
Kan tarot het huis van de meester ontmantelen? (NL + EN)
Tarot bloeit de laatste tijd op in de kunst. Juist wanneer bestaande kaders tekortschieten, politiek faalt en de toekomst benauwt, groeit onder kunstenaars een hernieuwde fascinatie voor het orakel. Erika Sprey onderzoekt aan de hand van verschillende denkers hoe tarot vandaag opduikt als beeldtaal en methode. GO TO ENGLISH HERE
Wanneer ik van de redactie een carte blanche ontvang om een stuk over tarot en kunst te schrijven, haal ik uiteraard mijn kaarten tevoorschijn. Ik zie ze als beproefde spiegels en gidsen die mij door menig project en levenssituatie hebben geloodst. Een orakel raadplegen is niet zonder gevaar; zijn antwoorden zijn niet geheel vrijblijvend. Wie het orakel forceert door het normen op te dringen, of er wenselijke antwoorden aan te ontfutselen, zal op destructieve dwaalsporen worden gebracht. Een heldere intentie en een open, niet-wetende houding is cruciaal om een orakel te laten waarzeggen en ons niet een rad voor de ogen te laten draaien.
Terwijl mijn handen de kaarten schudden, zoek ik naar de eigenlijke brandende vraag-achter-de-vraag: welke honger stillen oudere, ancestrale kennisvormen waar rationele, naturalistische kaders kennelijk tekortschieten? Wat maakt tarot zo aantrekkelijk voor kunstenaars in dit specifieke tijdsgewricht? Of bezien vanuit de ogen van de scepticus: hebben we hier te maken met een vorm van epistemologisch escapisme of regressie als gevolg van de ontreddering die velen voelen ten aanzien van een falende politiek, een oprukkend fascisme, een beschadigde planeet? Kortom, een allesbehalve geruststellende planetaire toekomst? Of is er, voorbij dit soort contextuele en materiële verklaringen, iets fundamentelers aan de hand?
Ik trek kaart 10, Het Rad van Fortuin. The wild card. Kunstenaar en vriendin Felizitas Stilleke, die allerlei orakels diepgaand bestudeert en actief toepast in haar dramaturgische processen, wijst mij er fijntjes op dat tarot mijn vraagstelling nog wat vindt ratelen. Die moet worden aangescherpt om tot een punt te komen. Dat wil zeggen, het enige stille punt van de kaart, oftewel de spil in de as, de onbewogen beweger die alle verandering in gang zet zonder er zelf aan onderdoor te gaan.
Wat opvalt is dat het wiel hoog in de lucht hangt, zoals in het Rider-Waite-Smith-deck, en omgeven is door drie dieren en een engel die het mysterie van deze versnelde veranderingen in hun boeken bestuderen. Of het wiel deint, zoals in de Tarot van Marseille, op een roerige zee waar alles nog louter potentie is en een heldere richting zich nog moet manifesteren. In beide gevallen is er nog geen gronding of fundament om een nieuwe cyclus van groei en transformatie handen en voeten te geven. Wellicht stelt tarot daarom ook de wedervraag: hoe plaatsen we leegte, stilte en niet-weten terug in het hart van deze onpersoonlijke en zelfs transpersoonlijke veranderingen, die elk moment op het punt staat te ontsporen, door een slag in het wiel die de inherente instabiliteit en wrijving van het bestaan in herinnering roept?
De terugkeer van tarot
De eerste gedocumenteerde tarotkaarten verschenen rond 1440–1450 in Noord-Italië, om uiteindelijk in 1760 hun meest iconische vorm te vinden in de Tarot van Marseille door meester-kaartenmaker en koninklijke graveur Nicolas Conver. Sindsdien hebben vele illustere kunstenaars en occultisten zich aan een eigen versie gewaagd: Pamela Colman Smith en Arthur Edward Waite (Rider-Waite-Smith-deck, 1909), Lady Frieda Harris en Aleister Crowley (Thoth-deck, voltooid in 1943), en meer recent de reconstructie van het oorspronkelijke Marseille-deck door Alejandro Jodorowsky en Philippe Camoin (1998).
