De fut is eruit
De fut is eruit
Museumbeleid in België
Terwijl de discussie over de toekomst van het museum in Nederland heviger woedt dan ooit, niet in de laatste plaats in de musea zelf, is het museum van de eenentwintigste eeuw in België een non-issue. De Belgen hebben zo hun eigen problemen met de musea voor hedendaagse kunst.
Van rupsen weet men dat ze soms in vlinders veranderen. Met de Belgische musea voor hedendaagse kunst – erg veel zijn het er niet, maar toch genoeg om in meervoud te spreken – is het geheel anders gesteld. Sinds pakweg een jaar hangt er over de Belgische museale wereld een grijze sluier. Op Casino 2001, de quadriënnale van het SMAK na, gebeurde nauwelijks iets dat nog enig stof deed opwaaien. De opening van het nieuwe MAC’s nabij Bergen en het aantreden van een nieuwe directeur in het Antwerpse MuHKA zorgden onlangs voor wat leven in de brouwerij, maar ook die gebeurtenissen bleken uiteindelijk minder revelerend dan verwacht. Daarenboven bleken de jongste exposities over het algemeen weinig bemoedigend. Wie het reilen en zeilen van de actuele kunstmusea het laatste jaar heeft gevolgd, kan maar één ding concluderen: de fut is eruit.
Hedendaagse kunst in België dreigt een grauwe aangelegenheid te worden. Op een enkele uitzondering na schijnt niemand goed te weten welke richting men uit moet. Rijst dan ook de vraag: zijn we op de road to nowhere beland? Is de toonloze bedrijvigheid tijdelijk van aard of loopt de situatie onherroepelijk vast? Is de neerwaartse beweging een feit of hebben de musea nog iets in hun mars? Op dit moment zijn de vooruitzichten voor de toekomst nogal teleurstellend. Het veel gehoorde argument – geldgebrek – is niet uit de lucht gegrepen, maar daarnaast zijn er nog wel meer struikelblokken. Pronkjuweel van de Belgische kunstscene, het SMAK in Gent, zakte na een veelbelovende aftrap weg in een ondoorzichtige mist van financiële tekorten en wazige toekomstvoorspellingen. Aftredend directeur Jan Hoet vertrok naar Herford (Duitsland) om er het Marta op te richten, maar bleef zijdelings optreden als adviseur. Ondertussen wordt het museum ietwat stuurloos drijvend gehouden. In de loop van volgend jaar zou het SMAK een nieuwe aanvoerder krijgen. Maar voorlopig, zo lijkt het, is er in de hele westerse wereld niemand voor die taak geschikt. Een symptomatische situatie, want al bij de opening in 1999 stelde zich het probleem van opvolging en continuïteit. Dat het SMAK ooit een nieuwe impuls nodig zou hebben, was echter lange tijd een zo heiligschennende gedachte dat men ze niet hardop mocht uitspreken. Ondertussen kwam het museum met de halve verdwijning van Jan Hoet in een impasse terecht. Op het eerste gezicht zou je denken dat de opvolger, vooropgesteld dat hij of zij ooit gevonden wordt, moet optornen tegen de uitstraling van Hoet, maar in werkelijkheid zal hij/zij vooral een nieuwe invulling moeten geven aan de actuele kunst in het SMAK. Jan Hoet was immers sterk gericht op de arte povera en op kunst die nog aansluiting vond bij pakweg Beuys en Broodthaers. Maar hedendaagse kunst wijkt daar hoe langer hoe meer vanaf, en dus wordt het zaak ook dat zichtbaar te maken.
