Bestaat er zoiets als een generatie? Wat zijn haar kenmerken? De huidige generatie van eind twintigers, begin dertigers wordt gekarakteriseerd als tamelijk bourgeois, zeer professioneel en zonder rauwe randjes - wat zegt dat dan over degenen die haar definiëren. Bregje van Woensel ging in gesprek met socioloog en generatiegenoot Willem Schinkel over de zin en onzin van generatiedenken.
Willem Schinkel is theoretisch socioloog op afstand. Hij observeert en determineert de manier waarop we over sociale thema’s praten en doet dat op brutale en herhalende toon – hopend op een interventie in het denken.
In Denken in een tijd van sociale hypochondrie, aanzet tot een theorie voorbij de maatschappij (oorspronkelijk uit 2007, in 2008 opnieuw uitgegeven in een vereenvoudigde en beknoptere versie: De gedroomde samenleving) toont Schinkel de performatieve, werkelijkheidscheppende aard van woorden. Hij toont aan hoe verzonnen politiek-strategische termen in hardnekkige werkelijkheidssituaties belanden en probeert dit alledaagse woordgebruik te ontwrichten, de vanzelfsprekende fundamenten om zeep helpen.
Dat Schinkel het woord ‘generatie’ niet serieus neemt is dan ook geen verrassing. Altijd benieuwd naar de nieuwe generatie zoeken we, binnen de belofte van maatschappelijke vooruitgang, naar nieuwe impulsen, naar de dragers van het optimisme. Het is 2009: 'Generatie Obama' dient zich aan. ‘Een nieuwe generatie Amerikaanse jongeren eigent zich via Obama de 21ste eeuw toe, met nieuw elan, optimisme, harmonie en engagement’, zo luidde VPRO’s Tegenlicht rond Obama’s piepjonge speechschrijver Jon Favreau. In Nederland zoemt het na: ‘Hoera, de nieuwe generatie schijnt geëngageerd te zijn!’ We praten erover, dus het is zo. Hoe benadert Willem Schinkel dit generatiedenken?
‘Het generatiedenken suggereert dat waarden en opvattingen niet kunnen veranderen gedurende de “loopbaan”. Men neemt stilzwijgend aan dat een opvatting van een huidige jonge veertiger, behorend tot de Generatie X, overeenkomt met de opvattingen die hij of zij had als pas afgestudeerde. Dat is natuurlijk niet zo. Zelfs als je verschillen kunt detecteren tussen verschillende generaties, dan heb je nog niet zoveel aangetoond. De echte vraag luidt dan of de huidige jonge generatie verschilt van de vroegere jongere generatie.
Generatie moet je opvatten als een letterlijk iets, er wordt als het ware “iets gegenereerd”. Dat kan een creatief principe zijn, gevoerd door de generatie zelf. Maar als het gebruikt wordt door een ander, in de vorm van determinatie, dan krijg je dat een bepaalde generatie door bepaalde kenmerken wordt getekend. Als je op zekere leeftijd bent, wordt je leven enkel en alleen in dat licht gezien. Hiermee wordt het een disciplinerend principe in plaats van een creatief principe. Het is enigszins analoog aan hoe Hegel het onderscheid formuleert tussen een bewustzijn an sich en een bewustzijn für sich. Für sich, dat is in dit geval de blik achteraf. Vaak is dat de blik van anderen en na verloop van tijd – als een generatie van de geest in zekere zin uitgeput is en niet langer generatief is – wordt zo’n vastgepinde identiteit ook door de mensen zelf toegeëigend. Die gaan zich dan herkennen als bijvoorbeeld “de generatie van ‘68”. Iedereen die dat zegt, geeft impliciet toe dat ‘68 in de huidige tijd niets meer genereert. Het is geen creatief principe meer, als het dat ooit was.
Wat een generatie van de geest doet, is het sleutelen aan de canon, die van de kunst bijvoorbeeld. Een generatie kentert, verandert, slaat nieuwe wegen in en vestigt nieuwe namen. Vervolgens institutionaliseert ze zich. Die vastlegging maakt zo’n generatie heel rigide. Het haalt het creatieve moment er uit. Tegelijkertijd heeft het een identiteit aan een generatie gegeven. Men kan zich hierin herkennen en gaat zich naar de geformuleerde determinatie gedragen. Achteraf worden herkenningspunten vastgelegd: o ja, dit is mijn generatie. Dus dat wat eerst onzeker is en vervolgens is uitgehouwen door de generatie van de geest, dat is de generatie van het lichaam geworden.’‘Kafka heeft het in een van zijn korte verhalen, getiteld Der Kreisel (De tol), over een filosoof die kinderen begluurt terwijl ze met een tol spelen. De filosoof wacht telkens het moment af waarop de tol begint te draaien om hem dan te kunnen pakken. Hij gelooft namelijk dat het begrijpen van iedere kleinigheid, dus ook bijvoorbeeld van een draaiende tol, voldoende is voor het begrip van het algemene. Dus die man pakt de tol, maar de magie is er af. Hij probeert het weer eens en nog eens. Het benoemen betekent het vastpinnen van een generatie van het lichaam op het pad dat ze als generatie van de geest bewandeld heeft. Het betekent een erkenning van de productiviteit en de creativiteit ervan, maar tegelijkertijd een erkenning van de eenzijdigheid en de beperktheid ervan. Dat is het tragische aan een generatie, ze kan genereren, maar altijd maar beperkt. Niet alle initieel aanwezige generatieve mogelijkheden kunnen geactualiseerd worden.
