
Verweven draden ontrafelen
Textielkunst is bezig met een ware opmars. Hoewel textiel al sinds de jaren zeventig niet meer weg is te denken uit musea, pakken hedendaagse kunstenaars de draad vol enthousiasme op. Christel Vesters merkt op dat de hedendaagse textielkunst vooral gericht is op actuele thema’s als gendergelijkheid, politieke onderdrukking, koloniale uitbuiting en sociale ongelijkheid.
Textiel is hot. Steeds meer kunstenaars weven, naaien, borduren, quilten of appliqueren. Soms is het de flexibiliteit of de tactiliteit van het materiaal dat hen aanspreekt, maar meestal zijn het de verhalen en de geschiedenissen waarmee het textiel is verweven. De materiële geschiedenis van textiel is onlosmakelijk verbonden met ontwikkelingen op het gebied van handel, industrialisatie, arbeid, migratie, kolonisatie, uitbuiting en verzet, maar ook met het alledaagse, het persoonlijke, het kleine. Het maakt textiel hét medium voor kunstenaars om zich te engageren met de rafelranden en de vaak vergeten ‘achterkant’ van deze geschiedenissen.
Ook bij kunstinstellingen en musea neemt de aandacht voor textiel als geëngageerd artistiek medium de afgelopen jaren toe. Alleen dit jaar al opende bij het Verwey Museum in Haarlem dit voorjaar de tentoonstelling D(r)aad, over de praktijk van borduren als vorm van protest en middel om individuele en collectieve trauma’s te verwerken, en was er in het Antwerpse Extra City de groepstentoonstelling Carpetland. Critical Tapestries te zien, waarin kunstenaars met vloerkleden en wandtapijten kritische vragen stelden over de hedendaagse maatschappij. Deze zomer opent bij het Centraal Museum in Utrecht de tentoonstelling Spuiten en Stikken waarin textiel en graffiti naast elkaar gepresenteerd worden als kunstvormen met een boodschap, en dit najaar opent bij het Stedelijk Museum Amsterdam de groepstentoonstelling Unravel: The Power and Politics of Textiles in Art.
Het Stedelijk Museum Amsterdam organiseerde de afgelopen paar jaar al een aantal solotentoonstellingen waarin textiel een prominente rol speelde, zoals die van Remy Jungerman (2021-22), Yto Barrada (2022-23) en Ana Lupas (2024), maar met Unravel zet het museum textiel als volwaardige kunstvorm op de kaart. Met meer dan honderd werken van bijna vijftig kunstenaars van over de hele wereld is Unravel de grootste textieltentoonstelling in de geschiedenis van het museum sinds de baanbrekende tentoonstelling Perspectief in Textiel in 1968. Perspectief in Textiel markeerde de opkomst van de zogenaamde fiber arts, de beweging waarin werd geëxperimenteerd met ambachtelijke technieken en onconventionele materialen als wol, vilt, linnen, sisal en katoen. Met name vrouwelijke kunstenaars ontdekten in textiel het ideale medium om zich af te zetten tegen de heersende verhoudingen binnen de beeldende kunstwereld, die vooral werd gedomineerd door mannen en waarin textiel en andere toegepaste kunsten destijds als inferieur werden beschouwd ten opzichte van de ‘hogere kunsten’ als schilder- en beeldhouwkunst.
Kunstenaars als Magdalena Abakanowicz en Sheila Hicks, van wie ook werken zijn opgenomen in Unravel, toonden in 1968 monumentale installaties en wandobjecten van textiel. Hun werken speelden met de verhullende en beschermende aspecten van het materiaal; ze waren kleurrijk, sensueel, plooibaar, zacht, en tegelijkertijd robuust en sterk. Met deze textielwerken leverden de kunstenaars commentaar op de macho uitstraling van de grote stalen en bronzen sculpturen van hun mannelijke tijdgenoten. De fiber art stroming paste in die zin in de feministische tijdgeest van de jaren zestig en zeventig, toen vrouwen streden voor een gelijkwaardige plaats in de beeldende kunsten én de maatschappij.
Activisme en handwerk
Er is sindsdien veel veranderd. Was de interesse in 1968 nog vooral gericht op het experiment met materiaal en ambachtelijke technieken, voor hedendaagse kunstenaars is textiel vooral een medium om zich te engageren met actuele thema’s zoals gendergelijkheid, politieke onderdrukking, koloniale uitbuiting, sociale ongelijkheid of om respect te betuigen aan de kennis van onze voorouders. Het zijn ook dit soort activistische thema’s die de curatoren van Unravel: The Power and Politics of Textiles in Art als uitgangspunt hebben genomen.
In de tentoonstelling wordt uit de doeken gedaan hoe kunstenaars in de afgelopen decennia wereldwijd ‘in tijden van crisis en nood, textiel hebben omarmd om kritiek te leveren op en in verzet te gaan tegen heersende machtsstructuren’, zo valt in de introductie van de catalogus te lezen. Dit gebeurt aan de hand van zes thema’s met titels als borderlands, bearing witness en ancestral threads.
