In januari 2009 spreekt de Britse literatuurwetenschapper en filosoof Terry Eagleton over religie, in het kader van de lezingenreeks Now is the Time in Amsterdam. Ter kennismaking een intellectueel portret van de als een van de felste polemisten van Groot-Brittannië bekend staande denker.
We know what we know, we know there are things we do not know, and we know there are things we know we don’t know we don’t know. -Donald Rumsfeld
Voor de Britse literatuurwetenschapper Terry Eagleton (1943) vormt de polemiek de kern van zijn werk. Als een van de meeste prominente naoorlogse marxistische cultuurtheoretici ziet hij het als de taak van de criticus zijn academisch werk te verbinden met bredere, maatschappelijke (soms brandende) kwesties. Dit dient te gebeuren zonder dat de criticus zich de luxe gunt zich te verschuilen achter een vocabulaire dat alleen de happy few beheerst. Literatuur- en cultuurtheorie en activisme gaan bij hem naadloos in elkaar over. Dat deze strategie, die in academische kringen zeker geen dagelijkse praktijk is, zijn vruchten afwerpt, is bewezen doordat hij zelfs voor prins Charles geen onbekende bleek, toen hij hem ooit ten overstaan van een gehoor van studenten typeerde als ‘that dreadful Terry Eagleton’.
Recentelijk voegde Eagleton wederom de daad bij het woord in een hevige polemiek met de schrijver Martin Amis. In de herziene inleiding bij zijn nogal prozaïsch getitelde handboek Ideology: An Introduction uit 2006 verwijst Eagleton naar een opmerking die Amis maakt in een interview met de The Times.[1] In de nasleep van de aanslagen van 9/11, vertrouwt Amis zijn interviewster toe dat hij ‘soms de neiging voelt te zeggen dat de moslimgemeenschap het maar moet voelen, totdat zij haar eigen rotzooi heeft opgeruimd’, waarna hij opperde dat aan moslims in Groot-Brittannië reisverboden zouden moeten worden opgelegd, dat ze zelfs gedeporteerd zouden moeten kunnen worden. Volgens Eagleton vormen deze uitspraken de actuele, wrange, illustratie van het belang van ‘ideologie’ en ideologiekritiek. Amis’ strategie zou niet veel verschillen van die van partijen met een dubieuze politieke agenda (van neo-conservatieven tot de extreemrechtse British National Party). Achter de woorden van een schijnbaar respectabel Brits schrijver verschuilt zich een geschiedenis vol sociaaleconomische ongelijkheid en geweld, die in Amis’ zelfbenoemde westerse slachtofferschap onbenoemd blijven of zelfs omgekeerd worden.
In de Britse media loopt de polemiek al snel uit de hand, zozeer zelfs dat Eagleton beschuldigd wordt van broodnijd (Amis zou kort na Eagletons aanval creative writing gaan doceren aan dezelfde universiteit te Manchester waar ook Eagleton werkzaam is).[2] Maar wat de woordenstrijd vooral laat zien is dat theorie en praktijk, wat Eagleton betreft, geen gescheiden domeinen zijn. Hij weet een onderwerp, ‘ideologie’, dat bij herhaling dood is verklaard weer op de agenda te zetten door het tot de inzet van een heftige polemiek te maken.
Het lijkt alsof er voor Eagleton nog iets anders op het spel staat. Amis’ ietwat curieuze gedachte-experiment is namelijk onderdeel van diens uiterst kritische houding ten opzichte van religie. En hoewel Eagleton zichzelf uitdrukkelijk als marxist presenteert, vormt religie een rode draad in zijn werk. Hij weigert de al te gemakkelijke afwijzing van religie op grond van het westerse verlichtingsdenken en evenmin ziet hij haar als de spreekwoordelijke ‘opium voor het volk’. Maar laat dit nu precies het argument zijn dat Amis gebruikt. De irrationaliteit van religie, de claim van het ‘onbekende bekende’, zoals hij het noemt – God of het paradijs – kan geweld rechtvaardigen wat de scheidslijn tussen religie en totalitaire ideologie gevaarlijk dun maakt.[3]
Vanaf zijn vroegste teksten heeft Eagleton juist het bevrijdende potentieel dat zich ook ophoudt in het ‘onbekende bekende’ van religie willen onderstrepen. In dat opzicht staan religieuze en moderne sociaalgeëngageerde – lees: marxistische – idealen helemaal niet lijnrecht tegenover elkaar. Maar de voornaamste reden voor Eagletons irritatie is dat Amis’ het begrip religie gelijkstelt aan gevaarlijke ‘ideologie’, waarbij het enige alternatief slechts de onafhankelijke, westerse, kritische geest zou zijn. Amis houdt hiermee juist de fictie van de onafhankelijke geest in stand, en verhult de maatschappelijke, politieke en aan klassen gebonden voorwaarden voor het bezit van een ‘onafhankelijke geest’.
