metropolis m

Veel alumni van de kunstacademie zullen het gevoel herkennen. Om na het afstuderen niet in een zwart gat te belanden, moet je actief meedingen naar prijzen en beurzen, je opgeven voor residencies en je werk bij zo veel mogelijk tentoonstellingsplekken onder de aandacht brengen. Sanne van Balen kent dit gevoel maar al te goed. Wij vroegen haar om met een aantal collega-kunstenaars in gesprek te gaan over hun ervaring.



‘Klaar voor de start, af!’ begreep ik altijd op twee manieren: als het startschot waarmee je jezelf de wereld in katapulteert, of als afgaan; jij mag niet meer meedoen. Jij bent af. ‘Klaar voor de start, af!’ Zo kan het begin van de beroepspraktijk na de kunstacademie voelen. Alsof het een wedstrijd is. En misschien is het soms ook een wedstrijd, je moet ‘uitgekozen’ worden voor tentoonstellingen, opdrachten en residenties. Toch? Jij wel en anderen niet. Of anderen wel en jij niet. Herkennen meer kunstenaars dit narratief? Klopt het wel? En waarom ga ik er zelf ook in mee? Voor dit stuk sprak ik met kunstenaars, academies en organisaties om erachter te komen hoe de competitie door verschillende groepen in de kunstwereld ervaren wordt.

Toen ik zelf te horen kreeg dat mijn aanvraag voor de Kunstenaar Start beurs van het Mondriaan Fonds was toegezegd, bevestigde dit mijn gevoel dat ik de competitiestrijd had geïnternaliseerd. Door die toekenning voelde ik erkenning: ik deed dus iets goed. En dat zegt misschien iets over de onderlinge sfeer, over mijn eigen zelfvertrouwen, maar ook over de macht van zo’n fonds. In een interview in Hard/Hoofd verwoordt kunstenaar Koos Buster het als volgt: ‘Fondsen geven geld aan kunstenaars, maar wat ze vooral geven is een keurmerk van waardering.Als je dan die afwijzing krijgt van hét belangrijkste kunstfonds dan voelt het alsof je er niet bij hoort, alsof je niet wordt toegelaten tot de kunstwereld.’

Sommige kunstenaars die ik spreek, wijzen naar de academie als ik ze vraag hoe ze komen aan het ‘klaar voor de start, af’-gevoel. Terwijl, als je erover nadenkt, er op de kunstacademie juist een setting wordt gecreëerd waarin iedereen, na het doorstaan van de strenge toelating, op gelijke voet kan beginnen. Je komt in een klas en iedereen volgt precies dezelfde lessen. Hoe komt het dan dat de een na het afstuderen veel gemakkelijker zijn weg vindt dan de ander?

Succes

Voor kunstenaar Eleye Boerenkamps heeft succes niet te maken met goed of slecht kunstenaarschap: ‘Ik ervaar niet zozeer competitie maar bij kunstenaars onderling is er wel een verschil ten aanzien van tijd die je kunt investeren in je werk, waarbij de ene wel en de andere niet financieel wordt ondersteund door bijvoorbeeld de ouders. Succes is tijdelijk. Het komt op en golft weer weg. Belangrijker vind ik de voorwaarden die met verschillen en privileges te maken hebben en die mede bepalen of je het goed doet en daar tevreden over bent of dat je het zijn van kunstenaar als lastig ervaart.’ Waar strijden we dan eigenlijk om? Waar competitie vandaan komt, hangt wat mij betreft samen met de vraag: Wat is een succesvolle kunstenaar? 

Ik geloof in de performatieve kracht van taal. Een oud-docent wees me er eens op dat we in de kunstwereld te weinig het woord ‘collega’ gebruiken, en dat we daar meer ons best voor zouden moeten doen. De taal die we in de kunstwereld hanteren en de woorden waarmee we elkaar over onze ‘successen’ vertellen, heeft invloed op hoe we ons tot elkaar verhouden en houdt een competitief systeem in stand. 

Wordt competitie aangewakkerd doordat we het als zodanig omschrijven? Door bijvoorbeeld de toekenning van een beurs van het Mondriaan Fonds als ‘succes’ te erkennen, wordt het daarmee precies dat: een succes. Had het zonder dat oordeel ook iets anders kunnen zijn? In een van mijn doomscroll-sessies op Instagram kwam ik een korte video tegen van oud-studiegenoot Oskar Frere-Smith, waarin hij met veel geweld een sculptuur verwoest. In het bijschrift stond zoiets als: ‘here’s to all the applications I wrote and the money I didn’t get.’ Hoewel Frere-Smith processen van verwoesten, breken en opnieuw breken onderdeel heeft gemaakt van zijn praktijk, gaat deze video over meer dan alleen het maken (of het vernietigen) van werk. Het is een manier van verwerken. Wanneer ik Frere-Smith ernaar vraag, vertelt hij dat hij inmiddels kan leunen op het vertrouwen in hemzelf dat hij heeft opgebouwd omdat hij nog nooit enige subsidie heeft ontvangen: ‘I make authentic shit.’ Hoewel ook hij er nauwelijks aan ontkomt te spreken met de competitieve taal van de kunstwereld, zegt hij niet (meer) naar het competitieve systeem te handelen. ‘The real success is that I am making authentic work and I am happy with it.’ Voor Frere-Smith staat de erkenning en het vertrouwen in jezelf en je eigen werk los van het stempel dat een subsidietoekenning of een verkocht werk kan opleveren. 

