In het Centraal Museum is deze herfst een tentoonstelling te zien over de wisselwerking tussen de Nederlandse en Indonesische beeldende kunst van 1900 tot heden: Beyond the Dutch. Meta Knol, onlangs aangetreden als directeur van de Stedelijk Museum de Lakenhal in Leiden, is samensteller van de tentoonstelling. Ze licht de achtergronden van het project toe.
Cathelijne Dapiran:
Waarom deze tentoonstelling in het Centraal Museum? Ik kan me niet herinneren dat dit museum eerder soortgelijke tentoonstellingen heeft georganiseerd.
Meta Knol:
‘Nee dat klopt, maar in de zoekende beweging van het museum past het wel goed, evenals in de koers die Edwin Jacobs [directeur sinds april] voor heeft met het museum. De concrete aanleiding voor de tentoonstelling was de veelbediscussieerde prijsvraag die de Mondriaan Stichting in 2005 had uitgeschreven ter stimulering van de culturele diversiteit. Op uitnodiging van Pauline Terreehorst, de toenmalige directeur van het Centraal Museum, schreef Michaël Zeeman een driedelig plan voor een project, met het boek Orientalism van Edward Said als uitgangspunt. Het museum kreeg voor dit plan een onderzoeksbudget van tienduizend euro. Toen kwam bij mij de vraag of ik het eerste deel over Indonesië in de negentiende eeuw wilde gaan uitwerken. Ik vond dat alleen interessant als ik vanuit die tijd ook een brug naar het heden kon slaan. Ik wilde een tentoonstelling maken over het verband tussen de Nederlandse kunst en de Indonesische kunst en naar de manier waarop die ontwikkelingen in de loop der tijd zijn beïnvloed door veranderende politieke omstandigheden.’
Cathelijne Dapiran:
Had u ook een persoonlijke affiniteit met het onderwerp?
Meta Knol:
‘Ik ben al lang samen met Fernand de Willigen, de kleinzoon van Beb Vuyk [een van de belangrijkste auteurs over Indonesië]. Zijn ouders zijn Indonesisch en van hem heb ik iets van het spanningsveld tussen de Nederlandse en Indonesische cultuur meegekregen. We hebben in 1996 een lange reis hebben gemaakt naar de Molukken en toen ook wat Bahasa Indonesia geleerd om te kunnen praten met de familie.’
Cathelijne Dapiran:
Hoe bent u te werk gegaan?
Meta Knol:
‘Ik heb drie onderzoeksreizen gemaakt naar Indonesië, die steeds fijnmaziger werden. Voor mijn eerste reis heb ik bewust mijn kennis pas aangevuld op basis van die eerste beleving, toen ik terugkwam. Tijdens de tweede reis heb ik me laten adviseren door een curator die heel erg goed op de hoogte is van de Indonesische kunstwereld: Enin Supriyanto. Hij is uiteindelijk ook cocurator van de tentoonstelling geworden.’
Cathelijne Dapiran:
Waar komt de titel Beyond the Dutch vandaan?
Meta Knol:
‘Tijdens mijn eerste onderzoeksreis naar Indonesië, eind 2007, kwam ik terecht bij Ruangrupa, een kunstenaarsinitiatief in Jakarta - een levendige club met veel jonge mensen. Ik vroeg aan Ade Darmawan, de artistiek leider, hoe het zit met de invloed van Nederlandse kunstenaars op hedendaagse kunst in Indonesië. Hij antwoordde: “Come on Meta, we are beyond the Dutch!” Dat zette meteen de toon. Het werd de leidraad voor de tentoonstelling. In Nederland is het “tempo doeloe”-sentiment nog steeds zo hardnekkig bij veel mensen, het beeld van het verloren paradijs, “ons-Indië” en van een soort van mystiek oriëntalisme wat ze daarop projecteren. Dat is allemaal niet meer aan de hand. Veel mensen denken nog steeds dat Nederland in Indonesië “at the centre of attention” is.Op Java zijn al meer dan een halve eeuw kunstacademies. Kunstenaars hebben een eigen discours. Ook de geschiedenis spreekt het tegen. De Indonesiërs riepen in 1945 eenzijdig de onafhankelijkheid uit. Ze hebben vervolgens vier jaar moeten vechten totdat Nederland in 1949 onder druk van de VN die onafhankelijkheid erkende. Dat betekende een definitieve breuk met Nederland.’
Cathelijne Dapiran:
De tentoonstelling kent een bijzondere opzet: zij begint met de Indonesische kunst van 1900 tot heden en vervolgt dan met de aan Indonesië gelieerde Nederlandse hedendaagse kunst, vanaf nu tot 1900. Waarom heeft u ervoor gekozen om de Nederlandse en Indonesische kunst apart te presenteren en niet tegenover elkaar te plaatsen in één zaal?