Eagletons polemiek met Amis sluit aan op zijn recente publicaties, hoe verschillend de onderwerpen ook zijn die ze aansnijden (van kritiek op postmoderne theorieën tot de erfenis van de klassieke tragedie). In After Theory (2003), Sweet Violence (2003), Holy Terror (2005) en The Meaning of Life (2007) keert de religieuze ervaring en haar doorwerking in onze cultuur en haar politieke belang telkens terug. Lezers en critici die Eagleton kennen als marxistisch criticus van het eerste (en laatste) uur, hebben wellicht moeite met deze ‘religious turn’ in zijn werk. Maar los van het feit dat hij niet de enige is, gezien de vele bewonderde hedendaagse denkers die interesse tonen in religie (van Jacques Derrida en Jean-Luc Nancy tot Jurgen Habermas), heeft religie welbeschouwd altijd een rol gespeeld in zijn werk, ook in de studies waarmee hij zijn status als paus van de linkse cultuurtheorie verwierf. Wie er zijn eerste boeken op naslaat, zoals The New Left Church (1966), ziet dat zijn carrière en denken zich heen en weer bewegen tussen Moses en Marx.
De linkse kerk: Christus, Marx en ‘theorie’
In de autobiografische vertelling The Gatekeeper (2001) schetst Eagleton hoezeer het milieu van Ierse arbeidsmigranten in Noord-Engeland, waaruit hij afkomstig is, was verbonden met het katholicisme. De onmondigheid van zijn ouders en buurtgenoten was niet het gevolg van een onderdrukkend katholicisme, dat met een beroep op bijbel en traditie sociale tegenstellingen in stand zou houden. Integendeel: het christendom dat Eagleton beleden ziet in de arbeidersbuurten van Manchester, staat een politiek bewustzijn niet in de weg: ‘het evangelie nodigt ons uit om de realiteit van de menselijke geschiedenis te overdenken middels het gebroken lichaam van een politiek misdadiger’, schrijft hij. [4]
In vroege boeken als The New Left Church en zijn bijdragen aan het progressieve katholieke tijdschrift Slant, zijn veel van Eagletons thema’s al aanwezig: de onontkoombaarheid van de geschiedenis (en de heel concrete materiële verhoudingen die deze geschiedenis bepalen) en de noodzaak om vervreemding en individuele kwetsbaarheid om te buigen naar gemeenschappelijk verzet. Voor Eagleton is cultuur de inzet van een dergelijk ethisch-politiek programma. Hij onderstreept steeds opnieuw de verknooptheid tussen cultuur – met name literatuur – en de politieke en maatschappelijke werkelijkheid.
Met niet alleen de lessen van het geëngageerde katholicisme uit zijn jeugd, maar ook die van de jonge ‘humanitische’ Marx en Jean-Paul Sartre in het achterhoofd, wijst Eagleton op de onhoudbaarheid van de Britse esthetische traditie die, in navolging van Matthew Arnold, cultuur definieerde als ‘the best that has been thought and said’, en die van ‘hoge’ cultuur een gescheiden, abstract domein maakte. Eagleton beklemtoont echter de emancipatoire kracht van literatuur, en de kansen die literatuur heeft om direct verschil uit te maken in de werkelijkheid. In zijn laatste expliciet ‘katholieke’ boek, The Body as Language (1970), wijst hij op de dubbelheid van taal en symboliek. Enerzijds bieden (taal)tekens ons de valse mogelijkheid de wereld en anderen te reduceren (of beter: te abstraheren) tot begrijpbare en manipuleerbare dingen, ontdaan van hun fysieke aanwezigheid, kwetsbaarheid en gelijkenis met onszelf, anderzijds maken taal en symboliek communicatie en communie mogelijk, die ons in staat stellen een ware, klasseloze gemeenschap te creëren. We zien hoe in Eagletons vroege werk langzaam maar zeker, christelijke thema’s en denkfiguren onlosmakelijk verbonden raken met een marxistisch vocabulaire.
