Smakeloze kunstenaars: verenigt u!

In het debat over vrije meningsuiting in de kunst neemt de politiek een dubieuze positie in. Ze zegt zich niet in te willen laten met kunst, maar eigent zich niettemin voortdurend een oordeel toe. Voor Jonas Staal is de maat vol.

Op dinsdag 20 mei 2008 vond in de Tweede Kamer het debat over de arrestatie van cartoonist Gregorius Nekschot plaats. Martin Bosma (PVV) stelde voor de publicaties van Nekschot gratis te verspreiden op middelbare scholen, waarop Femke Halsema (GroenLinks) interrumpeerde met een verwijzing naar mijn project De Geert Wilders Werken (2005-2008). Ze wees op het tegenstrijdige standpunt van Bosma, die zich uitsprak vóór de cartoons van Nekschot, maar tégen de werken van mijn hand, en vroeg hem dit te verklaren. In het debat dat zich vervolgens ontvouwde, werd de troebele positie zichtbaar die de politiek inneemt tegenover de beeldende kunst.

In het debat beweerde Halsema op een gegeven moment: ‘Wij gaan niet over wat wel of niet kunst is.’ Dat op zichzelf kan ik slechts beamen. De politiek moet niet gaan over de zeer relevante vraag wat kunst is, daar gaan wij namelijk als kunstenaars zelf over. Sterker nog, het is een van onze voornaamste en meest elementaire verantwoordelijkheden om deze vraag te stellen. Wel oefent de politiek – althans voorlopig – aanzienlijke macht uit over de ruimte die vanuit de kunst kan worden geclaimd ten opzichte van de politiek, en in het verlengde daarvan, zij het gelukkig slechts ten dele, ten opzichte van het rechtssysteem.

Hierbij moet vermeld worden dat het adagium van Thorbecke (‘De Kunst is geen regeringszaak, in zooverre de Regering geen oordeel, noch eenig gezag heeft op het gebied der kunst.’) al lang niet meer van toepassing is op het uiterst gepolitiseerde kunstenstelsel dat elke vier jaar weer moeizaam in beleid wordt geformuleerd. Het toont de tweespalt die ik hier zal bespreken: het enerzijds mogelijk maken en daarmee invulling geven aan de kunsten door middel van ideologisch gefundeerd beleid, en het zich anderzijds niet willen bemoeien met de uiteindelijke uitoefening daarvan door aan kunst gerelateerde fondsen en instituten en de makers zelf.

Bosma riposteerde nog dat hij het vreemd vond dat ‘u [Halsema] opkomt voor kunstenaars die geen kunstenaars zijn, maar bedreigers’. Doch, de kwintessens van dit debat formuleerde Halsema zelf: ‘Smakeloos, daarover kan ik het direct met u eens zijn.’ Deze opmerking over De Geert Wilders Werken, werd in haar eigen voordracht gevolgd door een verrassend statement, namelijk: ‘het debat gaat hier niet over smaak’, om uiteindelijk de hand in eigen boezem, en vooral in die van de PVV, te steken, want ook ‘wij politici blinken lang niet altijd uit in goede smaak.’

Het meest gehoorde argument van zogenaamd kunstliefhebbende politiek – een valse en wrange liefde weliswaar – is dat het uiteindelijk aan de rechter is controversiële uitingen in de beeldende kunst te beoordelen. Deze schijnbaar ‘objectieve’ benadering, die uitgaat van de blijkbaar nog steeds standvastige illusie van een onwrikbare scheiding der machten in de Trias politica, gaat desondanks gepaard met vele zijsporen, waarin steun of inhoudelijk oordeel voor deze of gene uiting continu doorsijpelt.

Zo wist ook Alexander Pechtold (D66) zich in reactie op mijn werk schaamteloos te bewegen tussen uitspraken als ‘het zet je aan het denken’ en ‘hier moeten we een debat over hebben’, naar ‘of het smaakvol is, dat is wat anders’ tot een afsluitend en voorspelbaar: ‘daar gaat de rechter over.’

‘Daar gaat de rechter over.’ Waarmee het probleem meteen op scherp staat. Ook de rechter gaat hier namelijk niet over.

Wouter Bos (PvdA) legde in 2005 al de basis voor de omzichtige strategieën van zijn collega’s met zijn ietwat meer doordachte oneliner ‘Ik vind het werk smakeloos, maar kunst mag ook smakeloos zijn’ gevolgd door het ‘standpunt’ dat als ‘een rechter tot de conclusie zou komen dat het kunst is en geen bedreiging, de kunstenaar het volste recht heeft om zoiets te doen’.

