Evolutie, Oud en Nieuw

De Schirn Kunsthalle in Frankfurt is een van de eerste museale instellingen die inspeelt op het Darwin jaar 2009. Er is een grote tentoonstelling te zien die de invloed van de darwinistische oorspronggedachte onderzoekt op de geschiedenis van de kunst. Als voorbeschouwing op deze tentoonstelling een column over de actualiteit van Darwins denken.


Materie, energie en informatie, daaruit bestaat het universum volgens de natuurkundigen. Dat er zoveel boeken van fysici zijn met God in de titel en in de lopende tekst, komt doordat zij de werkelijkheid beschrijven op het niveau waar God ook op werkt: dat van de allerkleinste deeltjes en de allergrootste lichamen ver in de ruimte. Universeler kan niet. Biologen daarentegen werken op een smalle strook daar tussenin: hun theorieën zijn alleen van toepassing op aarde en gaan niet over universele verbanden, maar over één soort of één combinatie van soorten in een ecosysteem dat alleen hier kan bestaan, in onze atmosfeer en op onze bodem.

Voor biologen verschilt de aarde van alle andere planeten doordat ze geheel is gevormd door levende lichamen: de atmosfeer bevat veel meer vrije O2 dan fysisch en chemisch mogelijk is, en dat komt doordat die zuurstof permanent door levende wezens wordt aangevuld. Het gesteente op aarde bestaat voor een groot deel uit de restanten van gestorven planten en dieren: de krijtrotsen (algen), het silicium (diatomeeën), en het schijnt dat zelfs graniet nog vergeven is van de levende wezens, bacteriën vooral. Gezonde bos- of akkergrond bestaat voor tachtig procent uit levende organismen, bacteriën, diatomeeën, wormen, kevers, insecten, blauwwieren, schimmeldraden, plantenwortels, en alles werkt op elkaar in: een levende bodem is een interactief systeem.

Het idee van een levenloze natuur en van niet-organisch leven komt de bioloog uiterst verdacht voor. Het grote bezwaar tegen de landbouwindustrie is dat voor de meeste biotechnische gewassen de grond met chemisch geweld vermoord moet worden en daarna met steeds meer landbouwgif dood moet worden gehouden om de al te kwetsbare gewassen een kans te geven te overleven en te produceren. Dood is op aarde iets kunstmatigs, leven gaat vanzelf. Wat Darwins bijdrage aan de evolutietheorie zo overweldigend maakte, was dat hij niet alleen op filosofische gronden beweerde dat de materie altijd actief bezig is om steeds complexere of ‘volmaaktere’ verbanden aan te gaan – zoals een verlichte materialist als Diderot al poneerde aan het eind van de achttiende eeuw –, maar dat hij, Darwin, ook aan de hand van een hele reeks voorbeelden aantoonde hoe dit in zijn werk gaat en wat dan de uitkomsten zijn. Darwins evolutieleer bestaat uit drie elementen: willekeurige variatie, natuurlijke selectie en een erfelijke drager die de uitkomsten van een en ander vastlegt en doorgeeft aan nakomelingen.

Maar onder dit biologische mechanisme ligt een fysische grondslag: de levende materie. Er is geen God nodig om de materie levensadem in te blazen, ze brengt die zelf voort. Darwin schrapte de oorsprongsmythe van een door God geschapen natuurlijke orde en verving die door een oorsprongsmythe waarin de materie het heft in handen heeft. Neem de recente ontdekking dat er al vier miljard jaar geleden bacteriën op aarde leefden, een half miljard jaar na het ontstaan van onze planeet. Nu is vijfhonderd miljoen jaar best lang, maar daarin moest de vuurbol wel zo sterk afkoelen dat niet alles meteen weer verbrandde, moest er zee en land worden aangelegd, en werden de eerste levensvormen ontwikkeld. Blijkbaar ontstaat leven heel snel als de omstandigheden het toelaten. Daar is geen Eden voor nodig en ook geen Beheerder van de Tuin.

