TRENTINO, ZUID-TIROL, ITALIË
Manifesta 7
19/07/08 -
02/11/08
Na het debacle dat de voor Nicosia geplande Manifesta 6 trof, was het welslagen van Manifesta 7 in Trentino/Zuid-Tirol een absolute must. De afgelasting van de vorige Manifesta betekende niet alleen dat het vier in plaats van twee jaar duurde voordat er weer een nieuwe editie van deze reizende biënnale plaatsvond, het heeft ook aangetoond dat kunst als pleister op politieke wonden een bedenkelijke remedie is. Toch heeft de organisatie het zich, met de keuze voor een tweetalige regio als locatie voor de biënnale, ook dit keer niet gemakkelijk gemaakt. Maar een ding staat in ieder geval vast: in zichtbaarheid overtreft deze editie alle voorgaande met glans.
Liefst vier steden, Fortezza, Bolzano, Trento en Rovereto werden gekozen als setting voor de huidige editie van Manifesta, waarvan de laatste ook nog eens drie verschillende locaties herbergt. Daarnaast is dit keer ook gekozen voor een duidelijke scheiding van de inbreng van de curatoren. Elke locatie staat onder supervisie van één curator, met uitzondering van Fortezza waar een gezamenlijk project werd gerealiseerd. Daardoor is nauwelijks nog van één Manifesta te spreken. Eerder gaat het hier om de verschillende stemmen van de curatoren die als afzonderlijke libretti, zoals directeur Hedwig Fijen ze eufemistisch benoemde, nu eens zonder ontluistering konden worden uitgezongen. Een state of the arts wordt hiermee niet opgemaakt, eenduidige statements ontbreken. In plaats daarvan hebben de curatoren zich voornamelijk op de specifieke locaties en hun context en geschiedenis gericht. Niet zo verwonderlijk gezien de adembenemende gebouwen die speciaal voor de gelegenheid zijn gerenoveerd.
Het meest imponerend qua locatie is de tentoonstelling die de curatoren gezamenlijk samenstelden in het negentiende-eeuwse, Habsburgse fort in Fortezza. De tentoonstelling, getiteld Scenarios, is onderworpen aan een zeer strikte regie. Tien auteurs – romanciers, historici, kunstenaars et cetera – werden uitgenodigd verhalen te schrijven met de positie van het fort als uitgangspunt, die als geluidswerken in de verschillende ruimtes van het fort te beluisteren zijn. De keuze voor deze ‘onzichtbare tentoonstelling’ (afgezien van een enkele ruimte met geluidloze films) stelt de individuele verbeelding van de bezoekers centraal, en zet soms aan tot poëtische, dan weer tot sociaal-politieke bespiegelingen.
Ook in de tentoonstelling The Rest of Now, die het uit New Delhi afkomstige Raqs Media Collective in Ex-Alumix in Bolzano inrichtte, wordt nadrukkelijk op de context van de plek gefocust. De tentoonstelling vindt plaats in een voormalige aluminiumfabriek, gebouwd in de stijl van het rationalisme, de Italiaanse variant van het Nieuwe Bouwen, die ten tijde van het fascisme hoogtij vierde. De curatoren zien de fabriek als symbool voor vooruitgang, en volgen daarmee de ideologie van de futuristen, die de steeds verdergaande toepassingen van de machine verheerlijkten. Aan deze historische context wordt door verschillende kunstenaars een hedendaagse interpretatie gegeven. Dat leidt soms tot erg letterlijke werken, zoals Aluminium van Graham Harwood, waarin footage uit de archieven van de aluminiumindustrie volgens futuristische vormprincipes bewerkt is in een boek en video. Het werk Tantalum Memorial – Residu (2008), dat Harwood in samenwerking met Richard Wright en Matsuko Yokokoji maakte, gaat verder. Een in de aluminiumfabriek achtergebleven, mechanische telefooncentrale is omgedoopt tot monument voor de mensen die zijn gestorven ten gevolge van de coltan wars in Congo. De vertaling van het lokale object trouvé naar een wereldlijke problematiek is interessant, maar helaas niet typerend voor de gehele tentoonstelling.
