Voormalig Deitch

De kwestie van de ontslagen Jeffrey Deitch laat zien hoe conservatief de museumwereld is. In ieder geval die in Amerika.

Het is natuurlijk een geval van puur leedvermaak, zoals elk ontslag van een luidruchtige baas duistere gevoelens in een mens oproept (lekker puh, boontje komt om z’n loontje, etc).

Jeffrey Deitch, voormalig kunsthandelaar in New York, voormalig kunstadviseur, voormalig kunstcriticus en sinds twee weken ook voormalig museumdirecteur.

Zijn val als directeur van het L.A. MOCA kondigde zich al maanden aan maar kwam, zoals het spreekwoordelijke sterfgeval na een langdurig ziekbed, toch nog onverwacht. Eind juli is hij ineens opgestapt, nadat er al maanden alom om zijn vertrek is gevraagd. Of zoals een Amerikaans criticus over het krap drie jaar durende directeurschap zei: ‘The arrangement was bound to fail.’

Als je de Amerikaanse media moet geloven is er niemand rouwig om. De medewerkers niet, het bestuur niet, de kunstenaars niet, de bezoekers niet en de media niet. Kunstlievend Amerika slaakt een zucht van verlichting: eindelijk opgerot.

Deitch heeft er, zo begin je van een afstand te geloven, een enorm potje van gemaakt. Weliswaar heeft hij braaf, zoals ook de bedoeling was, een grote geldschieter binnengehaald, en tentoonstellingen geproduceerd waar een nieuwe stroom publiek op af kwam. Maar hij heeft ook zijn complete staf tegen zich in het harnas gejaagd, de helft bovendien de deur gewezen, onder wie de gerenommeerde conservator Paul Schimmel.

Irritant mannetje

Ik heb de berichtgeving met enige verwondering gevolgd. Niet dat ik een fan ben van Jeffrey Deitch (hij lijkt me een irritant zelfgenoegzaam mannetje), of van het benoemen van galeriehouders op dit soort semipublieke posities, maar de unanimiteit waarmee zijn vertrek wordt toegejuicht wekt argwaan. Was hij als directeur echt zo’n ramp? Of speelt hier misschien iets anders?

In de berichten over zijn vertrek wordt Deitch niet zozeer horkerig directeursgedrag verweten. Hufterigheid genoeg aan de top - dat hoort er een beetje bij. Ook in Nederland kennen we tal van directeuren die de staf hebben weggejaagd toen ze benoemd werden, die zich weinig van de lokale kunstscene hebben aangetrokken, en maar weinig van de eigen collectie. Dat kan dus niet de reden voor het vertrek zijn.

Het grootste verwijt dat Deitch nu gemaakt wordt is de vermeende uitlevering van de kunst aan het entertainment alsof het een pot nat is. Deitch, zo schrijft Christopher Knight van de LA Times, was bezig het vermaarde MOCA (volgens hem een van de beste musea voor moderne kunst in Amerika) om te vormen tot een Pop-Art-meets-Hollywood-tempel. Zeg maar zijn Newyorkse galerie in het groot, maar dan met een grote input van de celebrities van Hollywood.

Wat wel een verwonderlijk verwijt is. De man wordt binnengehaald, kennelijk vanwege zijn interesse in Pop-Art en celebrity-cultuur, vanuit de gedachte het noodlijdende museum een andere koers te geven, waar hij vervolgens, terwijl hij zich keurig aan de opdracht heeft gehouden, nauwelijks drie jaar later op wordt afgerekend.

Ik ken het MOCA niet. Ik weet alleen dat Stedelijk-directeur Ann Goldstein daar haar halve leven gewerkt heeft, en dat ze er grote tentoonstellingen heeft gewijd aan minimal art, Lawrence Weiner en binnenkort Mike Kelley. Zeg maar de canon van de Amerikaanse kunst. Het waren in vergelijking met deze heiligen van de kunst misschien andere namen die Deitch bracht, wellicht ook van mindere kwaliteit, maar in Nederland zouden we er niet erg van schrikken ineens Dennis Hopper tegen te komen in het museum, of Street Art, of de fotograaf Weegee. Sterker, dat alles is bij ons al jaren geleden voor het eerst gebracht. Ook in het Stedelijk Museum.

Frans Haks

De controverse rond Deitch doet mij erg denken aan het Nederland uit de jaren tachtig, toen wij een eigen Jeffrey Deitch hadden rondlopen: Frans Haks. Eigengereid, creatief en onafhankelijk werd Haks een van de belangrijkste naoorlogse museumdirecteuren in Nederland. Maar het zal mogelijk nog een halve eeuw duren voordat de kunstsector in staat is dat te erkennen. Als de kunstsector daar ooit bereid toe is. Het is waarschijnlijker dat de erfenis Haks in de komende twee decennia compleet om zeep geholpen wordt en weggemasseerd. Dat er geen spatje meer zichtbaar is van de cultuur die hij het museale veld heeft binnengebracht.

Er is een groot verschil tussen Haks en Deitch. Haks kwam niet uit de handel maar van de universiteit, hij was intelligent en hij had smaak (ook al was het niet de mijne). Hij was een relnicht en provocateur die erg veel gedaan heeft gekregen. Van een onaanzienlijk provinciaal museum heeft hij een kunsttempel van formaat gemaakt (250.000 bezoekers in zijn tijd met een gewaagd en vernieuwend programma). Het is spijtig dat het Groninger Museum onder Van Twist een dependance van de coalitie Gasunie-Gazprom geworden is, maar daar hebben we het hier maar even niet over.

Haks was een man met een missie en een visie, die hij met verve wist uit te dragen, die gewaagd was, en perfect paste bij de tijd. Hij was bovendien een museumman, met oog voor andere zaken. Tegenover de exuberantie van de postmoderne kitsch waar hij mee wegliep, bleef hij oog hebben voor de museale collectie in de breedte. Bij Deitch weet ik dat allemaal niet. Die zat in het MOCA misschien alleen zijn Newyorkse handel te beschermen.

Toch denk ik dat de museumwereld enorme behoefte heeft aan directeuren die op een intelligente wijze de bestaande bastions en coalities durven te doorbreken, heersende belangen op het spel durven te zetten, inclusief de eigen geschiedenis van het museum, om met frisse blik naar het heden en het verleden te kunnen kijken. Of ze nu Haks of Deitch heten.