Sculpture Turning into a Conversation (2006), een werk dat zowel de vorm kreeg van een lezing als een video-installatie. Tijdens de presentatie wordt met gebruikmaking van zowel een gesproken verhaal als diverse soorten beeldmateriaal een abstracte sculptuur omgevormd tot een gesprek. Dit werk mag illustratief heten voor Pisano’s praktijk waarin ze kunstobjecten bestudeert als de voortdurende beweging tussen objecten en taal. Zoals Pisano het zelf stelt: ‘hoe verhoudt een object zich tot verschillende omstandigheden?’ Pisano gebruikt de verschuivingen tussen object en taal als een performatieve ruimte waarbij ze gebruikt maakt van een brede waaier aan presentatievormen: performances, lezingen, installaties, publicaties, abstracte sculpturale modellen, et cetera.
In haar installatie Object and Disintegration: The Object of Three (2007), die onlangs werd gepresenteerd in Galerie Balice Hertling in Parijs, worden drie videobeelden geprojecteerd op een witte houten constructie die doet denken aan het werk van de avant-garde ontwerper en architect Eileen Gray. Door gebruik te maken van geschreven en gesproken teksten, en van een digitale animatie van een abstracte constructie die geleidelijk verandert, stellen de drie video’s de driehoeksverhouding tussen object, kunstenaar en toeschouwer ter discussie. Elke video vertegenwoordigt een verschillend gezichtspunt, door Pisano respectievelijk benoemd als het ‘creatieve subject’, de ‘betrokken toeschouwer’ en de ‘kunstenaar als constructeur’. Zoals de titel van de installatie al suggereert, staat daarbij de desintegratie van het object door het gebruik van taal centraal. ‘Het object dat u zo meteen zal tegenkomen is nog niet zichtbaar. Het moet nog ontstaan voor de toeschouwer. Dit object, dat in empirische zin al dan niet kan bestaan, zal een vorm aannemen vanaf het moment dat u het begint waar te nemen, tot het moment waarop u het niet meer van de omgeving kan onderscheiden’, zo luidt de gesproken tekst in een van Pisano’s video’s. De vluchtige aard van de objecten van Pisano is het gevolg van een complex, op taal gebaseerd proces van opbouwen en afbreken.
Circulatie
De productieve spanning tussen het materiële van het object en het vluchtige van taal is ook terug te vinden in het werk van Mario Garcia Torres. Een aantal van zijn werken heeft als uitgangspunt het al dan niet voortleven van het werk van conceptuele kunstenaars die met verschillende vormen van immaterialiteit werkten. Het doel daarbij is niet alleen om de achtergrond- en ontstaansgeschiedenis van deze werken te onderzoeken, maar ook hun actuele betekenis. What Happens in Halifax stays in Halifax (in 36 slides) (2004-2006) bijvoorbeeld, gaat uit van een project dat door de conceptuele kunstenaar Robert Barry in 1969 werd opgezet met een groep studenten in Halifax aan het Nova Scotia College of Art and Design. Barry vroeg de studenten om gezamenlijk een idee voor een kunstwerk te bedenken dat geheim moest blijven. Het conceptuele kunstwerk bestond uit het bewaren dit geheim: ‘Als het geheim de groep verlaat, dan verdwijnt daarmee het kunstwerk’, aldus Barry. Garcia Torres haalde voor zijn werk What Happens in Halifax stays in Halifax (in 36 slides) ruim dertig jaar na dato deze groep studenten weer bij elkaar, niet om het geheim te onthullen, maar om opnieuw over dit werk te praten. Met een diapresentatie doet hij verslag van deze bijeenkomst en hun herinneringen aan de opdracht van destijds.
Today…(News from Kabul) (2006) van Garcia Torres houdt zich ook bezig met de wijze waarop taal bepaalde processen kan activeren en laat voortleven. Today…(News from Kabul) is een performance waarbij steeds het meest actuele nieuws uit Afghanistan dubbel op de wand wordt geschreven, waarbij gelijktijdig de linker- en rechterhand wordt gebruikt voor het schrijven, zodat er symmetrisch aan elkaar twee teksten op de muur verschijnen. Dit werk gaat voort op het werk Today is… (1970) van de Italiaanse conceptuele kunstenaar Alighiero e Boetti. Hij doet een performance waarin volgens dezelfde methode herhaaldelijk ‘Today is’ op de muur werd geschreven, gevolgd door de actuele datum. Dit werk van Garcia Torres toont de wil om een nieuwe problematiek van met name maatschappelijke en politieke aard te verbinden met het werk van andere kunstenaars. Tegelijkertijd onderzoekt hij het functioneren van taal binnen een tentoonstellingsruimte.