Vanaf de vroege jaren zeventig werpt Eagleton zich steeds nadrukkelijker op als marxistisch literatuur- en cultuurtheoreticus. Criticism and Ideology is Eagletons meest drastische en theoretisch uitgesponnen poging om tot een overkoepelende marxistische ‘wetenschap van de tekst’ te komen. In navolging van Louis Althusser en Pierre Machereys structuralistisch marxisme stelt Eagleton dat er voor de literatuur geen ontsnappen is aan ideologie, maar dat zij wel de breuklijnen en blinde vlekken ervan kan weergeven.
Eagletons conceptueel radicalisme zet zich voort in zijn voortdurende betrokkenheid bij wat in de jaren zeventig en tachtig (met hoofdletter) ‘Theory’ heet: een amalgaam van structuralistische en poststructuralistische ideeën, feminisme en psychoanalyse (waarin denkers als Jacques Derrida, Julia Kristeva en Jacques Lacan hoofdrolspelers zijn). Literary Theory: An Introduction (1983) toont Eagletons talent om op juiste moment in te spelen op nieuwe en relevante ideeën. Het handboek wordt een academische bestseller en blijft een van de meeste invloedrijke Engelstalige cultuurtheoretische overzichten, waarin het kritische en subversieve potentieel van Theory wordt verkend. Eagleton kondigt hierin het einde aan van de traditionele literatuurstudie aan door de gentleman scholar: ‘theorie’ is van strategisch belang in de strijd tegen het liberaal humanisme dat het denken over cultuur te lang in zijn greep heeft gehouden. Tegelijkertijd benadert Eagleton, als altijd, zijn onderwerp met de nodige polemische scherpte en scepsis. Hij verwijt theoretici als Derrida dat de nadruk op de deconstructie van tekensystemen de geschiedenis, en met name die van de (sociale) kwetsbaarheid van de mens, dreigt uit te wissen. De intellectuele radical chic blijkt niet in staat het permanente lijden en de even permanente hoop, een plek te geven.
Het is de Duits Joodse filosoof Walter Benjamin (1892–1940) die Eagleton een ander, zowel marxistisch als messianistisch model laat zien. In het boek Walter Benjamin (1981) stelt Eagleton dat een kritische (her)interpretatie van culturele tekens wel degelijk ook met oog op de geschiedenis uitgevoerd kan worden: door opmerkzame herlezing kan de criticus opnieuw een stem geven aan door de geschiedenis vergeten en onderdrukte groepen. Op die manier kan hij de emancipatoire en zelfs utopische vonk opnieuw doen oplichten, waardoor zij ook een hedendaags en toekomstig bevrijdend potentieel krijgt. Net als Benjamin zal Eagleton van het sluimerende ‘onbekende bekende’ de motor achter zijn werk maken in de volgende twee decennia.
Van Ierland naar Irak
In de jaren negentig is Eagletons aandacht steeds vaker gericht op Ierland. In Heathcliff and the Great Hunger (1995) toont hij aan dat de geschiedenis van Ierland – het eerste slachtoffer van de Engelse koloniale expansie – niet alleen ontbreekt in de ‘officiële’ Britse geschiedschrijving, maar ook in de progressieve cultuurtheorie. De studies, maar ook de toneelstukken zoals Saint Oscar (over Oscar Wilde) en Saints and Scholars, die Eagleton in de jaren negentig aan de moderne Ierse geschiedenis en cultuur wijdt, snijden een aantal thema’s aan die al sinds lang afwezig zijn op de dominante cultuurtheoretische agenda – de gemeenschap, zelfopoffering voor een politiek doel, ethiek en moraal – maar die al doorklonken in zijn Eagletons vroeg teksten als The New Left Church.