En toch hoeft de evolutietheorie niets af te doen aan het christelijk scheppingsverhaal. God is ook meer een ervaring dan een natuurwetenschappelijke theorie. Dat bepaalde gelovigen de evolutietheorie afwijzen komt omdat ze deze niet helemaal hebben begrepen: je hoeft er niet in te geloven, het is alleen maar een verklaringsmodel, maar wel een heel goede. De materie doet het zelf, en kijk wat een variatie, wat een rijkdom, wat een subtiele verbanden en slimme oplossingen. Als je maar genoeg zenuwcellen schakelt ontstaat er vanzelf besef en bewustzijn, gevoel, ‘the feeling of what happens’. De geest is een representatie van wat er in de materie gebeurt. Eerst ga je huilen, dan word je verdrietig.

In zo’n wereld is God niet meer nodig, niet omdat Hij niet bestaat, maar omdat de wereld al vol is zonder Hem. Is dat goed of is dat slecht? God is iets persoonlijks geworden, een gevoelsfrequentie zoals je die ook voor bepaalde gedichten of foto’s kunt ontwikkelen. Je mist het niet als het er niet is, constateer ik aan niet-gelovig opgevoede geliefden. Ik zal het Godsgevoel nooit meer kwijtraken, hoezeer ik ook de opvatting deel dat de materie het grote wonder is, of beter gezegd de drie-eenheid van materie, energie en informatie. Ik ervaar Hem als een psychologisch effect, maar wel een mooi (ik heb geleerd de toornige God uit mijn jeugd te verjagen).

Dat hele, eens in de zoveel tijd uit de mottenballen gehaalde debat over evolutie versus schepping gaat terug op de Duitse verspreider van de evolutieleer, de zoöloog Ernst Haeckel. Deze had de jonge vrouw van wie hij zielsveel hield zien sterven en had toen voor eens en altijd geweten dat de kerk ons maar wat voorliegt, er bestaat alleen maar materie, een onsterfelijke ziel is er niet. Ik denk dat een materialist tegenwoordig best gelovig kan zijn, en een gelovige ook materialistisch kan denken. Probeer het verschil nog maar eens te snappen, mij lukt het niet meer.

God is een metafoor voor de materie. En de materie leeft, organiseert zich, probeert het opnieuw. De evolutietheorie gaat niet over de zin van het leven, maar over de oorsprong, het ontstaan van soorten, hun variatie en interactie. Zo heel belangrijk is zo’n historische kijk nu ook weer niet: mooi dat er samenhang bestaat, maar wat kan er nog meer gebeuren, wat ontwikkelt zich nu naar of uit de toekomst? Behalve materie, energie en informatie is er ook het virtuele: dat wat niet bestaat maar wel kan bestaan, de mogelijkheidsruimte waardoorheen de materie zich ontwikkelen kan, binnen grenzen maar met een grote vrijheid. Dat is geen oorsprongsmythe meer, maar de toekomst.

Arjen Mulder is bioloog en essayist, Amsterdam.

Darwin: Kunst und die Suche nach den Ursprüngen
Schirn Kunsthalle Frankfurt
6 februari t/m 3 mei 2009

Alle kunstenaars die zijn geselecteerd voor de tentoonstelling Darwin: Kunst und die Suche nach den Ursprüngen delen een interesse in de natuurwetenschap en de theorieën van Darwin. Te zien zijn zo’n 150 schilderijen, tekeningen en lithografieën, maar ook zeldzaam documentair materiaal. De tentoonstelling laat werk zien van kunstenaars als Martin Johnson Heade, František Kupka, Odilon Redon, George Frederic Watts, Arnold Böcklin, Gabriel von Max, Alfred Kubin, and Max Ernst, en beslaat een periode van 1859 tot het midden van de twintigste eeuw.

Bestel dit nummer

Bestel het nummer waarin dit artikel is verschenen:

Bestel nu
Neem een abonnement op METROPOLIS M

Word nu lid en krijg het eerste jaar 40% korting op de winkelprijs

Bestel nu
METROPOLIS M Webshop

Koop abonnementen, nummers, boeken en edities in de webshop

Ga naar de webshop