40 jaar Metropolis M – Gert Jan Kocken
In het kader van de jubileumreeks gewijd aan kunstenaars die afgelopen veertig jaar in Metropolis M zijn besproken een bezoek aan Gert Jan Kocken, maker van fotografie die zich nadrukkelijk buiten de tijd begeeft en haar tegelijkertijd opslokt, al was het door de vele uren die hij eraan moet sleutelen.
De eerste keer dat ik Gert Jan Kocken (1971) spreek heeft hij zijn zwarte trui achterstevoren en binnenstebuiten aan. Het etiket steekt wat naar voren. Ik merk het op en al lopend besluit hij dat dit, midden in de nacht en op straat, het juiste moment is om dat te recht te zetten. Bij ons laatste gesprek heeft hij precies dezelfde trui op precies dezelfde manier aan. Ik zeg niets en geloof onderhand allang niet meer in toeval wat zijn verschijning betreft, met zijn voorkeur voor strikt zwart, wit en een enkele tussenkleur. Ongeacht de tijdelijke rommel in zijn atelier na een intensieve werkperiode, ongeacht de duizend-en-een onderwerpen die hij in een gesprek aanstipt en net zo snel weer achter zich laat, blijft Kocken in gesprek net zo secuur als de intens gemanipuleerde kaarten die hij dit najaar bij Grimm Gallery toont.
De kaarten, van steden die een rol hebben gespeeld in de Tweede Wereldoorlog, maken deel uit van een serie waar hij een kleine tien jaar aan heeft gewerkt. Als reactie op de sneltreinvaart die beeldproductie heeft genomen, en als uitnodiging richting de toeschouwer die meer van het werk eist dan van de eigen concentratie. Het is een bewijs van zijn obsessieve drang, zijn vermogen zich ergens op te concentreren tot hij voor een idee de juiste visuele vertaling heeft gevonden. ‘Een goed idee gaat tien jaar mee’, grapt hij met pretogen. Maar ondertussen meent hij het wel. Na een aanrijding in 2013 met een onoplettende automobilist die verregaande gevolgen heeft gehad voor zijn gezondheid, besloot Kocken een jaar lang de deur van zijn atelier achter zich dicht te slaan en als een monnik aan de kaarten van Warschau en Londen te werken. Na het vroege succes van de serie Disaster Areas (1999-2005), verstilde foto’s van plekken in Europa waar een groep mensen door een rampzijn gestorven en de serie Defacing (2004-2007), over iconoclasme tijdens de Reformatie, holde hij van tentoonstelling naar tentoonstelling. Elke tentoonstelling vroeg om nieuw werk. Ook dat ging hem goed af, maar de druk om onophoudelijk te produceren ging hem na verloop van tijd tegenstaan. Een residentie aan de Rijksakademie tussen 2011 en 2012 was bedoeld als reflectieperiode, maar werd onderbroken door Halbe Zijlstra die aan de poorten van de oude Kavalleriekazerne rammelde. Zijn partner werd ziek en Kocken durfde niet meer te dromen over lummelen in de schaduw.
Als jongen werd Kocken wat onverwachts gesommeerd zijn middelbare school te verlaten. Weg moest hij, hij die verveeld in de klas zat te dromen, naar het volwassenenonderwijs. Daar gold geen opkomstplicht. De dagrust ruilde hij in voor afwezigheid, waarin hij zijn eigen interesses verkende. Met een camera op zak bleef hij dagen weg en absolveerde hij bij thuiskomst zijn absentie met behulp van foto’s die hem toegang boden tot de kunstacademie in Den Haag. Kocken besloot dat dit het zou moeten worden. Tijdens zijn studie maakte hij foto’s van toevallige situaties op straat. Dingen en mensen die, buiten hun tijdelijke samenzijn voor de lens, niets met elkaar te maken hadden werden als permanente constellatie vereeuwigd. Maar soms knipperde hij op het verkeerde moment of stelde zijn camera niet scherp zoals hij dat voor ogen had en was het moment weer weg. Dat moest anders: het vangen van toeval moest een nauwkeurig gecoördineerde bezigheid worden waarbij eerst het idee zou worden bedacht en dan pas het beeld tot stand zou kunnen komen. Toeval werd lot, straatfotografie een zeezicht en opeens was Kocken behalve fotograaf ook beginnend beeldend kunstenaar. Een prettige bijkomstigheid omdat hij in al zijn naïviteit veronderstelde dat grenzen in beeldende kunst gemakkelijk konden worden genegeerd en overschreden. Dat bleek niet helemaal het geval, al bleef het verlangen om anders over onderwerpen na te kunnen denken wel overeind.
