‘Nu wil ik voorbij de kunst gaan, voorbij de sensibiliteit, opgaan in het leven; ik wil de leegte betreden.’ Dit verlangen van Yves Klein werd in 1958 werkelijkheid toen hij besloot de galerieruimte van Iris Clert wit te schilderen voor zijn solotentoonstelling La spécialisation de la sensibilité à l’état matière première en sensibilité picturale stabilisée om zo een ‘ambiance, een oprecht picturaal en daardoor een onzichtbaar klimaat te creëren’.
Le vide (de leegte), zoals die tentoonstelling ook wel werd genoemd, wordt gezien als een mijlpaal in het gebruik van ‘leegte’ in een artistieke productie of presentatie. Het is daarom prominent vertegenwoordigd in Voids, A Retrospective, bestaande uit een omvangrijke tentoonstelling in Centre Pompidou met werken uit de recente geschiedenis waarin de leegte centraal staat (deze herfst te zien in Kunsthalle Bern) en een omvangrijke publicatie. Buiten Yves Klein wordt in de tentoonstelling werk getoond van onder anderen Art & Language, Robert Barry en Robert Irwin, Laura Parsons, Bethan Huws, Maria Eichhorn, Roman Ondák en Stanley Brouwn.
Het begrip ‘leegte’ wordt in de kunst vaak beschouwd als een vorm van non-presentatie, een weigering kunst visueel te presenteren. Maar je kunt je afvragen wat die leegte nog voorstelt nu zij in de kunst zoveel nieuwe vormen van representatie heeft voortgebracht. Waar is de ‘leegte’, als zij altijd afhankelijk is van een zekere vorm van ‘aanwezigheid’? Toen begin jaren zestig de commerciële markt rondom kunst toenam, reageerden kunstenaars sceptisch op de toegenomen complexiteit die dat met zich meebracht. Representanten van deze markt, zoals galerieën, collectioneurs en musea, werden geprovoceerd met radicaal conceptuele voorstellen. De Britse groep Art & Language ontwikkelde in 1966 The Air-Conditioning Show, een tekst gebaseerd op het zuurstofvolume dat circuleert door het airconditioningsysteem van de galerieruimte, Robert Barry verklaarde tijdens zijn tentoonstellingen in Amsterdam, Los Angeles en Turijn de galerie gesloten (Closed Gallery Piece, 1969-1970) en Robert Irwin liet de ruimte van de Ace Gallery in Los Angeles leeg, maar keerde met regelmaat terug om na te denken wat er geproduceerd en gepresenteerd zou kunnen worden (Experimental Situation, 1970).
Deze voorbeelden vormen de kern van de publicatie Voids, A Retrospective. Als catalogus gekoppeld aan de expositie, probeert de publicatie een historisch overzicht te geven over het gebruik van leegte in het tentoonstellingsdiscours. In het boek worden de werken uit de tentoonstelling uitgebreid gedocumenteerd. Daarnaast wordt in essays, interviews en tekstwerken geprobeerd het begrip leegte, en aanverwante begrippen als het niets, onzichtbaarheid, vergankelijkheid, deconstructie en afwijzing te duiden binnen de geschiedenis van de beeldende kunst, architectuur, wetenschap en esthetiek.
Dit is een nogal ambitieuze onderneming, en dat is meteen ook de kritiek die je kunt hebben op het boek: door de enorme hoeveelheid aan soms inwisselbare bijdragen komen de gemaakte keuzen onzorgvuldig over. Talloze voorbeelden passeren de revue, zoals Ray Johnson, Graham Stevens, Morgan Fisher, Ben Vautier, George Brecht maar ook recentere voorbeelden zoals Rirkrit Tiravanija, Urs Fisher en Cerith Wyn Evans. Bij de historische teksten wordt Yves Klein’s Le vide zo vaak aangehaald dat het waarschijnlijk beter was geweest een tot twee sterke essays te selecteren die dit gegeven kunsthistorisch in context weten te brengen, zoals bij het degelijke artikel van Benjamin H.D. Buchloh uit 1998.
In plaats van zich te concentreren op de politieke dimensie van de institutionele leegte, zoals bij klassieke teksten over de structuur en inrichting van het kunstinstituut (Brian O’Doherty, Allan Kaprow en Robert Smithson) of ideologieën die in leegte eindigden (Pavel Büchler), kiezen de redacteuren ervoor de doos van Pandora te openen. De bijdragen variëren van Duchamp en Malevich tot gepubliceerde ‘lege’ boeken, vervlogen muziek en Japanse kunst na Hiroshima. Ook de keuze om de publicatie in te delen in verscheidene secties zoals ‘leegte’, ‘niets’ en ‘deconstructie’ is wat ongelukkig. Het accentueert de inwisselbaarheid, en flauwe teksten zoals Sadie Plants Eleven thoughts on nothing of Arnaud Michniaks It’s not that vallen des te meer op. Het boek lezend begin je je steeds meer af te vragen of de redacteuren niet verdronken zijn in een thema dat veel duidelijker begrensd had moeten worden.
Ondanks al deze kritiek is de publicatie interessanter dan de tentoonstelling. Het zijn reconstructies van een aantal werken uit de recente kunstgeschiedenis. Maar de conceptuele lege ruimtes zijn ‘gereconstrueerd’ zonder veel respect voor het origineel. Deze totale decontextualisering zorgt ervoor dat de radicale experimenten met ruimte, institutionele systemen, materialiteit en identiteit van weleer worden glad gestreken door het concept van de curator.
Gelukkig werd dit gegeven voortijdig door Michael Asher ingezien toen hij verklaarde: ‘Al mijn installaties, die geen objecten bevatten maar alleen de ruimte presenteren, kaarten specifieke vraagstukken over die ruimte aan, en in het bijzonder haar context. Deze tentoonstellingen zijn niet vervoerbaar en deze werken actualiseren zou betekenen dat de betekenis van de originele tentoonstelling verloren gaat en het een ander werk zal opleveren, dat hoogstwaarschijnlijk andere kwesties aankaart.’
Asher gaf wel toestemming voor publicatie van documentatie en tekstbijdragen in de catalogus. Daarmee neemt hij de juiste beslissing want, in vergelijking met de tentoonstelling, heeft de publicatie wel degelijk recht van bestaan.
Krist Gruijthuijsen is freelance curator, Amsterdam
John Armleder, Mathieu Copeland, Laurent Le Bon, Gustav Metzger, Mai-Thu Perret, Clive Phillpot, Philippe Pirotte (red.)Voids/Vides: A Retrospective
jrp/ringier, Zürich/Centre Pompidou, Parijs 2009
ISBN 978-2-84426-393-3