In het nieuwe MAC’s in Franstalig België stelt zich een vergelijkbaar probleem. Medio september ging het Musée des Arts Contemporains van start onder leiding van Laurent Busine. Deze Waalse tegenhanger van Jan Hoet was voorheen directeur van het Palais des Beaux-Arts in Charleroi. Zijn aanpak is academischer en gematigder, maar door hem geredigeerde locatieprojecten als Opera, Tastbare Emotie in de Brusselse Munt en Besloten Wereld, Open Boeken in Brugge verraden een nog veel grotere belangstelling voor de arte povera. Dat bleek opnieuw uit l’Herbier et le nuage /Het herbarium en de hemel, de openingstentoonstelling van het MAC’s. Daarvoor werd werk binnengehaald van Ann Veronica Janssens, Maria Marshall, David Claerbout en Joëlle Tuerlinckx, maar vooral Luciano Fabro en Fausto Melotti kregen een prominente plaats. Verbazend genoeg doken ook hopeloos gedateerde schilderijen op en zorgden een aantal bijdragen uit de vaste collectie voor een deprimerende afronding. Daarbij kwamen nog tekeningen van René Magritte en zestiende-eeuwse sculpturen, zodat l’Herbier, onder het mom van een poëtisch thema, afdreef naar een wel erg eclectisch eindresultaat.
Het MAC’s heeft meer omhanden dan het brengen van exposities. Het museum ligt in de Borinage, een streek die beheerst wordt door de oude steenkoolindustrie. De werkloosheid nam er sinds de sluiting van de mijnen in de jaren zeventig dramatische proporties aan. Stilaan raakt het gebied echter weer uit een economisch dal en daar moet ook het MAC’s een handje bij helpen. Het museum schept een zekere mate van werkgelegenheid en staat garant voor een aanvoer van publiek en bedrijvigheid. Vanuit die optiek wil Busine een museum dat functioneert als een ‘permanente fabriek’, een plek waar een stroom kunst en mensen continu af- en aangaan. Het industriële, ellipsvormige complex Le Grand Hornu, in de negentiende eeuw ontworpen door de architect Bruno Renard en recent aangepast door de Luikenaar Pierre Hebbelinck, geldt als trekpleister. Alles in acht genomen creëert het MAC’s wel een zuurstofrijk klimaat, maar het voor-elk-wat-wilsprincipe bleek vooralsnog tegen te werken. Een meer eigentijdse inbreng had niet misstaan in het potentieel sterke museum, juist omdat zoveel belang wordt gehecht aan een levendig imago. Voor de toekomst zijn gelijksoortige vermengingen van de vaste collectie met tijdelijke bruiklenen beloofd. Dat impliceert dat de MAC’s-verzameling altijd partieel zal worden getoond en dat ze fungeert als uitgangspunt voor vrijwel elk nieuw project. Volgens Busine kan het MAC’s zonder veel problemen alle richtingen uit, zolang Le Grand Hornu maar een ‘Muzentempel’ blijft waar de aandacht vooral uitgaat naar de vaste collectie. En waar je met enig geluk ‘des jolies dames’ tegen het lijf loopt. Want ook daar valt, aldus Busine, wel eens wat van te leren.
Twee jaar terug werden de Vlaamse musea, onder impuls van de toenmalige Minister van Cultuur Bert Anciaux, opgeschrikt door een debat over publieksparticipatie en elitarisme. Het eerste was voortaan een te behalen objectief, het tweede een synoniem voor al wat scheef zat in de culturele wereld. Inmiddels is die zogeheten voorhamerpolitiek van Anciaux iets milder geworden door opvolger Paul Van Grembergen, die stelt dat niet iedereen onverwijld naar het museum moet, maar dat men het wel moet kunnen. Hoe het ook zij, stormlopen doet het er lang niet. Maar moet dat wel?
