*Statements*
*Statements*
Marres
Dennis Potter (The Singing Detective) keek op zijn jeugdwerk terug ‘met tedere verachting’; Witold Gombrowicz zei over zijn toneelscript Yvonne, ook een vroeg werk, ‘maar dat was niet wat ik wilde’. De pogingen een plek te vinden voor kunst buiten de instituten om geven mij ook zo’n gevoel. Ze waren goed, ze waren nodig, ze waren legitiem en klinken onbetwist door. En eigenlijk, denk ik meteen nu ik je dit schrijf, is die vergelijking toch een beetje aanmatigend. De institutionele kritiek van de jaren tachtig, en nog sterker, de exploratie van alternatieve ruimten en het oprekken van de kunstenaarspraktijk van de jaren negentig, zijn geen naieve, juist heel bewuste verkenningen geweest van de vraag ‘hoe verder’? Hoe kunnen de merites van de perifere aangelegenheid genaamd kunst tot wasdom komen? Alleen, té veel aandacht is uitgegaan naar de randvoorwaarden, de condities, alles er-om-heen. Bij gebrek aan ‘speech’? Vaak betrap ik me op de inner voice ‘ja, maar wat wordt er nou gezegd?’ Het lijkt alsof we me ze allen wachten op het grote moment: het millennium is een feit, de retro’s zijn zo goed als op; dé grote cesuur moet nu toch nabij zijn. Mobiliteit, globalisering, mediatisering, technologie: de kunst zal ons deelachtig maken van hun uiterste consequenties, in vervolg, ons upliften naar nieuwe regionen.
Voor het zover is, ben ik pleitbezorger van de heruitvinding van de traagheid. Je moet weggaan, vertrekken, om weer terug te keren, niet naar de domus, maar naar een nieuw (t)huis. Ik wil de verhalen horen van mijn naasten: géén petite histoires, noch ideologieën. Ik wil het verhaal, niet van ‘die en die’, maar van díe en díe: van Anne, van Sarah, van Karin, van Pascale, van Joke, van Moniek, van Liesbeth en Angelique en van Liesbeth en Jos. En ik wil mee: hun verhaal is ook een beetje mijn verhaal, ik doe de aanzet, verzin een intro, instrumentaliseer het ‘zegt het voort’. Deze verhalen zetten in op een présence die niets meer te maken heeft met ruimte innemen, die de naar verluidt ultieme mogelijkheden van de media sceptisch beziet en beproeft, die een zekere terughoudendheid in acht neemt ten aanzien van het beeld. Een présence die positie zoekt tussen autonomie en interactiviteit, zich richt op het specifieke en daarbij kiest voor opties, uitnodigingen, de generositeit van twijfel, de complexiteit van overwegingen. Een présence vervat in een gebaar van mededeelzaamheid.
Dit zijn zo wat gedachten die de achtergrond schetsen vanwaaruit ik gekomen ben tot wat ik voor mezelf ‘lange lijnen’ noem: het aangaan van duurzamer verbintenissen met kunstenaars. Ik realiseer me, het centraal stellen van kunstenaars is klassiek, maar de aard van hun praktijk voorkomt een ongewenste touch van romantiek. Kunstenaars opereren vandaag als ‘cultural practitioners’. In hun handelen en denken is een brede en geschakeerde oriëntatie besloten. Daarmee is in de keuze voor een pas op de plaats, een open vizier op de ‘onmetelijke veelvuldigheid van betrekkingen tussen de dingen’ gegeven.
Frédérique Bergholtz