Tussen de regels door lezen
De praktijk van Aurélien Froment zou je kunnen omschrijven als het ontwikkelen van een netwerk van verwijzingen, ontleend aan het brede veld van culturele productie, waaronder architectuur, film, literatuur en kunstgeschiedenis. Froments werk De L’Île à Helice à Ellis Island (2005) is een letterlijke illustratie van dit proces. Het werk bestaat uit een plank waarop veertig boeken staan, variërend van literatuur tot filosofie en sciencefiction, waarbij het laatste woord van elke titel het begin van de volgende titel bepaalt: Island of Silence, Le Silence de glaces, La Glace à quatre faces, et cetera. Uit deze nevenschikking van titels ontvouwt zich een nieuw suggestief vervolgverhaal.
Associatie en nevenschikking spelen in al Froments werk een belangrijke rol. Zo is een aantal werken dat hij sinds 2002 heeft gemaakt, gebaseerd op Werner Herzogs film Fitzcarraldo (1982). Froments belangstelling voor deze film komt voornamelijk voort uit de analogie tussen het script – dat gaat over het Don Quichotachtige project van de hoofdpersoon om in de jungle van de Peruaanse Amazone een operahuis te bouwen – en het relaas van de feitelijke opname van de film. In 2002 maakte Froment een schaalmodel van een van de scènes uit de film, waarin de boot van Fitzcarraldo over een berg wordt getrokken om bij de rivier aan de andere kant te komen. Froments belangstelling voor de film heeft zich in allerlei verschillende vormen geuit, waaronder lezingen, een serie video’s en zelfs een ontwerp voor een tatoeage. In juni 2007 gaf Froment in Parijs een lezing voor de Kadist Art Foundation, waarin hij de verbanden tussen de verschillende werken toelichtte. Bij die lezing presenteerde hij archiefmateriaal, variërend van filmstills, krantenknipsels en foto’s die door zijn familie in Peru waren gemaakt naast beelden van zijn eigen werk. In de praktijk van Froment functioneert taal als de ruimte waarin deze associaties gestalte krijgen.
De betekenis die je ‘tussen de regels door’ kunt lezen uit een combinatie van ongelijksoortige elementen, zien we ook in een video die Froment onlangs maakte voor een tentoonstelling bij het Project Art Centre in Dublin. In een verwijzing naar de goochelaar Arthur Lloyd, bijgenaamd het Menselijke Kaartsysteem, die bijna elk gedrukt document uit zijn zak tevoorschijn kon toveren, toont Théâtre de Poche (2007) een goochelaar die beelden manipuleert uit verschillende contexten. In een sleutelscène van de video zien we hoe deze figuur een groot aantal beelden dat in de ruimte lijkt te zweven om zich heen plaatst. Het leggen van fysieke verbanden tussen de beelden en de schikking ervan doen denken aan Aby Warburgs Mnemosyne Atlas (1924-1929), die werd omschreven als een ‘kunstgeschiedenis zonder tekst’. Een begeleidende publicatie onder dezelfde titel als de video, bevat drie interviews met mensen die werk doen dat te maken heeft met het produceren en transformeren van beelden - een architect, een retoucheerder van foto’s en een maker van puzzels. Deze publicatie onderstreept nog eens hoe de praktijk van Froment zich ontwikkelt in een constante beweging tussen taal en beeld.
Narratieve ruimte
Al een aantal jaar werkt de Berlijnse kunstenaar Josef Strau aan een oeuvre waarin hij onderzoekt hoe het medium tekst zich verhoudt tot de tentoonstelling als driedimensionaal medium. Hij maakt onder andere installaties waarin hij verschillende soorten lampen combineert met getypte teksten op verschillende dragers, waaronder posters en etiketten. Die tekstuele elementen kunnen met lijm of paperclips aan de lampenkappen of -standaards vastzitten, aan de muur hangen of op de vloer liggen, in een bepaalde opstelling met de lampen. Deze positionering dwingt de lezer af en toe tot acrobatische capriolen om ze te kunnen lezen. Soms – zoals onlangs bij zijn tentoonstelling in Docking Station in Stedelijk Museum CS - mogen de bezoekers de teksten meenemen, waarmee een ‘uitgebreid bezoek’ aan de tentoonstelling ontstaat. Strau’s praktijk is een poging om de handeling van schrijven en lezen in de ruimte te plaatsen en daarmee wat hij noemt ‘verhalende ruimten’ te creëren.
