SITTARD
Museum Het Domein
05/04/08 -
15/06/08
Tot voor de solotentoonstelling Bonzenspeck und Prollgehabe had ik alleen een fragmentarische indruk van het werk van Kati Heck (1979, woont en werkt in Antwerpen). Vorige lente was een schilderij van haar te zien op Pushing the Canvas, een tentoonstelling met schilderkunst van jonge Belgen. Tot medio juni van dit jaar was een werk van de uit Düsseldorf afkomstige Heck te zien op het groepsproject UN-SCR-1325 in de Antwerpse galerie Geukens & De Vil. Ook nam ze deel aan PopEye, een groepstentoonstelling met werk van kunstenaars en muzikanten in de Oude Gevangenis in Hasselt. Elke keer viel ze op als iemand met haar op de tanden, als een kunstenaar met technische capaciteiten en lef. Maar eerlijk gezegd vond ik haar werk ook nogal hard, om niet te zeggen een tikkeltje geschift.
Haar doeken tonen zorgvuldig geschilderde naakten in vreemde constellaties. Zo had Pushing the Canvas een versie in huis van het werk So Weit So Gut, een triootje van donkerharige blote meisjes tegen een achtergrond van een groen glooiend landschap. Een meisje zit op handen en knieën op een geïmproviseerde tafel, twee anderen zijn met elkaar verbonden door een dik touw dat vertrekt uit een vagina. Nu is dit al niet echt een idyllisch motief in de kunst en in de literatuur, bij Mike Kelley en bij Elfriede Jelinek bijvoorbeeld heeft het met onderdrukking te maken, maar in tegenstelling tot andere kunstenaars die om een soort mededogen vragen, serveert Heck het ijskoud in een onverklaarbare ménage à trois. Dat de geknielde figuur – wellicht Kati Heck zelf – ook nog hulpeloos een blik werpt op de toeschouwer, maakt het trio er niet bepaald menselijker op.
Ik vond de scheppingen van Heck altijd op zijn minst raadselachtig, maar Bonzenspeck und Prollgehabe, de eerste museale solotentoonstelling van de Duitse, verklaart veel. Er blijkt een rode draad te zitten achter de ijskoude observatie van onderlinge verhoudingen tussen mensen. Hoe druk bevolkt de doeken ook zijn, nooit zijn de mensfiguren in staat elkaar te bereiken. De werken zijn doortrokken van een pijnlijk gebrek aan contact.
Museum Het Domein laat de tentoonstelling aanvangen met Sind wir per Du (2004), een groot schilderij met een slapende man en een haastig ingevulde, cartooneske figuur. Het hoofd en het bovenlichaam van de man zijn realistisch geschilderd, zijn benen en voeten slechts geschetst. Die afwisseling van afgewerkte, geschilderde en losjes getekende zones is een fascinerend handelsmerk van Heck, dat doek denken aan de onvoltooide portretten en composities van oude meesters als Ingres of Renoir.
In de grote zaal van het museum hangen enorme, metershoge schilderijen; een erg kloek formaat voor een vrouw van 28. Het schilderij Hans Sagt (2007), toont opnieuw een damestrio in een onwaarschijnlijke pose. Een vrouw – opnieuw Kati Heck – presenteert haar achterste aan het publiek, daarin bijgestaan door een blozende vriendin en een blonde vamp in een zwart badpak. Naast het curieuze drietal kijkt een man in een folkloristisch kostuum toe vanaf een bureautje: zijn gezicht met fotografische precisie geschilderd, zijn benen overdreven knokig en vaag. In de groteske overdrijvingen en wild geschetste lijnen herken je de invloed van Martin Kippenberger, maar de ongemakkelijke verhoudingen tussen mensen en het vage onderscheid tussen onverschilligheid en wreedheid doen ook aan Paul McCarthy denken. Net zoals bij de schepper van seksueel geobsedeerde kerstmannen en erotomane huisvaders, vind je bij Heck een door irrationele krachten gestuurde mens. Al is het brute, bloederige geweld van McCarthy bij Heck getransformeerd tot vernedering, uitsluiting, machtsmisbruik en onbegrip.
Dit zie je op een complexe, haast meesterlijke wijze uitgewerkt in Keine Zeit für Meisterwerke (Himmelfahrtskommando) (2007), een doek van vijf bij drie meter dat het middelpunt van Bonzenspeck und Prollgehabe vormt. Op een ondergrond van de kleuren van de Duitse vlag figureren zeven mannen en drie vrouwen die elkaar op uiteenlopende manieren kwellen. Een man zit als een ruiter op de rug van een vrouw, een derde kijkt bedroefd naar dit duo, een vrouw rommelt letterlijk met de hersenen van haar vriend en schuin boven dit alles uit torent een soort God met een bijl. Himmelfahrtskommando kan een wachtkamer zijn voor de poort van de hemel, waar stervelingen beoordeeld worden op de psychologische terreur die ze anderen hebben aangedaan.
Dit suggestieve karakter van het werk van Kati Heck vind ik bijzonder overtuigend. Ze toont mensen in vreemde, gênante situaties en schildert hen met een haast diabolisch plezier zo realistisch mogelijk af. Hecks nogal Duits aandoende worsten-en-biergedoe valt in de tentoonstelling op zijn plaats als onderdeel van een de irrationele polonaise die Heck in beeld brengt. Bonzenspeck und Prollgehabe volgt Hecks esthetiek en maakt haar curieuze universum toegankelijk. Het raadsel is opgelost, ik kom verrijkt naar buiten.











