Een re-enactment van God
Bij De Branding van Zoro Feigl

Een indrukwekkende, zelfs dreigende installatie van Zoro Feigl in W139 in Amsterdam, oorspronkelijk bedoeld als een hommage aan de Zuiderzee, zet Paul Groot aan tot het schrijven van een bespiegeling op de relatie tussen kunst, God en de snaartheorie.


I

Volgens de intellectuele communis opinio mocht het eigenlijk niet. Sinds Friedrich Nietzsche was God dood, en sinds Ludwig Wittgenstein was er over God niks zinvols meer te zeggen.[1] Hij viel sindsdien onder een verdachte categorie. Maar nadat de filosoof Cornelis Verhoeven opmerkte dat zinloze en onware uitspraken vaak zinvoller blijken te zijn dan zinvolle uitspraken, straalt zijn ster weer steeds feller- Hem wordt weer meer en meer dat ‘bijna niets’, zoals Verhoeven het noemde, gegund.[2] God is overal weer helemaal thuis en daar doen ook de vlijmscherpe aanvallen van Richard Dawkins in zijn The God Delusion (2006) niets aan af.[3]

Dawkins denkt en voelt als een droge bioloog, die in een utilitaire kruistocht de schepping van God inruilt voor de evolutie van Darwin. Zijn exercitie voelt pijnlijk aan, vooral omdat hij een overduidelijk gebrek aan artistiek gevoel toont. Dawkins haat God, en heeft een even grote afschuw van kunstenaars en intellectuelen omdat die maar al te vaak het masker van God gebruiken als een alibi voor hun artistieke zelfbewustzijn.

Dat Dawkins zich zo hevig verzet tegen de begoochelingen Gods valt niet goed te rijmen met zijn eerdere, bijna dertig jaar geleden geschreven The Selfish Gene, een bloedstollende theorie over hoe de genen en de memen (een soort geestelijke genen) ons doen en laten, ons lichaam en onze geest, in hun greep houden.[4] Het lichaam is eerst en vooral een machine die door de genen wordt gebruikt om zich mee voort te planten. Wij zijn slechts een functie van de lichamelijke en geestelijke activiteiten van de ontelbare, krioelende zelfzuchtige genen die van alles regelen: van lekker luieren tot aangenaam boeken lezen of naar muziek luisteren. Of we nu godloochenaars zijn of toch liever geloven, we vervullen slechts de wens van een meme die in de survival of the fittest zegeviert.

Toch wil de latere Dawkins af van het geloof, omdat hij God niet kan rijmen met Darwins evolutie, die hij als de echte bezieler van het moderne leven ziet. Dat geldt ook voor zijn ideeën over kunst. Kunst is eigenlijk even gevaarlijk als godsdienst, omdat ze vaak getuigt van regressieve en religieuze ondertonen die de aandacht van de evolutie van Darwin afleiden. Ook de verschijnselen van het sublieme die door Edmond Burke en Stendhal beschreven zijn, moeten hem een doorn in het oog zijn, hoewel hun visie toch een prachtige genetische showcase oplevert, die bovendien volstrekt evolutionair van karakter is. Bij Burke en Stendhal zitten natuur en cultuur elkaar dicht op de hielen. Ze laten zien hoe artistieke ervaringen het lichamelijk functioneren aan kunnen tasten. Stendhals flauwte na het zien van een overweldigend kunstwerk, zijn beschrijving van extatische ervaringen van een gevoelige ziel, en ook de ontdekking van het sublieme in de gepantserde geest van Burke, zijn het gevolg van het tegen elkaar schuivende zoeken van memen en genen, van ziel en lichaam, van natuur en God, van inspiratie en realiteit.

II

God laat zich niet voor een gat vangen. Bij de opening van de installatie De Branding, afgelopen voorjaar in W139 in Amsterdam, bleek dit kunstenaarshuis een heel geschikte plek voor een goddelijke ervaring. Dit werk van Zoro Feigl is een artistieke reconstructie van een grotendeels verloren gegaan natuurgebeuren. Het roept herinneringen op aan de Zuiderzee, niet alleen als een hommage aan een ver verleden, maar ook via een futuristisch aandoende blik op een nog onbetreden universum.

