Leven in een ander ritme
Kunst in Suriname

De kunst in Suriname lijdt onder een isolement, waar ze maar moeilijk uit kan ontsnappen. De Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam schiet te hulp, door een samenwerkingsproject aan te gaan met het Nola Hatterman Instituut in Paramaribo. Docenten van de Rietveld geven er les en de beste studenten krijgen de kans om door te stromen naar de Rietveld. Maar wat is de status van deze uitwisseling?

Op de nieuwjaarsreceptie van de Gerrit Rietveld Academie begin 2007, vroeg directeur Tijmen van Grootheest me of ik zin had om naar Suriname te gaan. De academie was net een vooropleiding in Paramaribo gestart en er waren docenten nodig. Ik vloog een jaar later op 3 januari (samen met Yasmine Ostendorf) naar dit land, waar ik zo beschamend weinig van af blijk te weten. Vanuit het vliegtuig ziet het er vooral uit als een grote pan met broccolisoep: zoveel groen vergeleken met het kale winterse Nederlandse landschap! Rinaldo Klas, de directeur van het Nola Hatterman Instituut (NHI) haalt ons op. Tollend van de slaap door het tijdsverschil zie ik voor het eerst het instituut: een houten gerenoveerde officierswoning.

Hoewel de AHKCO (Academie voor Hoger Kunst- en Cultuuronderwijs) in Paramaribo de officiële kunstacademie is, koos de Rietveld ervoor om samen te werken met het Nola, zoals het instituut in de wandelgangen heet. De studenten durven er meer dan op de officiële kunstacademie; de echte talenten komen ook vaak daar vandaan. Rinaldo Klas haalt de meest uiteenlopende groepen het gebouw binnen: kinderen, ouderen en jongeren, maar ook dove kinderen en kinderen met het Downsyndroom volgen er lessen tekenen en schilderen. Daarnaast is er een dag- en avondopleiding voor wie het serieus wil aanpakken. Deze studenten krijgen dagelijks les en volgen vakken als ‘fantasie’, ‘experiment’, ‘portret’ en ‘stilleven’. De eerste Surinaamse student van het Nola, Neil Fortune, volgt nu het basisjaar op de Rietveld.

De meeste docenten op het Nola zijn zelf opgeleid aan dit instituut en hebben daarna een vervolgopleiding gevolgd op het Edna Manley Institute of Fine Arts in Jamaica, tot voor kort de belangrijkste mogelijkheid om verder te studeren. Toch is het onderwijs dat ze geven vrij klassiek, gebaseerd op modeltekenen en vakmanschap; fotografie en video ontbreken in het curriculum. Dit is geen gebrek aan interesse maar eerder een gebrek aan geld en expertise. De Rietvelddocenten proberen het werken vanuit de inhoud te introduceren, vanuit een eigen invalshoek, met als belangrijkste vraag: wie ben jij en wat houdt je bezig en hoe kun je dit meer algemene gelding geven?

Roots-internationalisering

Het is opvallend hoe moeilijk het is om in Suriname aan informatie te komen. Naast een paar kleine particuliere galeries is de Readytex Art Gallery de enige galerie van belang en zij toont Surinaamse kunst. Gebrek aan geld om te reizen en de karige informatie biedt een verklaring waarom de kunst in Paramaribo zich in een geïsoleerde positie bevindt ten opzichte van de internationale kunstwereld. De huidige, internationaal zo gevarieerde kunst zou kunnen inspireren om iets anders uit te proberen. Maar waar haal je die voorbeelden vandaan? Weinig studenten hebben thuis internet en de verbinding is vaak slecht. Er is geen kunstmuseum, geen galerie waar kunst uit andere landen wordt getoond en geen bibliotheek. De studenten hebben een grote honger naar informatie.

Naar het buitenland gaan is dus noodzaak. Marcel Pinas (1971) is een van de kunstenaars die dat heeft gedaan. Hij studeert nu aan de Rijksakademie in Amsterdam. In het thuisland geniet hij grote waardering, met name omdat hij contact blijft houden met Suriname. De docenten van het Nola kennen de namen van de Nederlandse schilders van Surinaamse komaf zoals Natasja Kensmil of Melvin Moti wel, maar deze kunst staat even ver van hen af als de Nederlandse. ‘Je moet je roots niet vergeten’, wordt vaak gezegd. Men vergelijkt Marcel Pinas met voetballer Clarence Seedorf die de beker mee terug nam naar Suriname en zo het land laat meeliften met zijn succes: ‘Suriname heeft zijn helden nodig, want zo gaan we weer leren dromen’, aldus Kurt Nahar (1972), docent aan het Nola. ‘Jullie Nederlanders beginnen met een thema en gaan dat helemaal uitpluizen. Hier werken we andersom. De geschiedenis bepaalt je, dat borrelt in je, dat beleef je en het moment leidt je tijdens het werken. We leven in een ander ritme.’