Het jeugdige idee dat het niet goed is om te blijven bij wat er is, dat het mijn taak is om te zeggen dat het anders moet - dat is iets wat ook typisch is voor de kunst. Daar heerst die attitude zelfs als ideologie, er is geen discipline waarin jeugdigheid zo belangrijk wordt gevonden. Althans, de suggestie van jeugdigheid natuurlijk, in de kunstwereld probeert men zich jeugdiger voor te doen dan men is. Omdat jeugdigheid een waarde is. De belofte van de generatie in letterlijke zin: de creatie. Kunst is bij uitstek een discipline waarin voortdurend creatie nodig is. In de wetenschap zijn nieuwigheid en talent zeer rigide in banen geleid. Echt radicaal anders kun je de dingen niet doen binnen die instituties. Je hebt een stijl nodig om iets te veranderen. Stijl is de eenheid van het verschil tussen vorm en inhoud. Cruciaal is hoe deze verhouding geactualiseerd wordt, hoe er met gangbare stijlen kan worden gespeeld.
Het probleem is dat andere invloeden van andere generaties van het lichaam niet meetellen, terwijl die mij wel vormen. Een andere factor is dat slechts een paar personen binnen een generatie succes hebben. Deze “overwinnaars” dwingen op symbolische wijze de generatiegenoten zichzelf te zien binnen de termen van de winnaars en zich te definiëren in termen van hun succes. Ook al was je er niet bij in 1968 en heb je niet echt meegedaan, je wordt gezien in relatie tot de karakteristieken en kwaliteiten van die generatie. Het is ergens altijd schijn dat een volgende generatie iets nieuws doet. Uiteindelijk doet ze in sociologische zin precies hetzelfde, want iedereen probeert creatief te zijn. Het is een cirkel: het moet allemaal anders, er is een avant-garde, deze wordt geïnstitutionaliseerd en gecanoniseerd en het vernieuwende is er uit. De daaropvolgende generatie roept heel strategisch dat de vorige generatie oud en established is, enzovoort. Enerzijds is het dus een intern conflict, de generatie schakelt een groot deel van zichzelf uit omdat ze in het licht van haar kleine groep winnaars wordt gezien. Anderzijds reproduceert een generatie het conflictmechanisme ten opzichte van eerdere generaties.
Dus, een generatie zet zichzelf af tegen een andere generatie en genereert daarmee een zeker beeld van zichzelf. Maar veel belangrijker, ze genereert vooral het beeld van de generatie vóór haar. Voor het beeld dat een generatie van zichzelf schetst, is zo'n generatie uiteindelijk volledig afhankelijk van de erkenning en herkenning door andere generaties. Je kunt een beeld van jezelf schetsen, maar het zijn anderen die uiteindelijk je identiteit valideren. Generatie X, Nix, Y, Z of $? Geen idee, en dat is dus het soort vraag dat me oninteressant lijkt.’‘Wij zijn schuldig aan de generatie die we zijn volgens de generatie na ons, de schaamte voelen we straks achteraf. Wat generaties met elkaar doen is het projecteren van eigen schaamte. Bijvoorbeeld, als die generatie voor ons zo hard heeft gedemonstreerd en zo geëngageerd was en onze generatie kennelijk niet, hoe komt het dan dat wij hieruit zijn voortgekomen? En zijn wij het werkelijk die schuldig zijn aan het generatieve proces waaruit we zelf zijn voortgekomen?
Demonstreren in de fysieke publieke ruimte op straat is niet de vorm meer, demonstraties bewegen zich nu op internet. Pamflettisme vindt plaats in de ruimte van de media, activisme achter de computer. Het is zelfs een zeer strategisch engagement dat je nu ziet: blogs, het journaal met verlengd applaus. GeenStijl veronderstelt het al in de naam: ze hebben geen stijl, ze houden zich niet aan welke regel dan ook. Dat is natuurlijk altijd paradoxaal, het hebben van geen stijl is daarmee ook stijl geworden. Zonder regels en mores. Dat zijn de regels. Het is strategisch deze te verdrukken. Zoals de filosoof Rancière recent ook gesproken heeft over het verdrukken, het wegdrukken van het politieke in de politiek. GeenStijl is eigenlijk een manifestloos manifest.
Het is manifest in letterlijke zin: manifest an sich, het is er. Overigens een uiterst conservatief manifest, namelijk de wens om de maatschappij te houden zoals ze is. Vroeger was een manifest juist progressief van aard, het werd ingezet om dingen te veranderen. De vraag is nu: wie is je markt, wie is je lezerspubliek? Een manifest dat na het schrijven nog gelezen moet worden, is tegenwoordig niet manifest genoeg. Vandaar dat GeenStijl zo’n succes heeft, het gebeurt real time en men streeft tegelijkertijd naar een gedeeld idee.
We zijn postpolitiek, postideologisch en we zweven in een populistisch principe. Dat geldt niet alleen voor extreem rechts of links. Het is de reguliere politiek die volgens populistisch principe postpolitiek bedrijft. De VVD die op een poster, nota bene voor de EU-campagne, zet: ‘voortaan voor iedereen die straf verdient: straf’. Er heerst geen visie, geen creatie, de toon is puur regressief. Als het werkelijk lukt hiermee een nieuwe generatie aan te spreken, dan stopt de generatie van het genereren, dan maken ze van deze generatie een regressie.
Ik zie het als mijn taak mijn eigen generatief potentieel daartegen in stelling te brengen. We zijn moe van moeten, moe van anders moeten, van kritiek en van opstand. Daartegen zou ik met al mijn energie en met die van mijn generatie van de geest – wie daartoe ook behoren, dat zien we pas achteraf – willen stellen: we zijn nog niet begonnen alternatieven in stelling te brengen. We zijn nog niet begonnen onze energie creatief in te zetten in een koers naar de limiet die politiek heet.’Bregje van Woensel (1974) is curator van Museum De Paviljoens in Almere