Eind vorig jaar had Strau gelijktijdig twee tentoonstellingen: Voices en Voices and Substitutes, respectievelijk bij Galerie Daniel Buchholz in Keulen en in Docking Station van het Stedelijk Museum Amsterdam. Beide tentoonstellingen waren gebaseerd op dezelfde serie van zes posters, die elk een bepaalde bekende publieke persoonlijkheid tot onderwerp hadden, onder wie de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer, de Poolse schrijver Bruno Schulz en de Amerikaanse architect Daniel Libeskind. Op elke poster staat een combinatie van drie of vier teksten, te beschouwen als verschillende ‘stemmen’, verschillende gesprekspartners voor de personages. De teksten zijn snel geschreven en doen denken aan de écriture automatique van de surrealisten. Met deze vrije vorm van schrijven, waarbij men geleid wordt door het onbewuste, stelt Strau het idee van het auteurschap ter discussie. De personages op de zes posters nemen zogenaamd deel aan deze ‘herbezinning’. De kwestie van het auteurschap wordt ook aan de orde gesteld door het feit dat Strau expliciet verwijst naar de Confessions van de achttiende-eeuwse filosoof Jacques Rousseau. Voor Strau komen dit soort verwijzingen voort uit een poging ‘om enkele vroege theorieën over de kwestie van het auteurschap te vinden, ofwel wat was de bron van het schrijven voordat er theorieën over het onbewuste werden ontwikkeld’.[2] Dit aspect van het werk van Strau is ook direct verbonden met zijn belangstelling voor het idee van de ‘niet-productieve houding’. Deze houding wijst niet zozeer op een totaal gebrek aan productie, als op het relativeren van de eigen intenties, de begrenzingen van de eigen wil in het proces van produceren van een kunstwerk. Zijn hybride sculpturen bouwt hij op als een ruimtelijk vorm van écriture automatique.
‘Een kunstenaar construeert geen volume, hij schrijft een volume.’ Mallarmé’s opvatting van het creatieve proces als de verwoording van taal in ruimte zou een toepasselijke beschrijving zijn van de werken die in dit artikel zijn besproken. In hun praktijk hanteren Pisano, Garcia Torres, Froment en Strau verschillende vormen van verschuiving tussen woord en ruimte als een manier om opnieuw na te denken over de status van het werk. In zeker opzicht weerklinken hierin de ideeën van conceptuele kunstenaars, die al sinds de jaren zestig taal onderzochten als een op zichzelf staand medium en als een methode om het kunstwerk te ‘dematerialiseren’. In de huidige, zich op taal baserende praktijken lijkt het echter niet zozeer te gaan om het verwoorden van het werk ten behoeve van een kritisch onderscheid tussen taal, het object, immaterialiteit en materialiteit, dan om het inzetten van taal als een strategie om te experimenteren met nieuwe manieren om objecten te maken. Anders gezegd: door het activeren van verschillende aspecten die kenmerkend zijn voor taal, waaronder het vermogen van taal om te circuleren, zichzelf te transformeren en verhalen te ontwikkelen, wordt het werk benaderd als een heterogeen object, als het knooppunt in een netwerk van verbindingen en interacties tussen de verschillende elementen die er deel van uitmaken. In haar video A Sculpture Turning into a Conversation, constateert Falke Pisano dat ‘de ruimte in deze tekst aan een kant begint en aan de andere kant eindigt in een totaal andere toestand’. Het is dit vermogen van taal om objecten te doen veranderen, waar het deze kunstenaars om gaat.
Aurélien Froment
Motive Gallery, Amsterdam, 5 april t/m 17 mei
Werk van Falke Pisano is te zien op de tentoonstelling:
Object, the Undeniable Succes of Operation
SMBA, Amsterdam, 24 mei t/m 6 juli
(samengesteld door Falke Pisano i.s.m. Krist Gruijthuijsen)
Op 20 mei is de performance Object and Disintegration:
A performance in trialogue form te zien op de 5. berlin biennale
Mario Garcia Torres
Kunsthalle Zürich, 12 april t/m 18 mei
18 juli t/m 22 november
Noten
- Jacques Rancière, L’Espace des mots, Musée des Beaux-Arts de Nantes, 2005, p. 13.
- Martijn van Nieuwenhuyzen, interview met Josef Strau, in Stedelijk Museum Bulletin, n°6, December 2007, pp. 28-31.