Suriname is een land van hoge hekken en alarmsystemen. Na de binnenlandse oorlogen is niets meer hetzelfde en die tijd heeft bij de Surinamers diepe sporen achtergelaten. Deze oorlogen speelden zich af in het noorden en oosten; veel Marrondorpen werden vernietigd. Een deel van de inwoners is naar Frans Guyana gevlucht, een deel naar de stad. Na de oorlog was er niets meer voor hen, geen werk en geen onderwijs. Marcel Pinas: ‘Waar ik ben geboren is alles verdwenen, er is niets meer, het is net als een droom, je ziet het maar je ziet het niet echt.’ Na het Nola studeerde Pinas in Jamaica en daar ontdekte hij de zin van het kunstenaarschap. Het gaat hem om het behoud van zijn eigen cultuur. Hij wil met zijn kunst zijn volk hun trots teruggeven. Het Afaka-schrift leeft weer in zijn schilderijen en sculpturen. De waardering voor zijn kunst draagt zo bij aan de eigenwaarde van de marrons. Marcel Pinas heeft dan ook grootse plannen voor het gebied rond Moengo, zijn geboortedorp. ‘Ik wil het Marowijne-gebied tot kunstdistrict maken. Internationale kunstenaars nodig ik uit om naar Suriname te komen, om te werken, om inspiratie op te doen en ik vraag hen iets terug te geven. Zo’n kunstenaar gaat een bijdrage leveren aan het beeldenpark van Marowijne, met objecten langs de weg, in het dorp. Het wordt een echte wisselwerking.’

Kunstklimaat

Regelmatig klinken er bedenkingen over de monopoliepositie van Readytex Art Gallery. De eigenaar, Monique Nouhchaia Sookdewsing, wil in haar galerie de ‘echte’ Surinaamse kunst laten zien en ze is terughoudend met betrekking tot internationale invloeden en tendensen. ‘Onze kunst is waardig, dichter op het innerlijke gevoel afgestemd en minder door impulsen van anderen gestuurd. Misschien is het werk wat ouderwets, maar de voorkeuren hier in Paramaribo zijn ook klassiek.’ Deze klassieke manier van werken wrikt met de wens van de jonge generatie om het toneel van de internationale kunstscene te betreden. Dat het goed is om het eigene te behouden, daar twijfelt niemand aan, maar internationale impulsen zouden kunnen leiden tot grotere verscheidenheid in de verwerking van deze basis.

Een eerste stap is om de informatiestroom op gang te brengen. Er is gelukkig een nieuwe bibliotheek in aanbouw, met hopelijk een uitgebreide afdeling met kunsttijdschriften en kunstboeken. Het Nola zou in het kader van de samenwerking abonnementen op relevante tijdschriften moeten krijgen en een gratis internetverbinding voor studenten. Surinaamse docenten zouden zich via studiereizen internationaal kunnen oriënteren. In gesprekken met mensen uit de culturele wereld van Paramaribo wordt de behoefte aan een kunsthal genoemd. Ellen Ombre, schrijver, is belangrijk voorvechter van zo’n nieuwe museale instelling. Het zou zowel voor het publiek als voor de ontwikkeling van de studenten goed zijn om regelmatig tentoonstellingen van (hedendaagse) kunst uit het buitenland te zien.

Koloniale pijn

Het koloniale verleden ligt gevoelig in Suriname en de relatie tot Nederland kent een behoorlijke spagaat. Maar misschien is het niet alleen het verleden maar juist het heden, waarin de oude verhoudingen zich nog steeds weerspiegelen, de oorzaak dat die gevoeligheid steeds weer opspeelt. Het verschil in waarde tussen de SRD’s, de Surinaamse munteenheid en euro’s is overal zichtbaar in het dagelijks leven van Suriname. Ook op beleidsniveau is de ongelijkheid duidelijk aanwezig. Zo is het cultuurbudget van de Nederlandse ambassade vele malen groter dan wat de overheid in haar portemonnee heeft. Het is daardoor de ambassade die voor een groot deel bepaalt wat mogelijk is en wat niet.

Suriname zit steeds in de positie van de ontvanger en een gegeven paard mag je niet in de bek kijken. Kritiek klinkt niet openlijk, toch rommelt het wel achter de schermen. De grootste pijn zit in de ongelijkwaardigheid van de samenwerking. Uitwisseling betekent bijvoorbeeld dat er heel veel Nederlanders naar Suriname komen en maar een of twee Surinamers naar Nederland. Naarmate mijn weken in Suriname vorderen, begrijp ik het beter, dat denk ik tenminste. Terwijl we zo beschamend weinig weten over Suriname, denken we wel dat we de beste kansen bieden. Is dat zo? Ik geloof nog steeds in het belang van de vooropleiding van de Rietveld in Suriname maar het gesprek met Pinas na terugkomst in Nederland zette me aan het denken: ‘Ik ben Surinamer in het Caribische gebied, dat moet zo blijven. De Rietveld is dan wel internationaal, maar het is wel een Nederlands instituut. In Jamaica heb ik mezelf ontdekt, dan kun je verder. Wat in je leeft ga je uitbeelden. Hier zou ik met mezelf gaan vechten. Als je hier komt ga je denken als een Europeaan.’

De Nederlandse insteek van aanpakken en organiseren gaat soms te snel en slaat een fase over, die van leren en luisteren. De impuls kan wel van buiten komen, maar de dromen realiseren kan alleen op eigen kracht en door de helden van eigen bodem.


Nola Hatterman Instituut
www.nolahatterman-instituut.nl

Readytext Art Gallery
www.readytexartgallery.com

Order This Issue Now

Order the issue that this article appeared in:

Order now
Subscribe to METROPOLIS M

Take a yearly subscription and receive METROPOLIS M every two months to your door

Order now
METROPOLIS M Webshop

Buy subscriptions, issues, books & limited editions at our webshop

Visit webshop