Dat wat niet doorschijnt
In een kunstwereld die steeds vaker vraagt om transparantie en toegankelijkheid, kiezen sommige jonge kunstenaars juist voor ondoorzichtigheid. Rita Ouédraogo vertrekt vanuit gesprekken met kunstenaars, en in hun verhalen klinkt een zoektocht door naar autonomie en bescherming, een beweging die doet denken aan Édouard Glissants pleidooi voor het recht op opaciteit.
In de fluïde ruimtes van de hedendaagse kunst ligt een spanningsveld. Wanneer ik jonge kunstenaars vraag naar hun worstelingen en overlevingsstrategieën, ontvouwen zich verhalen die complexer zijn dan de vragen die ze oproepen. Hun antwoorden resoneren en blijken samen richting te vinden, net als Édouard Glissants concept van relationele identiteit: meervoudig, veranderlijk en nooit volledig te doorgronden. De ideeën van deze Caribische denker uit Martinique zullen in deze tekst blijven doorklinken, in het bijzonder zijn opvattingen over Opacité: samengevat staat dat begrip voor het recht om niet begrepen, of beter: niet gegrepen of gereduceerd te worden.
Dion Rosina heeft het over de paradox van begeleiding: ‘Een coach zou kunnen helpen’, zegt hij. ‘Iemand die je wegwijs maakt in het doolhof van netwerken, subsidies, geschreven en ongeschreven regels.’ Maar in dezelfde adem benadrukt hij het cruciale belang van eigenheid en het varen van je eigen koers.
Mijn zus, Bodil Ouédraogo, heeft het over een strategie die resoneert als een subtiele verzetsbeweging: ‘Geef alles in je werk, maar niet aan iedereen.’ Haar woorden vormen een manifest voor een generatie die worstelt met de grenzen tussen openheid en zelfbescherming. Deze strategie echoot wat Glissant schreef over het behouden van ‘dat wat niet gereduceerd kan worden’ , een manier om complexe aspecten van identiteit te eren zonder deze prijs te geven aan krachten die deze proberen vast te leggen.
Nazif Lopulissa ziet de kunstwereld als een circuit van onderlinge verbanden: ‘Als jonge maker kijk je vaak op naar kunstenaars die op bepaalde plekken hun werk tonen, zonder te beseffen dat hun weg ernaartoe vaak lang is geweest.’ Soms wordt een kunstenaar niet geprezen om werkelijke invloed, maar omdat ‘een bepaalde persoon iemand “cool” vindt.’ Zijn conclusie: ‘Het ligt soms simpelweg niet aan jezelf of aan de kwaliteit van je werk. Laat deze complexiteit juist een motivatie zijn om werk te maken.’
Deze erkenning van willekeur binnen institutionele structuren maakt duidelijk waarom Glissants idee over opaciteit, ofwel ondoorzichtigheid, als strategie zo relevant is. Ondoorzichtigheid is een methode om weerstand te bieden tegen de druk om werk leesbaar te maken voor een ‘universeel’ publiek, waarbij de kern vaak verloren dreigt te gaan. Glissant zag ondoorzichtigheid niet als volledige onleesbaarheid. Voor hedendaagse kunstenaars betekent het evenmin een categorische weigering. Op zijn best gaat opaciteit over het weerstaan van de druk om te veel tegemoet te komen aan de beperkte aannames van kijkers.
Deze ideeën kristalliseerde zich recentelijk uit in het Barbican in Londen, waar kunstenaars Jenn Nkiru, Phoebe Boswell en Alberta Whittle in gesprek gingen met Tina Campt. Een jonge kunstenaar vroeg hoe zij ervoor zorgen dat hun werk begrepen wordt door een publiek dat ver afstaat van de context waarin het is ontstaan. Hun antwoord vormde een krachtig drieluik: ‘Volg je werk, je drijfveer’, was hun collectieve boodschap, ‘want die klopt. Jij bent de expert van jouw werk. Verder niemand.’
In hun antwoorden weerklonk Glissants theorie over het recht op ondoorzichtigheid. Deze positie wordt alleen maar urgenter wanneer we beseffen dat representatie vaak hand in hand gaat met surveillance. Het is een radicale positie in een wereld waar toegankelijkheid als een positieve eigenschap wordt gezien. De obsessie met hoe werk door een publiek wordt ontvangen, leidt af van de kern; de essentie die sowieso altijd het anker is.
Dit standpunt weerspiegelt Glissants verzet tegen de koloniale drang naar een allesomvattend ‘begrip’. Zoals hij schreef: ‘Het recht op ondoorzichtigheid zou vandaag aanvaard moeten worden als een teken van niet-barbaarsheid.’ De kunstenaars verdedigden dit recht, niet als weigering om te communiceren, maar als erkenning van de fundamentele onkenbaarheid van de ander.
Strategieën van ondoorzichtigheid proberen schaduwruimtes te creëren binnen ‘geïnstitutionaliseerde’ ruimtes, die een specifiek publiek aanspreken en voor anderen ontoegankelijk blijven. Sommige connecties zijn alleen bestemd voor hen die bereid zijn tot een relatie die niet volledige transparantie biedt.
Voor curatoren ligt hier een uitdaging: hoe creëren we ruimtes waarin kunstenaars ‘veilig’, als dat überhaupt bestaat, alles kunnen geven, zonder genoodzaakt te zijn alles uit te leggen? Hoe erkennen we dat sommige werken vragen om een publiek dat bereid is om te leven met die ondoorgrondelijkheid? Het herkennen dat er een code is, is de eerste stap om die op te lossen. Maar misschien is de echte kunst het leren leven met codes die niet volledig ontrafeld hoeven te worden.
Door het recht op opaciteit te erkennen, creëren we ruimte voor een ander soort van verbindingen. Door te accepteren dat niet alles direct begrepen hoeft te worden, ontstaat ruimte voor relaties die voorbijgaan aan de koloniale drang naar beheersing.
Jonge kunstenaars navigeren tussen institutionele verwachtingen en artistieke integriteit, tussen de druk om te verklaren en de noodzaak om trouw te blijven aan dit idee van ondoorgrondbaarheid. Als verzet tegen het reduceren van complexe identiteiten tot eenvoudig verteerbare narratieven. Hier ligt naar mijn idee de verantwoordelijkheid voor curatoren en bemiddelaars: om het mogelijke ongemak te omarmen, en de onverklaarbaarheid in al haar potentie te erkennen.
Thema's
Rita Ouédraogo
is schrijver, Curator en Programma-coördinator bij Framer Framed, en co-curator van het Collectie Fonds 2020-21 van de Hartwig Art Foundation.