Een museum behoeft immers niet alleen toegankelijk te zijn, het moet ook degelijke kunst in huis halen. Terwijl het participatiedebat zich voortsleept, wordt één probleem almaar duidelijker: de Belgische musea voor hedendaagse kunst dreigen de boot naar de eenentwintigste eeuw te missen. Wie iets relevants wil zien op het vlak van video, fotografie of het aanduiden van actuele thema’s, komt maar mondjesmaat aan zijn trekken. Wie wil weten wat er gebeurt in de internationale scene moet de grens over. Het museum, of eventueel de kunsthal die in België iets dergelijks in haar vaandel zou kunnen dragen, en die zich logischerwijs in Brussel zou situeren, bestaat niet. Wel was er decennialang het Paleis voor Schone Kunsten, maar door allerlei strubbelingen is die titanic van de Belgische kunstwereld vrijwel volledig overstag gegaan. Er is momenteel een nieuw plan in de maak, maar tot nog toe lijkt hedendaagse kunst daar een secundaire plaats te krijgen. De huidige tentoonstelling rondom het dansgezelschap Rosas geeft als indicatie: het overzicht is bijgekleurd door werk van Juan Muñoz, Douglas Gordon en Rebecce Horn. Toch kunst dus, maar veeleer illustratief, en het ziet ernaar uit dat in de toekomst wel vaker voor een dergelijke aanpak zal worden geopteerd.
Naast het PSK beschikt Brussel ook over een Museum voor Moderne Kunst, maar daar is het al jaren stil. Zo stil, dat je vergeet dat het bestaat. Elders houden de kunsttempels zich de laatste tijd gedeisd. Gedeeltelijk is de impasse te verklaren door de impact van de generatie die tot nog toe aan het roer heeft gestaan: museumdirecteuren die sinds jaar en dag optraden als bezielers, maar die maar moeilijk afscheid kunnen nemen van conceptuele stromingen uit de jaren zeventig en tachtig. Daardoor wordt kunst vanaf het einde van de jaren negentig te fragmentarisch belicht. De context die ervoor is gecreëerd, oogt veelal stroef, en bijdragen die toch geselecteerd zijn, liggen sterk in het verlengde van kunstuitingen die al enige tijd uit het middelpunt zijn weggegleden. Vrij snel, in minder dan een paar jaar tijd, leidde die aanpak tot een achterhaald totaalbeeld. Daardoor hebben de actuele kunstmusea zichzelf tot een stagnering veroordeeld, al dan niet veroorzaakt door een verlammende angst voor het nieuwe.
Toch zijn er in België voldoende twintigers en dertigers die – dikwijls met camerawerk – een plaats waardig zijn in een museale groepstentoonstelling. Maar in de praktijk vind je ze vooral terug in het kader van tijdelijke initiatieven buiten de musea om. Vermoedelijk heeft de gezagdragende generatie het niet helemaal begrepen op werk van artiesten die – binnen en buiten België – groot geworden zijn met de beeldcultuur in plaats van de kunstgeschiedenis en dientengevolge kiezen voor een extraverte, soms ook lawaaierige vorm van kunst.
Het MuHKA deed onlangs een gooi in de goede richting met Paramount Basics (Extended), de eerste tentoonstelling van Bart De Baere na Florent Bex. Paramount Basics was opgevat als een verruimde versie van de presentatie op de biënnale van Sao Paulo. Centrale gast Richard Venlet had voor de gelegenheid een beroep gedaan op kunstenaars uit zijn ‘netwerk’. Zo groeide een expositie met bijdragen van vijftien deelnemers, samengehouden door curator Moritz Küng. Het project gaf zonder meer aan dat er – na vijftien jaar directeurschap van Florent Bex – een nieuwe, enigszins experimentele wind door het MuHKA woei. Jammer genoeg ging het veeleer om een rondje voor insiders en bleef het wat vreemd dat De Baere niet zelf een eigen selectie had gemaakt. Anderzijds is hij in het Belgische landschap voorlopig de enige die voor een nieuwe impuls kan zorgen. Met Paramount Basics (extended) is dat maar gedeeltelijk gelukt, hoewel je toch de indruk kreeg dat het MuHKA alvast een poging had gewaagd om koers te zetten naar de éénentwintigste eeuw.
Els Fiers