Meta Knol:
‘Als ik dat had gedaan dan had je kunnen zien dat in de periode van het kolonialisme die werken inhoudelijk en stilistisch gezien vrij dicht bij elkaar liggen en dat vanaf de periode van onafhankelijkheid een enorm contrast gaat ontstaan. Ik vond het interessanter, als je het hebt over de dramaturgie van de tentoonstelling, dat je van het Indonesische verleden naar het Indonesische heden loopt, waarna het beeld als het ware omklapt en je van het Nederlandse heden terugloopt naar het Nederlandse verleden. Je krijgt dus niet een braaf ABC van de Indonesisch-Nederlandse kunstgeschiedenis voorgeschoteld.’
Cathelijne Dapiran:
Krijgt de Indonesische kunst een voorkeurspositie ten opzichte van de Nederlandse kunst? De tentoonstelling opent immers met een schilderij van de Indonesische kunstenaar Raden Saleh en kreeg de titel Beyond the Dutch. De route door de tentoonstelling start met enkel Indonesische kunst.
Meta Knol:
‘Het is een tentoonstelling die in veel verschillende lagen gelezen kan worden. Je gaat als toeschouwer heel snel door de tijd, van de periode rond 1900, via de periode van dekolonisatie en onafhankelijkheid rond 1950 naar de wereld van de hedendaagse kunst. En daarbij spelen allerlei zaken door elkaar. Je hebt de aard van de kunst zelf, de meer in de westerse klassieke traditie gewortelde kunst van de koloniale tijd en de kunst van rond 1950 waarin aan Indonesische zijde de emancipatiedrift manifest wordt. In Nederland zie je op dat moment een scheiding der geesten optreden, waarin ieder zijn eigen manier moet vinden om met de veranderende politieke omstandigheden om te gaan. Om een ander voorbeeld te noemen: in de tijd van Soeharto werd er enorm naar Amerika gekeken. Maar de hedendaagse kunstenaars in Indonesië nu, zoals Eko Nugroho, FX Harsono, Jompet en Tintin Wulia, voelen zich nadrukkelijk deel van het Zuid-Oost-Aziatisch netwerk. Hun werken worden getoond op tentoonstellingen en biënnales in Taipei, Banyu, Seoel, Tokio, Hong Kong, en in Australië: Sydney, Melbourne, Brisbane.
Ook in Nederland zijn veel kunstenaars die een band hebben met Indonesië, zoals Tiong Ang, Fiona Tan, Roy Villevoye. Dat werk wordt ook getoond. Uiteindelijk wil de tentoonstelling een evenwichtig beeld bieden. Indonesië wordt niet voorop gesteld in inhoudelijke zin, maar het is wel zo dat de motivatie van de tentoonstelling gedreven wordt door de behoefte om mensen op een ander been te zetten en ze beter te laten kijken naar de Indonesische kunst.’
Cathelijne Dapiran:
Kunt u wat dat betreft iets meer vertellen over uw selectie hedendaagse Indonesische kunstenaars?
Meta Knol:
‘In Indonesië ging echt de vlag uit toen in het Westen het postmodernisme werd erkend, want zij zijn van nature postmodern. Indonesische kunstenaars hebben een verleden dat volkomen gefragmenteerd is. Ze hebben een koloniale tijd gekend sinds de zeventiende eeuw. Ze kunnen hun eigen “cultuur” in die zin ook niet los zien van allerlei invloeden. Ze zijn op een bepaalde manier “onthecht”, maar dat “onthechte” maakt ook dat het een heel levendige, grillige, zoekende, experimenterende beweging is die ze laten zien. Van Agus Suwage tonen we bijvoorbeeld een installatie uit 1999, Pressure and Pleasure. In een militaire tent die refereert aan de onlusten tijdens de Reformasi-periode (1998) zijn fragmenten te zien van originele filmaffiches, die door de kunstenaar zijn overschilderd met zelfportretten. Suwage jongleert in dit werk met verschillende historische, actuele en persoonlijke betekenissen.’
Cathelijne Dapiran:
In de publiciteit voor de tentoonstelling wordt een ietwat politiekcorrect beeld gegeven van de Indonesische kunst. Is politieke correctheid te vermijden bij een onderwerp als dit?
Meta Knol:
‘De gekozen kunst is niet politiekcorrect. Er komt een werk van Soedibio in de tentoonstelling en op dat werk is te zien hoe Nederlandse militairen Indonesische mensen martelen; er is kunst uit de revolutionaire periode die gaat over de guerrillastrijd die nog steeds heel gevoelig ligt. De gevoeligheden en sentimenten ten aanzien van het Nederlands-Indonesische verleden zijn zo talrijk dat ze als vanzelf manifest worden. Een museum moet zijn publiek niet dicteren hoe ze dingen moeten interpreteren. Voor mij is de hele tentoonstelling opgezet als een vraag.’
Cathelijne Dapiran is masterstudent moderne kunst aan de Universiteit Utrecht
Beyond the Dutch
Indonesië, Nederland en de beeldende kunsten, van 1900 tot nu
Centraal Museum, Utrecht
16 oktober 2009 t/m 10 januari 2010
www.centraalmuseum.nl
Order This Issue Now
Order the issue that this article appeared in:
Order now
Subscribe to METROPOLIS M
Take a yearly subscription and receive METROPOLIS M every two months to your door
Order now
METROPOLIS M Webshop
Buy subscriptions, issues, books & limited editions at our webshop
Visit webshop