Meest opwindend bij de opening was de verschijning van God als de inspirerende geest van de Zuiderzee. Hij die ooit de sfeer van de havens van de stadjes aan de kust bezielde, waakte in W139 over een letterlijk dode zee, een hersenschim, een herinnering, een plek van fantasie, een fantoom van een zee, want bijna een eeuw al definitief opgelost door de Afsluitdijk in het IJsselmeer.

Mijn persoonlijke God van de Zuiderzee is een visionaire god. Het is een Wrekende God, gepersonifieerd in de Grote Gaper, een beeld dat mij ooit vanaf de gevel van de gelijkluidende apotheek aan het Kleine Noord in Hoorn schrik aanjoeg. Elke dag op weg naar school passeerde ik hem. Ik versnelde dan mijn pas, want ik wist zeker dat uit diens vreeswekkende, afgrijselijke open mond, de zwavelachtige geuren en dampen kwamen die de zonden in de wereld brachten en de stormen aanjaagden die over het IJsselmeer raasden. De Grote Gaper was, dat verklaarde zijn angstaanjagende gezicht, ongetwijfeld een kind van God en de Duivel.
Al direct bij het binnengaan in W139 toonde deze God zich. Zomaar uit het niets dook daar de afgedankte kop van een gaper op, verborgen tussen zorgvuldig geënsceneerde rotzooi. De gaper had in niets aan ongerijmde kracht ingeboet. Uit het ‘bijna niets’ van die grote mond loeiden nog steeds stormen, walmden opnieuw smerige dampen en meende ik stemmen te horen, geheime stemmen. Het bleek een inleiding te zijn voor een nog veel ingrijpender visioen die avond.

In de grote ruimte van W139 had Feigl de Zuiderzee geënsceneerd, precies zoals ik de zee meende te kennen. De geur van de havens, de stemming van de zee op voorjaarsavonden, de stemmen van de schippers, de citaten van de dichters lieten weer van zich horen. In de verte doemde golvende scheepstouwen op, die elektronisch voortbewogen, als een onvermoeibaar golvend tapijt van water. De over de vloer golvende touwen vraten zich een weg door je hersenen. Omhoog blikkend, werd ik verblind door de constructie van twee, verticaal opgehangen, draaiende schepen met twee sterke lampen in hun midden, hoog in het gebouw, net als een vuurtoren, licht en schaduwen om zich heen werpend. Even later ontdekte ik hoe op de grond een draaiende magneet een handvol kompassen tot wanhoop dreef.[5]

Ineens meende ik daar in de hanenbalken van W139 iets vreemds te zien en keek opnieuw omhoog. Ik struikelde voorover over de golven, herstelde mijn evenwicht, keek nogmaals omhoog, en was, geloof het of niet, getuige van Gods re-enactment. De tijd stond even stil, de eeuwigheid kwam mij nabij, Zijn blik ontmoette de mijne, ogen die misschien op die van Feigl leken? Ik maakte een foto met mijn mobieltje. Toen was alles weer normaal. Totdat het even leek alsof de primitieve sfeer van open hanenbalken opnieuw doorbroken werd door de glimmende marmeren sfeer van het tabernakel, van een tempel, opgesierd door een Ark des Verbonds van de ronddraaiende boten. Ik nam opnieuw een foto met mijn mobieltje.

III

Eerst dacht ik dat mijn verbeelding met mij en Feigls installatie aan de haal was gegaan. Maar later herinnerde ik mij een plotseling opduikende bezoeker, wiens ongemeen religieuze, artistieke uitstraling dit alles mede in beweging moet hebben gezet. Dat het hier werkelijk een verschijning betrof, daar is voor mij geen twijfel over mogelijk. Zoals ooit de etser Jacob Luyken vanuit zijn atelier nabij de Zuiderzee werkelijk het hemelse Jeruzalem heeft gezien, zo had nu die opduikende bezoeker zijn genen en memen ingezet en gezorgd voor die plotselinge metamorfose van W139 in Salomo’s Tempel. Hij moet het zijn geweest die mij had verstrikt in de droom van Salomo’s Tempel, niet zozeer als een religieuze fundamentalist die een herbouw van de tempel nastreeft, maar als een persiflage daarop in de stijl van de archeologische arbeid van Indiana Jones. [6]

IV

Feigls werk wierp bij mij vragen op als: kunnen er over artistieke visioenen zinvolle mededelingen gedaan worden? Wat betekenen ware of onware uitspraken tegenover de realiteit van de metaforische waarheid? Kan dat nog: God ontmoeten? Of is dat het alleenrecht van een religieuze schilder als Marc Mulders, die in dat ‘bijna niets’ van Verhoeven wel heel veel verf heeft gestoken?