Het is deze continue dubbelzinnigheid die maakt dat de ruimte die door burgers – kunstenaars – benut kan worden voor confrontatie in het publieke domein verdwijnt. Niet zozeer ministers als Hirsch Ballin en Donner (CDA) of parlementariërs als Bosma, die sancties tegen welke vorm van wanorde zonder scrupules in de wijdopen gesperde mond van Jan Modaal weten te mikken, zijn het probleem. Integendeel, zij vormen enkel een continu zichtbaar en regressief obstakel dat juist om deze reden ook meteen voorspelbaar en elimineerbaar is. Nee, het probleem ligt bij hen, de democraten, die wel zeggen te geloven in de ‘onafhankelijke’ rechtspraak en democratie, maar toch ook een beetje niet zodra ‘belediging’ of in mijn geval ‘bedreiging’ ter sprake wordt gebracht. Want dan voelen zij zich, klaarblijkelijk uit angst voor electoraal verlies, genoodzaakt zich wel uit te spreken over smaak, waarbij tegelijkertijd – plichtmatig – ook de grondwettelijke rechten van kunstenaars ‘verdedigd’ worden. Doch, dit is geen gewoon recht, dit is een smakeloos recht.

Een bijkomend probleem is dat de rechtspraak waarnaar de uitspraak wordt verschoven, net zo min bereid is een oordeel te vormen. Zij wenst daarentegen ‘objectief’ te beoordelen of een uiting ‘discriminerend’ of ‘bedreigend’ is. Bij vrijspraak kunnen wij ervan uitgaan dat dit een bevestiging zou zijn van het recht van kunstenaars om deze of gene uiting te verrichten, maar dit is feitelijk onjuist; er is slechts besloten dat binnen de ogenschijnlijk strikte kaders van de wet deze uitingen simpelweg niet bedreigend of discriminerend zijn: niets meer en niets minder.

De kwestie komt dan op het volgende neer: is de politiek in staat te accepteren dat er uitingen zijn die niet binnen gereguleerde en reeds getolereerde paden worden verricht, maar die in hun vorm de fundamenten van de rechtsstaat zelf ter discussie stellen? En zo niet, is dit dan geen impliciete bevestiging van de mechanisering van de democratie?

En als deze mechanisering hetgeen is dat deze democraten eigenlijk tegen willen gaan, is het dan geen schande dat dit complexe en noodzakelijke debat wordt gereduceerd en omgeleid door uitspraken rondom ‘smakeloosheid’? Is het geen cynisch gegeven dat partijen die in hun eigen programma’s pleidooien hebben opgenomen voor een ‘maatschappelijk vernieuwende, kritische, onafhankelijke, tegendraadse, emanciperende en experimentele kunst’ (GroenLinks), kunst die ‘de samenleving uitdaagt’ en ‘deze spiegels voorhoudt’ (D66) en stelt dat ‘kunst en cultuur meer is dan franje voor de samenleving’ (PvdA), het debat uiteindelijk bewust en strategisch door anderen laten voeren?

Hoe smakeloos, beste democraten, hoe ontdaan van elke smaak van elke uitspraak, hoe bleek, omzichtig en positieloos is deze keuze, die het liefst helemaal geen keuze had willen zijn?

‘Smakeloos, daarover kan ik het direct met u eens zijn’. Halsema’s opmerking is in deze redenering het enig werkelijk smakeloze element dat werd opgeworpen in het plenaire debat. Daarmee is het ook meteen het element dat werkelijk ter discussie had moeten staan. De politiek heeft zich subtiel door het debat heen geworsteld, zonder het wezenlijk aan te gaan: hun eigen politieke positie van schijnneutraliteit is niet bevraagd, is niet ter discussie gesteld.

Daarmee laat zij een gapende wond open. Een gapende wond waar wij, kunstenaars, uiteindelijk vorm en inhoud aan dienen te geven. Smakeloze kunstenaars der natie, verenigt u! Wij hebben een lange weg te gaan. Wij hoeven geen open wonden meer te duiden, wij etteren er midden in.

Order This Issue Now

Order the issue that this article appeared in:

Order now
Subscribe to METROPOLIS M

Take a yearly subscription and receive METROPOLIS M every two months to your door

Order now
METROPOLIS M Webshop

Buy subscriptions, issues, books & limited editions at our webshop

Visit webshop