Volgens schilder Michal Kruger, die ik ken van de afgelopen Prospects,  is competitiviteit niet in elke discipline even nadrukkelijk aanwezig. Hij observeert dat de meer klassieke kunstvormen, zoals schilderen en beeldhouwen, ook een meer traditionele manier van waardetoekenning hebben, die sterk gebonden zijn aan het stereotiepe beeld van de eenzame kunstenaar in zijn studio. Kruger geeft toe dat hij vaak worstelt met het succes van anderen. Hij merkt op dat hij het beeld van de individualistische schilder heeft geïnternaliseerd, terwijl juist dat individuele werken hem competitief maakt. Competitie creëert volgens hem een omgeving waarbij kunst alleen een waarde van ‘goed’ of ‘slecht’ krijgt toegekend, wat een nogal beperkte manier van beoordeling is. Daarnaast merkt hij dat iedereen elkaar napraat, vooral als het gaat om uitspraken als ‘er is te weinig subsidie’ of ‘er zijn te weinig tentoonstellingsplekken’. Kruger maakt zich hier zelf ook schuldig aan. ‘It’s a trap’, verzucht hij, zich ervan bewust dat hij onbedoeld bijdraagt aan het in standhouden van de competitieve mindset. 

Andere kunstenaars, zoals Travis Geertruida, nemen juist bewust afstand van dergelijke uitspraken en competitief taalgebruik. Geertruida, performance kunstenaar vraagt zich of er überhaupt wel een tekort is aan subsidies en tentoonstellingsplekken. Wat hem betreft kan je je beter focussen op de inhoud van je eigen praktijk, op een onderwerp dat jou persoonlijk interesseert, om van daaruit samenwerkingen aan te gaan. Alleen op die manier, stelt hij, kunnen we de kunstwereld ombuigen van een competitieve markt naar een systeem van oprechte waardering: ‘Not every artist belongs in the Tate Modern. This does not make their work less good, it might actually be more poignant and genuine. There shouldn’t be one idea of what a “successful” artist is, and not every valuable work has direct monetary or economic benefit.’ Het loslaten van ideeën over hoe ‘succes’ eruit zou moeten zien, is de sleutel voor het waarderen van je eigen praktijk. 

Ook Emile Weisz bestrijdt actief het internaliseren van ideeën over wat een succesvol kunstenaarschap zou inhouden. Weisz is samen met Jasper Rouwen oprichter van suzi, een curatorial initiatief in Amsterdam, dat tentoonstellingen maakt in samenwerking met kunstenaars. Volgens Weisz is het gebruik van termen als ‘concurrentie’ of ‘succes’ toxisch. Zelf vermijdt hij het gebruik ervan. Door de taal van het competitieve systeem niet te hanteren, wil hij ook het bestaan ervan niet bevestigen. Voor Weisz is het individualistische kunstenaarschap geen optie. Na zijn afstuderen aan de kunstacademie struikelde hij over het idee geconditioneerd te zijn in het ‘alleen doen’. In plaats daarvan ging Weisz op zoek naar een speelveld waarin hij zich thuis kon voelen, waar hij zonder te hoeven ellebogen samen sterk kon staan. Toen hij dat niet kon vinden, besloot hij het samen met Rouwen zelf te creëren. Het resulteerde in suzi, wat hen de mogelijkheid geeft samen te werken en vanuit daar een praktijk op te bouwen. ‘Dat was een hele opluchting’, vertelt Weisz. ‘Het voelde als de weg vooruit.’

Onderwijs

Dat kunstacademies je niet zouden voorbereiden op ‘het leven na de academie’ is een hardnekkige mythe. Academies reiken wel degelijk de kennis en handvatten aan om een gezonde praktijk op te bouwen, maar het is aan de student om het ondernemerschap in zichzelf aan te spreken, ook al ligt het de een nou eenmaal beter dan de ander. Daarnaast zijn er verschillende initiatieven vanuit academies om alumni, ook ver na het afstuderen, te ondersteunen. Op de Gerrit Rietveld Academie, bijvoorbeeld, bestaat al jaren de Rietveld Society, een alumninetwerk met een uitgebreide mailing waarin evenementen, tentoonstellingen en initiatieven waarbij alumni betrokken zijn onder de aandacht worden gebracht. Vorig jaar werd er ook een vooralsnog eenmalige pilot uitgevoerd onder de naam Rietveld Mulch – een verwijzing naar de vruchtbare humusbodem waarop huidige studenten hun praktijk kunnen bouwen. Het bestond uit een platform en podcast, waarop vooral praktische en motiverende informatie van studenten werd gedeeld.