Ook Feigl moet zich afgevraagd hebben of hij uit het ideale niets een beeld van God kon oproepen. Wat gebeurt er met een kijker bij die aanblik van God? Het antwoord bleek die verwachtingen uiteindelijk verre te overtreffen. Want dat je met een scherpe flits en een onverwachte schok de alledaagse ervaring kunt kortsluiten, dat je uit de spanning tussen ‘iets’ en ‘niets’ het ‘alles’ tevoorschijn kunt roepen, precies zoals Verhoeven al voorspeld had, werd die avond bewezen.

Feigls werk reikte nog verder en sprong ook door het ‘bijna niets’ van Verhoeven, om te belanden in een hedendaagse veeldimensionale wereld die bekend staat als de ruimte van de ‘snaartheorie’. Ook de vuurtoren was uitgerust met extra natuurkundige dimensies en is meer bepaald te zien als een ‘hallucinatie’ van Howard Georgi.[7] Deze theoretische fysicus maakt goede sier met zijn vermoeden dat de allerkleinste deeltjes in de natuur als ‘fractals’ bestudeerd kunnen worden. In Feigls re-enactment van God kon je Georgi’s ‘ondeeltjes’ niet letterlijk waarnemen, die zijn nu eenmaal onzichtbaar, maar de God van die avond raasde rond in een dadaïstische vuurtoren, als een fantoom van magnetische krachten die een religieuze extase moesten oproepen.

Zou Feigl zich ervan bewust zijn geweest dat zijn touwenstelsel, die mechanisch gegenereerde, opkomende en zich terugtrekkende golven, zo prachtig de snaren illustreerden, als een bijna letterlijke vertaling van de natuurkundige snaartheorie?[8] Het doet er niet veel toe. Misschien was hij slechts een instrument in de handen van zijn artistieke genen en memen of, nog vreemder, een werktuig van die van mij. Ik durf daarover geen uitsluitsel geven.

Hoe lang duurde eigenlijk dat visioen van God, daar op die openingsavond? Die vraag doet er niet toe, immers een visioen is even eeuwigdurend als flitsend snel voorbij. Waar het om draait is niet de duur, maar de geestelijke oogst. En die is hier heel groot. De visionair Zoro Feigl heeft hier de God van het Oude Testament weten te verbinden met de nieuwste inzichten in de fysische wereld. Zijn metaforen hadden weinig moeite de vermeende breuk tussen kunst en religie, tussen zinloze en zinvolle uitspraken te dichten. Feigl heeft in een gereconstrueerde branding van de Zuiderzee een artistiek universum ontdekt dat niet eerder werd betreden.[9]


Noten

  1. Ludwig Wittgenstein, Tractatus Logico-Philosophicus, Frankfurt am Main 2003.
  2. Cornelis Verhoeven, Bijna Niets, Utrecht 1970.
  3. Richard Dawkins, The God Delusion, Londen 2006.
  4. Richard Dawkins, The Selfish Gene, Londen 1978.
  5. De twee, verticaal opgehangen, draaiende schepen bleken twee achttiende-eeuwse houten sloepen uit het depot van het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen.
  6. Het ontwerp doet denken aan Joseph Semah, die regelmatig mooie casestudies publiceert. Hij persiflerende Beuys in performances en maakte ironiserende artistieke modellen à la Barnett Newmann om ten slotte Beuys en Newman aan elkaar te binden. Zie ook: http://www.forum.nl/ZienIsGeloven/interviews3.html
  7. Volgens nobelprijswinnaar Gerard ’t Hooft is de snarentheorie een ‘storingstheorie’. Zie zijn boek De bouwstenen van de schepping, Een zoektocht naar het allerkleinste, Amsterdam 1999, p. 212.
  8. Georgi’s ideeën werden pas door een publicatie in NRC Handelsblad enige weken later bekend. Margriet van der Heijden, ‘De ondeeltjes-hype, fractaal spookdeeltje moet kosmisch raadsel oplossen’, NRC Handelsblad, 28 Juni, 2008.
  9. Er staan meerdere films van De Branding op internet. De beste is van Feigl zelf, zie www.youtube.com/watch?v=BJ1J3ncJYe8&feature=user