De tentoonstelling die Adam Budak in Rovereto samenstelde, is zeer uitgestrekt van opzet. Naast een groot aantal kunstenaars nodigde hij enkele curatoren uit om delen van de tentoonstelling in te richten. Principle Hope gebruikt de specifieke architectuur van de negentiende-eeuwse tabaksfabriek en de vroeg twintigste-eeuwse colafabriek vooral als decor. Visies van onder anderen Ernst Bloch, Jorge Luis Borges en Jacques Rancière vormen het theoretische kader van waaruit de regionale context wordt bestudeerd, ‘zwevend tussen een nog niet bestaande, autonome (post)politieke en een zich van de staat vrijgemaakte microstructuur van een gemeenschappelijke identiteit’, aldus Budak in de catalogus. In de veelheid van kunstwerken en projecten die in de Manufattura Tabacchi zijn samengebracht, wordt deze ideologie slechts associatief aan de orde gebracht; de tentoonstelling in de voormalige colafabriek Ex-Peterlini is in dat opzicht representatiever. Dit wordt met name bewerkstelligd door de dwingende ingreep die Daniel Knorr in de architectuur deed. Door alle bijruimtes af te sluiten met muren en de deuren van het gebouw te verwijderen, creëerde hij een centrale hal die dag en nacht volledig toegankelijk is voor het publiek. Alle andere werken zijn vervolgens afgestemd op dit publieke karakter van de tentoonstelling en moesten daardoor tevens ‘hufter-proof’ zijn. Die beperking heeft een aantal zeer ingenieuze werken en een mooie eenheid opgeleverd. In het midden van de ruimte wordt een videopresentatie omsloten door een gazen kooi met begroeiing – ongetwijfeld om die ’s nachts te kunnen afsluiten. Daaromheen zijn op en in de wanden verschillende werken geïnstalleerd, zoals Johannes Vogls Black Hole in a White Cube (2008). Door in de muur geplaatste kijkertjes biedt dit werk zicht op de achterliggende, ongerenoveerde ruimtes van het gebouw. Tijdens de duur van de biënnale zal de ruimte door het publiek in beslag worden genomen, waarmee ‘de grenzen van democratische ruimte in een post-politiek landschap worden afgetast’. De vraag is natuurlijk of de serene ruimte met zorgvuldig afgestemde werken een nachtelijk publiek van hangjongeren of daklozen zal kunnen doorstaan.
Minder idealistisch, maar zeker niet minder tot de verbeelding sprekend, is de tentoonstelling die Anselm Franke en Hila Peleg in het Palazzo delle Poste in Trento inrichtten. Onder de titel The Soul (or, Much Trouble in the Transportation of Souls) onderzoeken zij ‘hoe macht en machtsverhoudingen zich in het emotionele en mentale leven van een mens manifesteren’, en hoe de tentoonstelling uiteindelijk ‘de esthetische dimensie behandelt als spanningsveld en brug tussen de psyche (…) en de objectieve structuur van een samenleving’. In de uitvoering van deze uitgangspunten in de rationele architectuur van het voormalige postkantoor slagen de curatoren wonderwel. Hoewel veel van de werken esthetisch minder interessant zijn dan die in Rovereto, dragen zij allemaal bij aan de eenheid van de tentoonstelling, zonder daarbij hun individuele karakter te verliezen. De kleine opeenvolgende kantoorruimtes in het postgebouw bevatten vaak maar enkele werken, terwijl de gangen en tussenruimtes worden benut voor ontmoetingen tussen werken en ingevoegde ‘miniatuurmusea’. Academici, theoretici en kunstenaars werden door de curatoren uitgenodigd om onder de noemer van het tentoonstellingsconcept vijf verschillende imaginaire musea te creëren. The Museum of Projective Personality Testing van Sina Najafi en Christopher Turner bijvoorbeeld, toont een verzameling psychologische tests, zoals de rorschachtest en de Lüscher kleurentest. De miniatuurmusea geven balans aan de doorgaans idiosyncratische werken in de tentoonstelling, zoals de absurde video- en tekeningenserie van Jos de Gruyter en Harald Thys, waarin de praktijk van het boetseren als vrijetijdsbesteding in beeld gebracht wordt.
De opzet van Manifesta 7, waarbij de curatoren alle ruimte krijgen, heeft ertoe geleid dat de biënnale als geheel niet is ondergesneeuwd door een strijd tussen ego’s, maar degelijke presentaties heeft opgeleverd die de prachtige locaties centraal stellen. De verschillende curatoren geven daar op persoonlijke wijze commentaar op, maar geen van hen heeft zich gewaagd aan het implementeren van zijn tentoonstelling in de politiek-maatschappelijke situatie van de plek, toch een van de uitgangspunten van het Manifesta-programma. De huidige editie komt daardoor misschien wat braaf over. Maar je zou ook kunnen zeggen dat Manifesta volwassen is geworden, en heeft ingezien dat bemoeienis met gevoelige, politieke kwesties voor een kunstmanifestatie wellicht wat al te vrijmoedig is. De curatoren zijn zich van deze constatering bewust, en richten zich primair op de kunst. Zij geven een stem aan het publiek door dat op subtiele wijze mee te voeren in de wereld van de verbeelding, en middels het persoonlijke het publieke aan te spreken.