Rietveld werkt ook aan een alumni-index, één groot overzicht van alle huidige én voormalige studenten van de academie. De online index is niet alleen bedoeld voor studenten en alumni, maar ook bijvoorbeeld voor curatoren die kunstenaars zoeken. Bieneke Bennekers, alumni officer bij de Rietveld, vertelt dat hoewel de academie studenten wel probeert voor te bereiden op de beroepspraktijk, maar dat het bewustzijn van het belang hiervan bij studenten pas later komt, vaak pas als ze zich al in het werkveld bevinden. Bennekers vindt het vanzelfsprekend dat een academie ook zorg draagt voor pas-afgestudeerden en hoopt dat de index een gemeenschapsgevoel teweegbrengt. Het is belangrijk om te kunnen volgen wat anderen hebben gedaan na hun afstuderen en dat heeft niets te maken met competitie, legt ze uit: ‘Iedereen volgt immers zijn eigen pad. Er is geen formule, je moet vooral vertrouwen hebben in jezelf en in je eigen zoektocht.’

De Rijksakademie staat bekend om de manier waarop het de eigen community al jaren koestert en voedt, bijvoorbeeld door het professionele leven van oud-residenten nauwgezet te volgen en online bij te houden. Ook De Ateliers is er recent mee begonnen. De nieuwe tentoonstellingslocatie Woonhuis wijdt eens per jaar een tentoonstelling aan alumni. Er is ook een intern programma waarbij huidige deelnemers van alumni kunnen horen hoe het ze vergaan is na De Ateliers. Maxine Kopsa, directeur, zegt dat deelnemers en oud-deelnemers van De Ateliers één groep zijn. ‘Door de juiste mensen te kennen, kom je verder. En die “juiste mensen”, daar kun je zelf ook een van zijn.

Ecosysteem

Hoewel kunstacademies vaak de neiging hebben om kunstenaars als individu op te leiden, bestaan er natuurlijk veel meer soorten samenwerkingsgerichte kunstenaarspraktijken. Deze vele vormen kwamen uitgebreid aan bod tijdens het ‘Power up your art practice’ van het Mondriaan Fonds, een programma voor kunstenaars die tijdens of na hun opleiding negatieve effecten ondervonden van de coronamaatregelen, met als doel om hun kunstpraktijk een extra boost te geven. Dergelijke bijeenkomsten komen vaak niet verder dan het beantwoorden van vragen over hoe je een boekhouder vindt of subsidie aanvraagt, maar dit programma ontsteeg dat oppervlakkige praktische niveau met inhoudelijke keynotes. 

Zelf bezocht ik afgelopen mei de slotbijeenkomst en ik was verrast door hoe leerzaam de middag was. Zo loodste sociaal-architect Rubiah Balsem ons in haar lezing vlotjes uit de liberale manier van denken – waarin de kunstwereld wordt bevolkt door individualisten. Volgens Balsem werkt individualisme competitie in de hand, en houdt het de afvalrace in stand. Ze pleit ervoor de kunstwereld te zien als ecosysteem waarin iedereen zijn plekje kent en elkaar nodig heeft. Zonder kunstenaars geen kunst, zonder kunst geen tentoonstellingen, zonder tentoonstellingen geen curatoren, et cetera. De kunstwereld als ecosysteem is een netwerk van relaties waarin alle verschillende rollen noodzakelijk zijn en uitwisseling de valuta is. Als kunstenaar moet je hierin je plek vinden, zegt Balsem: ‘Within an ecosystem you collaborate, you don’t compete. Think like an ecosystem, because then the system will change into it.’

Hoe meer kunstenaars en culturele professionals ik spreek, hoe meer ik me afvraag of ik onderzoek aan het doen ben naar competitie in de kunstwereld, of dat ik eigenlijk een handleiding aan het samenstellen ben voor mezelf. Misschien is leren omgaan met het ‘klaar voor de start voor de start, af!’-gevoel na de academie wel hetzelfde als het vinden van je eigen weg. Het vinden van mijn eigen weg betekent voor mij het vinden van zelfvertrouwen in mijn kunstenaarspraktijk, in mijn werk en in mezelf. En ja, dat levert uiteindelijk op dat ik minder competitiegevoelens ervaar. Ik vraag me af of we het zoeken naar succes niet beter kunnen laten voor wat het is, is het niet productiever om op zoek te gaan naar manieren om te accepteren dat succes niet bestaat? Dan blijft er plots ruimte over om na te denken over de écht belangrijke vragen: waarom doe je wat je doet en wat houdt je gaande als kunstenaar?

Sanne van Balen

is kunstenaar en schrijver

Recente artikelen