Ieder thema vertegenwoordigt losjes een stroming binnen het omvangrijke en wijdvertakte landschap van kunst en textiel. Zo zijn onder de noemer subversive stitch, werken bijeengebracht waarin kunstenaars met naald en draad kritische statements maken over de maatschappelijke positie van vrouwen, gendergelijkheid en seksuele onderdrukking. Sommige werken zijn intiem en huiselijk, zoals de geappliqueerde deken No Chance (WHAT A YEAR) van Tracey Emin uit 1999, waarop de kunstenaar ongecensureerd verslag doet van een gewelddadige seksuele ervaring in haar tienerjaren: ‘No Fucking Way. No, I Said No’, staat er te lezen in vilten letters die vastgenaaid zijn op een patchworkdeken. Een ander werk is de banier Paper Speakers (2020-21) van Mounira Al Solh. Tegen een achtergrond van gebouwen die zijn opgetrokken uit rode en groene lappen stof is het gezicht van een vrouw te zien, een zelfgemaakte megafoon aan haar lippen. De vrouw vertegenwoordigt de honderdduizenden mensen die in 2015, in aanloop naar de revolutie in 2019, in Libanon de straat opgingen en protesteerden tegen de corrupte regering.
Beide werken doen denken aan de hand geborduurde vaandels van de vrouwenbeweging begin twintigste eeuw in Nederland, en de latere eveneens handgemaakte spandoeken van de vrouwelijke milieuactivisten in het Greenham Common Women’s Peace Camp (1981 tot 2000). Vaandels en spandoeken zijn bij uitstek plekken waar textiel verknoopt is met sociale geschiedenissen van protest en emancipatie. Activisme en handwerk, op het eerste oog tegengestelde bezigheden, versterken elkaar hier in een krachtig beeld: het gebruik van overgebleven lapjes stof, de rommelige en snelle steken geven de boodschap urgentie, maken hem persoonlijk en direct.
De naam van het thema is een referentie naar het invloedrijke boek The Subversive Stitch: Embroidery and the Making of the Feminine (1984) van de Britse feministe, kunsthistorica en psychotherapeute Rozsika Parker. Parker was, samen met onder anderen Lucy Lippard, een van de eerste westerse kunstcritici die het handwerken bevrijdden van het stigma ‘vrouwenwerk’ en ‘hobby-kunst’. Ze verwees daarbij naar de ‘dubbele identiteit’ van, in dit geval, borduren: enerzijds een wapen van verzet, anderzijds als een symbool voor vrouwelijke deugdzaamheid, plicht en vroomheid, en dus van onderdrukking.
Parkers herijking van het borduren past in het feministische tijdsbeeld van de jaren zeventig en tachtig, maar is anno 2024, zo laat de tentoonstelling zien, aan een update toe. Naast de werken van Emin en Al Solh, zijn in dit cluster ook werken opgenomen van kunstenaars die bewust naald en draad als hun medium kiezen omdát het vrouwelijkheid en femininiteit belichaamt. Zo hangen er naast deze uitgesproken banners de simpele geborduurde paneeltjes uit de jaren negentig van Feliciano Centurión. Omlijst met een rand van stof in heldere kleuren tonen de werken speelse en onschuldige motieven als een zon, een bloem, een oog, of een collectie damesrokken. Centurión, die identificeert als queer, groeide op in het repressieve, rechtste Paraguay en verhuisde later naar Argentinië. Hij koos juist voor dit vrouwelijke ambacht om, hetzij heimelijk, uitdrukking te geven aan zijn feminiene kant. Het spelen met de gegenderde connotaties van textiel is in het werk van Centurión en dat van andere kunstenaars in de tentoonstelling een subversieve en politieke keuze. Net als in de jaren zestig en zeventig, toen fiber artists de conventionele scheidslijn tussen high art en toegepaste kunsten ter discussie stelden, beslechten deze kunstenaars de grenzen tussen de genders.
De subversieve kracht van textiel is het centrale thema van Unravel, of zoals de curatoren het in de catalogus formuleren: ‘Textiles themselves are extraordinary carriers of messages, communicating complex layers of meaning and speaking to histories of marginalization.’ De tentoonstelling is een coproductie met het Barbican Art Centre in Londen, waar hij eerder dit jaar te zien was en lovende kritieken kreeg. ‘A gorgeously excessive tangled knot of a show, full of blood, pain and pleasure’, kopte The Guardian. En The Times omschreef de tentoonstelling als ‘A fabulous scrap basket of an exhibition’. Zelfs met stevige, politieke onderwerpen, blijft textiel een aantrekkelijk, verleidelijk en vooral toegankelijk medium. Iedereen heeft iets van en met textiel.