Inmiddels is fotografie dankzij de mobiele telefoon voor en van iedereen, waardoor het een andere lading heeft gekregen en Kocken zijn interesse verloor. Doen wat anderen al doen is geen optie als je per se de andere kant op wil kijken. Als een leraar op de academie een manier opperde waarop iets kon worden gedaan, kon je er vergif op innemen dat Kocken ergens aan de andere kant op zoek ging naar de tegenovergestelde mogelijkheden. Soms is het vormen van de eigen identiteit gebaat bij het ontdekken van alles wat je niet wilt zijn. Recalcitrantie heeft een puberaal tintje, maar als je het een en ander extrapoleert is dit wel waarom Kocken zijn trui achterstevoren en binnenstebuiten aan heeft. Niet het verkeerd aandoen is recalcitrant, maar er later wellicht achter komen en besluiten dat het goed past bij die dag, die bui. Of gewoon nooit in de spiegel kijken, weigeren mee te doen. In gesprek over zijn werk komen thema’s rondom macht veelvuldig naar boven en met veel plezier vertelt hij hoe hij als jonge jongen een interview met de Britse filosoof Bertrand Russell op televisie zag waarin Russell vertelde hoe elk mens als grootste en misschien wel enige ambitie het vergaren van zo min mogelijk macht zou moeten hebben. Net als Jean-Michel Basquiat die na zijn eerste financiële successen handenvol dollars uit de ramen van zijn limousine de straten van New York insmeet, moet je macht zo snel mogelijk weggeven, want macht corrumpeert altijd.
De foto’s van Disaster Areas zijn zo gemaakt dat je ‘niets irritants aan kunt wijzen’. Werken om in rond te dwalen, die de maker aan het zicht onttrekken. Sec, zonder al te veel esthetiek en vooral tijdloos. Dat begrip komt veel voor tijdens onze gesprekken. De meest interessante kunstenaar is er volgens Kocken een die werk maakt buiten zijn tijd, om de tendensen van zijn tijdgenoten heen. Maar ook de onzekerheid wat nu precies te doen met de eigen scheppingsdrang, hoe daar vorm aan te geven zonder zelf te verdwijnen of prematuur op te geven. Op de academie waren klasgenoten bezig met welke foto ze konden nemen. Kocken brak zich het hoofd over het nut van het überhaupt maken van een foto. Als er elke dag miljoenen foto’s worden genomen, wat zou Gert Jan Kocken, enig kind uit Ravenstein, daar van betekenis aan toe kunnen voegen? Noem het perfectionisme, noem het nihilisme, een onzekerheid om je achter te verschuilen die voortkomt uit een mengeling van ambitie, interne grootspraak en angst.
Na de aanrijding kon Kocken maandenlang niet slapen. Hij werd er neerslachtig van en het enige wat hielp was heel hard fietsen, het liefst tegen de wind in. De liefde voor fietsen kwam niet helemaal uit de lucht vallen, als eind twintiger was hij in een poging zijn leven te overzien naar Santiago de Compostela gefietst. Maar dit was twintig jaar later. Plotsklaps werd hij telkens duizelig en wilde toen niet meer fietsen. Even later geeft Kocken gekscherend een andere wending aan het einde van zijn fietscarrière die erop neerkomt dat hij er op zijn 47ste achter kwam dat de Tour de France er niet meer inzat. ‘Laat dan maar’. Alles of niets. Het zijn de extremen die de aanwezigheid van een eventueel bewandelbare middenweg moeten verhullen.
De deur van zijn atelier achter zich dicht slaan had in 2013 alles te maken met een jaar lang nee moeten zeggen wegens zijn gezondheid. En, wederom gekscherend, ‘na een jaar lang alles afwijzen hoef je in de kunstwereld geen nee meer te zeggen’. Een zegen en een vloek ineen. Werken hoefden niet meer half afgerond de deur uit en de kaarten hadden de tijd om zich middels uitgebreider onderzoek op te stapelen, tot wel 1300 exemplaren over elkaar heen voor één complete kaart van Warschau. De kaarten lijken overtuigend als origineel, maar de manuren – het gepiel – zijn niet te overzien. ‘Do you know how much it costs to look this cheap?’ stelt Kocken via de mond van Dolly Parton. Als het grondplan is verwijderd maar de annotaties behouden en eindeloos aangepast is het complexe geheel leesbaar voor wie alle kennis reeds in huis heeft. Niemand natuurlijk, op een handjevol historici na. Maar dat deert Kocken niet. Zonder voorkennis wordt de discrepantie tussen oorzaak en gevolg alsnog duidelijk. Die twee woorden suggereren een lineair verband, maar bij het maken van een plan kunnen bommen alsnog op een heel ander deel van de stad vallen door de wind of een incorrect aangebrachte stip. De oorzaak verschuift, en ligt dan niet meer bij het bedenken en uitstippelen van een plan, maar bij de foutieve uitvoering daarvan die net zo destructief blijkt te zijn. Met de kaarten trekt Kocken immers ook heel fijntjes parallellen tussen de laatste keer waar het echt mis ging en het heden, of dit nu de opmars van Geert Wilders als mainstream politicus anno 2009 betreft, of de geruchten over de tweede presidentiële campagne van Donald Trump met zijn dochter Ivanka Trump als running mate in 2019. In ieder geval, naast gezelligheid kent fascisme ook geen tijd.
Kocken is gedurende de gesprekken enorm bewust bezig met het interview. Wat wil hij zeggen, wat niet. Hij maakt grappen over de manier waarop ik de tekst net als mijn zes voorgangers zou kunnen beginnen met de zin ‘Gert Jan Kocken kreeg bekendheid met een serie over rampplekken’, maar liever ook niet. Hoe ‘meta’ is het dan als ik daar niet mee begin maar mee eindig? Bij deze. Dit lijkt mij een passend einde voor het laatste deel van deze zesdelige serie over succes, het hobbelige verloop van een kunstenaarspraktijk en de onverwachte wendingen die het leven nu eenmaal altijd lijkt te behelzen.
Thema's
Alix de Massiac
is redacteur bij Metropolis M en maakt podcasts




