De toeschouwer bepaalt
Nancy Proctor over het mobiele museum

Alleen door zich veel afhankelijker te maken van zijn publiek, zal het kunstmuseum blijven bestaan. In het derde en laatste deel van een serie over de toekomst van het museum is Nancy Proctor aan het woord, specialist op het gebied van mobiele, digitale strategieën voor het museum.

Annet Dekker:
Wat zijn je gedachten over het gebruik van mobiele technologieën in musea?
Nancy Proctor:

‘Ik geloof dat veel van wat er gebeurt niet echt ver buiten het traditionele audiotourmodel gaat. Dit is niet noodzakelijk bedoeld als kritiek. Ik denk dat traditionele audiotours erg belangrijk zijn, en indien goed ontworpen kunnen ze een enorme verrijking zijn van de ervaring van een plek. Een traditionele audiotour, zelfs een met een lineaire opbouw, kan je in de verhalen en de inhoud trekken. Dat is fantastisch. Maar in de meeste gevallen die ik ken, zelfs die van recente datum, is daarmee ook direct de grens van het gangbare model aangegeven. Mobiele platforms die verder durven te gaan, stellen mensen in staat zelf curator of kunstenaar te zijn. Ze engageren hen op een heel directe manier, niet alleen met de collectie, maar ook met het hele idee van wat een museum is en doet, zaken die normaal niet bestemd zijn voor bezoekers.

Ik ben met name geïnteresseerd in wat er op dit gebied in kunstmusea gebeurt. Misschien is dat wel omdat we tot nog toe weinig hebben gedaan om andere ervaringen te bieden in die musea. Nina Simon [auteur van The Participatory Museum en het blog Museum 2.0 – red.] zei mij eens tijdens een bezoek aan het Smithsonian American Art Museum: “Als je naar een wetenschapsmuseum gaat, weet je dat veel van de ervaringen min of meer gericht zijn op het aansporen van de bezoekers om wetenschappelijk werk te doen, om een onderzoeker of een wetenschapper te zijn als een onderdeel van hun bezoek.” Maar er zijn nog niet veel kunstmusea die ervaringen creëren waarbij de bezoeker zelf kunstenaar of curator kan zijn. Kunstmusea hebben de neiging een meer passieve relatie met de bezoeker op te bouwen.’
Annet Dekker:
Wat betekent participatie voor jou? En waarom denk je dat participatie voor musea belangrijk is?
Nancy Proctor:
‘Ik zie participatie vooral in termen van conversatie. Ik ben uitermate geïnteresseerd in het leereffect van een gesprek. Het opvallende van een gesprek tussen twee mensen, zelfs als het specialisten zijn, is dat als er een derde partij meeluistert de dialoog zich opent en er ruimte ontstaat voor de derde partij om een opinie en ideeën in te brengen, zelfs bij het luisteren naar een podcast. Een dergelijk driehoeksmodel schept ruimte om te leren. Hierop doorgaand: ik denk dat iets leren alleen mogelijk is als de gegevens opnieuw worden gecommuniceerd. Onderzoek hiernaar heeft aangetoond dat je je kunt informeren zoveel je wilt, maar pas als de informatie ook hernomen wordt in een eigen geformuleerd argument, dan pas is er iets geleerd. Een museum zou hiermee zijn voordeel kunnen doen, door de museumbezoeker de rol aan te laten nemen van een docent of ambassadeur. Laat iedereen maar doorvertellen wat ze hebben gehoord en ervaren.’
Annet Dekker:
Je ziet meerdere taken voor de museumbezoeker, van betrokkenheid met de collectie tot aan een eigen opvatting van het museum in zijn geheel, en het uitdragen daarvan. Wat voor invloed heeft dit op de traditionele rol van het museum?
Nancy Proctor:
‘Een van de dingen die ik heb bepleit is het museum te zien als een “verspreid netwerk”. Het is niet alleen de technologie die dit mogelijk maakt, maar ook een culturele verschuiving die hand in hand gaat met de introductie van sociale media. Traditioneel communiceert het museum één kant op. Met zijn experts en zijn expertise, zijn inhoud en informatie die het verspreidt, beweegt het museum van binnen naar buiten: van het centrum naar het publiek dat zich eromheen begeeft. Maar we beginnen nu steeds meer te zien dat het museum zich op meerdere platforms gaat begeven, waaronder verschillende waar het museum geen invloed op heeft. Op Flickr bijvoorbeeld zie je foto’s van musea waar dan ook ter wereld, of fotograferen in het museum nu is toegestaan of niet. Je kunt musea vinden op Wikipedia, op YouTube, misschien zelfs op podcasts die niet door het museum zijn geproduceerd. Deze tendens is wat ik het museum als verspreid netwerk noem. In deze opvatting van het museum is er geen centrum meer. Het museum lijkt op een rizoom, op iets dat meer gemeen heeft met het internet.’
Annet Dekker:
Dit is een interessante vergelijking. Kun je er iets meer over uitweiden? Wat zijn de voornaamste voordelen voor het museum?
Nancy Proctor:

‘Ten eerste denk ik dat het museum zo langer behouden blijft. Een van de krachtige kenmerken van de structuur van het internet is dat het onmogelijk is om het gehele internet uit te roeien met een rechtstreekse aanslag op het centrum, omdat er geen centrum is – wat natuurlijk een van de strategische kenmerken ervan is (internet is een militaire uitvinding). Als je kijkt naar de missie van het museum, is een van de kerntaken dat het altijd blijft doen wat het moet doen. Het moet zijn collectie behouden, zijn collectie conserveren, het moet zijn collectie interpreteren, relevant maken voor het publiek en het zo toegankelijk mogelijk maken voor een brede groep mensen. En het moet dit allemaal “tot in de eeuwigheid” doen. Duurzaamheid is een absolute kernvereiste. Ik denk dat verspreide netwerken ongelofelijk duurzame structuren zijn. Als we namelijk via meerdere platforms een breed publiek geïnteresseerd krijgen in het museum en zijn collecties, zijn activiteiten en zijn primaire opdracht en boodschap, dan blijft het gesprek erover en dus de betrokkenheid ermee doorgaan, ook al heeft het museum er geen directe controle over.

Ten tweede, en dit houdt verband met een andere kernactiviteit van het museum, is er de kwestie van kwaliteit. Volgens mij wisselt het idee van kwaliteit van persoon tot persoon. Wat de een goed vindt, hoeft de ander niet goed te vinden. Evenzo zal wat relevant en belangrijk is, met elke generatie en elk moment in de tijd veranderen. Daarom moet de vraag van kwaliteit continu onderwerp van discussie zijn. Dit is waar de expertise van het museum in het spel komt, om ons te helpen een hoop ruis uit de discussie te filteren. Het museum als verspreid netwerk kan de kwaliteit van de informatie en de collecties verbeteren. Ook al denkt iedereen dat het gebruik van sociale media en bezoekers die de curator uithangen het idee van kwaliteit ondergraven of overstemmen, ik geloof dat we het op een andere manier moeten zien. Sociale media kunnen juist extreem krachtige hulpmiddelen zijn bij het vaststellen van de kwaliteit van collecties en de informatie die het museum erover verspreidt. Het is Joy’s Law die voorschrijft: “No matter who you are, the smartest people work for someone else”. Wired-hoofdredacteur Chris Anderson voegde hier aan toe dat je die mensen zelf niet kan vinden, maar zij jou wel.1 Het is daarom belangrijk om een manier te zoeken om die deskundige mensen naar je toe te trekken. Het Powerhouse Museum in Sydney heeft bijvoorbeeld fantastisch werk geleverd door het online plaatsen van hun gehele collectie, inclusief alle beheerinformatie en al het andere waarvan ze vermoedden dat het interessant kon zijn voor het publiek. En het werkte: “curatoren” en “wetenschappers” van buiten het museum, die veel over de objecten in de collectie wisten, zijn naar voren getreden en hebben het museum geholpen om die informatie aan de collectie toe te voegen en zo te verbeteren.