Deze thema’s cirkelen in feite rondom dat wat bijna vergeten, of in ieder geval verdrongen was in het westerse (linkse) naoorlogse denken: religie. Net als in zijn ideologiekritische werk, blijft Eagleton wijzen op de ‘blinde vlekken’ in ons wereldbeeld. Zijn betrokkenheid bij Ierland vormt voor Eagleton de opmaat om zich in zijn meeste recente werk zonder meer te storten op religieuze vraagstukken. De reactie op de aanslagen van 9/11, de oorlog in Irak, de uitspraken van Donald Rumsfeld of die van Martin Amis, geven aan dat er tegenwoordig weinig rekenschap gegeven wordt van het ‘onbekende bekende’. In After Theory en Holy Terror schetst Eagleton de ontoereikendheid van het recente westerse denken tegenover het islamitisch fundamentalisme. Dit fundamentalisme wijst hij af als totalitair nihilisme – de politieke vertaling van Freuds doodsdrift. Maar onze heftige reactie erop toont tegelijkertijd de huiver voor de grote woorden van de van anti-essentialisme doortrokken cultuurtheorie, terwijl de confrontatie met het fundamentalisme juist vraagt om grote woorden als goed en kwaad, hoop, menselijkheid (en een hernieuwde, positieve invulling hiervan).
Zijn boek Sweet Violence (2003) benadrukt de rol die religie, religieuze denkfiguren en vertelvormen kunnen spelen in het vinden van nieuwe modellen die ons niet langer de keuze laten tussen verstikkend fundamentalisme en volstrekt amoreel geglobaliseerd kapitalisme. Zoals in Eagletons vroegste werk wordt religie opnieuw bezien in termen van gemeenschap en gelijkheid, als de motor achter een ethische en maatschappelijk-culturele ommekeer.
Tegelijkertijd wijst Eagleton, zoals gezegd, al te dwingende idealistische en ethische religieuze denkfiguren radicaal af. Zijn (hernieuwde) interesse in theologische vraagstukken vormt zeker geen afwijzing van de materialistische kijk op de wereld en de geschiedenis die het marxisme hem voorschrijft. In tegendeel, Eagletons definitie van ‘religie’ blijkt onverkort materialistisch.
Religie stelt het lichaam – in het bijzonder het lijdende lichaam – centraal. In zijn recente pamflet Holy Terror (2005) toont Eagleton dat de wortels van het terrorisme dan ook gezocht moeten worden in gedeelde menselijke ervaringen, zoals die van lijden en onderdrukking, en de ‘terreur’ – de angst, fascinatie en de vergelding – die deze oproepen. Noch het historisch relativisme van de linkse cultuurkritiek heeft oog voor deze ten diepste menselijke ervaringen, noch de name-and-shame retoriek van Martin Amis, die uiteindelijk niets anders doet dan de oorzaken van het terrorisme bij een veronderstelde Ander te leggen, die ver genoeg van onszelf af staat om ons geen ongemakkelijke vragen over de universaliteit van het lijden en de terreur die het oproept te hoeven stellen.
Eagleton heeft met zijn metaphysical turn dus zeker geen reactionaire draai gemaakt. In zijn werk over religie geeft hij blijk van een onvermoeibaar militante geest. Evenals de marxistische traditie biedt religie (met name het katholicisme) Eagleton een rijkdom aan affectieve en bevrijdende verbanden die het waard is op het scherpst van de snede te verdedigen.
Voor meer informatie zie: www.nowisthetime.nl
Noten
- Voor de volledige tekst van het interview met Amis, zie de website van journaliste Ginny Dougary: www.ginnydougary.co.uk
- Zie ook Eagletons commentaar in The Guardian op de polemiek met Amis: www.guardian.co.uk/commentisfree/2007/oct/10/comment.religion
- www.guardian.co.uk/world/2006/sep/10/september11.politicsphilosophy andsociety
- Terry Eagleton, The Gatekeeper, Allen Lane, Londen 2001, p.16.