Dekoloniale draden
Textiel wordt niet alleen gebruikt om te reflecteren op de eigen identiteit of persoonlijke situatie, maar is onlosmakelijk verbonden met bredere sociale, economische, en maatschappelijke ontwikkelingen wereldwijd én tegelijkertijd met lokale tradities en geschiedenissen. Deze verwevenheid met het lokale maakt textiel voor Adriano Pedroso, curator van de Internationale Tentoonstelling van de Biënnale van Venetië, Foreigners Everywhere, een actueel leitmotiv. Volgens Pedrosa is het medium van textiel bijzonder geschikt om een interesse te weerspiegelen ‘in craft, tradition, and the handmade, and in techniques that were at times considered other or foreign, outsider or strange in the larger field of fine art.’ Met Foreigners Everywhere wil hij een ode brengen aan ‘the foreign, the distant, the outsider, the queer, as well as the indigenous’. Textiel belichaamt deze thematiek als geen ander, en het verklaart volgens hem waarom hedendaagse kunstenaars juist in dit materiaal willen werken.
Verspreid door de tentoonstelling in Venetië zijn inderdaad opvallend veel monumentale werken in textiel te zien. Via textiel spreken de kunstenaars tot lokale tradities, de koloniale geschiedenis, en de kennis en culturele erfenis van oorspronkelijke bewoners. Neem bijvoorbeeld de installatie Takapau, gemaakt door het Mataaho Collective, een collectief van vier Maori kunstenaars. Bezoekers betreden het Arsenale via een door hen ontworpen, ingenieus gevlochten gewelf van grijze bagageriemen, waarin geometrische patronen zijn verwerkt die doen denken aan oude weefkaarten. Met hun complexe weefconstructies reflecteren deze vier vrouwen op de al even complexe hedendaagse realiteit van de Maori gemeenschap.
Een aantal zalen verder is de metersgrote installatie Come, let me heal your wounds. Let me mend your broken bones te zien van de Palestijns-Saudische kunstenaar Dana Awartani. Zeventien banen van glanzend zijde in geel, oranje en roodtinten hangen horizontaal en verticaal in de ruimte. Wie dichter op de stof staat, ziet dat er gaatjes en scheurtjes in het dunne materiaal zitten, die hier en daar provisorisch gerepareerd zijn met naald en draad of een klein stukje stof. Awartani verbleef een aantal maanden in Kerala, India, en leerde daar over de lokale textieltraditie. Voor Come, let me heal your wounds verfde ze haar zijden doeken met kruiden en specerijen die volgens lokale gebruiken een heilige betekenis en helende werking hebben. De symboliek is duidelijk: de wonden in het textiel worden geheeld. De vraag is echter of het werk recht doet aan de ‘lokale rituelen en tradities’ en ‘oorspronkelijke kennis en culturen’ waaraan de kunstenaar eer wil betonen, of dat hier sprake is van appropriatie van andermans cultuur.
Het is een dilemma dat de in Nederland werkzame kunstenaars Antonio José Guzman en Iva Jankovic in hun installaties weten te vermijden. Het duo, van wie zowel op de Biënnale van Venetië als in het Stedelijk Museum Amsterdam werk wordt getoond, werkt al geruime tijd samen aan een langlopend project rondom de koloniale geschiedenis van indigo. Indigo, bekend als de ‘koning der kleurstoffen’, wordt in verschillende culturen en religies, waaronder de Yoruba gebruikt als bescherming tegen kwade geesten. Maar de geschiedenis van indigo kent ook een duistere kant. Als een van de belangrijkste handelswaren en valuta op de trans-Atlantische handelsroutes, leverde indigo in de zeventiende eeuw een hogere winst op dan suiker, wat plantage-eigenaren in Suriname, Indonesië en India aanspoorde om de productie ervan op te schalen.
De patronen in de indigostoffen die Guzman en Jankovic gebruiken in hun installaties zijn gemaakt met behulp van Indiase Ajrakh blokdruktechniek. De patroonblokken, met de hand uitgesneden door indigomeester Sufiyan Khatri, vertegenwoordigen de abstracte codes van (–) Guzmans DNA die getuigen van zijn meer dan veertig etnische afkomsten. De stoffen het resultaat van een interculturele samenwerking tussen verschillende mensen die verschillende textieltradities belichamen: indigomeester Khatri, het Guatemalteekse vrouwenweefcollectief Trama Textiel, de Servische Jankovic en de Nederlands-Panamese Guzman. Het werk maakt daarmee een statement over de samenhang van alle dingen, over de hybriditeit die onze wereld kenmerkt, en over de fluïditeit van grenzen.
Als geen enkel ander medium biedt textiel metaforen voor een wereldbeeld dat meerlagig, verweven, verknoopt, weerbarstig, fluïde, poreus, en soms gescheurd en gerafeld is. Net als de textielwerken die in Unravel en Foreigners Everywhere zijn opgenomen, volgen de curatoren ook in de opzet van de tentoonstelling de taal van textiel. Het is geen chronologisch overzicht, maar een meerdradig en meerstemmig, intergenerationeel en transnationaal geheel waarin scheidslijnen en categorieën slechts abstracties zijn.
Christel Vesters