Musea zullen nooit de tijd en het budget hebben om al die informatie zelf te bijeen te brengen, dus waarom zouden zij niet de kans geven aan derden die er meer over weten? Het museum kan een belangrijke rol spelen door als betrouwbare autoriteit alleen maar te wijzen op die geweldige informatie over de collectie, die gepubliceerd is door derden.’
Annet Dekker:
Hoe zal dit de functie van museummedewerkers beïnvloeden?
Nancy Proctor:
‘Ik geloof stellig dat expertise wordt gevormd door gesprekken. Elke willekeurige specialist die eerlijk is, zal moeten toegeven dat wat hij weet een resultaat is van gesprekken die hij heeft gevoerd met andere kenners. We moeten simpelweg de communicatievaardigheden onderstrepen en erkennen dat kennis ontstaat vanuit een veelvoud aan verschillende perspectieven. De expertise van de curator zal niet langer beoordeeld worden op grond van wat hij weet of publiceert, maar op basis van de reikwijdte en kwaliteit van zijn netwerk.’
Annet Dekker:
Waar moeten musea vooral op letten in deze ontwikkeling? Hoe kunnen musea met beperkte capaciteiten omgaan met het mobiele museum of het verspreide netwerk?
Nancy Proctor:

‘Het is belangrijk dat musea zich niet gehinderd voelen door technologie, en niet denken dat participatie, leren en het model van het verspreide netwerk dingen zijn die geheel afhankelijk zijn van technologie. Je kan fantastische interactieve ervaringen bewerkstelligen met Post-it plakkers! We moeten de kant op van het museum als verspreid netwerk, dat zich voor een groot gedeelte zelf in stand zal houden. Maar dit wil niet zeggen dat het traditionele model helemaal zal verdwijnen. Ze bestaan naast elkaar en zullen dat waarschijnlijk altijd blijven doen. Er zullen altijd momenten zijn waarop het museum fungeert als de verspreider van kennis, tenminste voor sommige publieksgroepen. Het traditionele model verdwijnt dus niet, maar we zijn tegenwoordig wel in staat om andere modellen, zoals het verspreide netwerk, in te zetten om de onderdelen van een project meer te spreiden.

Een dergelijke uitbreiding is echt nodig, vooral als het gaat om het behoud van onze meest waardevolle kunstvoorwerpen en herinneringen. We moeten naar een soort gedeeld eigenaarschap toe. Wat musea onmisbaar maakt, is dat ze de bewaarplaatsen van cultuur en creativiteit zijn. Ze zijn absoluut essentieel voor ons verleden en voor onze toekomst. Als we er allemaal een beetje bezit van nemen, plukken we daar de vruchten van. Zo niet, dan riskeren we alles te verliezen. Ik vind het verschrikkelijk te horen dat musea zich meer bedrijfsmatig zouden moeten opstellen om op die manier hun voortbestaan zeker te stellen. De gemiddelde onderneming houdt maar dertien jaar stand. Er zijn maar weinig ondernemingen in de wereld die zo oud en succesvol zijn als het Smithsonian Institution of het British Museum of het Louvre of de Vaticaanse musea. Daar hebben we publieke fondsen bij nodig. En boven alles het publiek.’

Annet Dekker is tentoonstellingsmaker en onderzoeker, Amsterdam/Londen

Vertaald uit het Engels door Jane Boddy

Noten

  1. Het begrip Joy’s Law is afkomstig van Bill Joy, mede-oprichter van het bedrijf Sun Microsystems. De reactie erop is te vinden in het artikel In the Next Industrial Revolution, Atoms Are the New Bits van Chris Anderson in Wired, februari 2010. Zie: www.wired.com/magazine/2010/01/ff_newrevolution/all/1


Reacties

Bestel dit nummer

Bestel het nummer waarin dit artikel is verschenen:

Bestel nu
Neem een abonnement op METROPOLIS M

Word nu lid en krijg het eerste jaar 40% korting op de winkelprijs

Bestel nu
METROPOLIS M Webshop

Koop abonnementen, nummers, boeken en edities in de webshop

Ga naar de webshop