Wat tarot buitengewoon aantrekkelijk maakt, is dat het géén heilig, onaanraakbaar kunstwerk is dat zich zomaar laat plaatsen in een white cube. Het is een tactiel, openlijk magisch gebruiksvoorwerp met een volkse oorsprong, gemaakt om je eigen te maken in een proces dat zich nog het best laat omschrijven met wat de vos in Saint-Exupéry’s Le Petit Prince ‘apprivoiser’ noemt: een zacht, geleidelijk laten groeien van vertrouwen en verbinding met iemand of iets dat aanvankelijk vreemd en zelfs een beetje gevaarlijk oogt. Een legging opent een intieme, relationele ruimte waarin in gezamenlijkheid met anderen naar betekenis wordt gezocht via associatieve ketens, waarin het archetypische en het persoonlijke elkaar in de kern kunnen raken. Dit collectieve proces zet ook de deur open naar zogenaamde ‘ancestrale’ kennissystemen die niet leunen op rationele argumentatie, maar op een fijnmazig spel van correspondenties, sympathieën, essenties en analogieën die elkaar aantrekken, afstoten en, wanneer ze het alchemistische sweet spot vinden, zelfs kunnen transformeren.
Na een relatief lange stilte, die samenvalt met de meer ironische jaren negentig en nul, neemt kort na de economische crisis van 2008 de interesse in esoterische kennis weer toe. Tarotdecks worden vanonder het stof gehaald en het is opnieuw bon ton om er openlijk voor uit te komen dat je in astrologie ‘gelooft’. Ook tijdens en na de pandemie vindt er een enorme golf van nieuwe tarotdecks plaats die de archetypen losmaken uit een heteronormatief en binair mannelijk/vrouwelijk kader, dekoloniseren (door bepaalde esoterische kennis uit de global majority in de bestaande archetypen te verweven) of repolitiseren (door machtsverhoudingen en onderdrukkingsmechanismen explicieter te maken in zowel representatie als interpretatie).
Makers worden niet zelden gedreven door het verlangen – en zelfs een ethisch imperatief – om zich te emanciperen van het dominante westerse kennissysteem en van de ‘elites’ die dat systeem in stand houden. Hun herziene archetypische verbeeldingen ondergraven deze dominantie door andere werkelijkheden, ancestraliteiten en kosmovisies te weerspiegelen, die wezenlijk andere manieren van voelen, denken, kijken en doen voortbrengen in een wereld die uit vele werelden kan bestaan.
Wat hier op het spel staat, raakt ook lichtjes aan wat Walter Benjamin in The Storyteller (1936) beschrijft als het verlies van overdraagbare ervaring met de opkomst van moderne, versnelde informatie-consumptie. De tarotlegging deelt iets wezenlijks met de orale verteltraditie die hij opvoert: ze vraagt om aandacht en een specifieke temporaliteit; ze werkt via associatie, resonantie en herneming in plaats van via lineaire, sluitende argumentaties. Waar ‘informatie’ snel circuleert en even snel haar waarde verliest, creëert een tarotlegging een constellatie waarin betekenissen zich verdichten. Het is daarom niet verwonderlijk dat sommige kunstenaars een appel doen op tarot als een manier om ‘het dominante narratief terug te nemen’ in een proces wat Chinua Achebe ‘re-story-ing’ noemt: eurocentrische, koloniale narratieven weerleggen door complexe, inheemse perspectieven, stemmen, geschiedenissen en kosmovisies centraal te stellen.
Kosmovisies
Over wat voor kosmovisies spreken we dan eigenlijk? Antropoloog Philippe Descola’s werk is een groot pogen de westerse scheiding tussen natuur en cultuur, die ten grondslag ligt aan het naturalisme, te herzien en te presenteren als slechts één van meerdere mogelijke manieren om de wereld te bezien en te (her)structureren. Met het oog hierop onderscheidt hij vier fundamentele manieren (ontologieën) waarop culturen de relaties tussen mensen, niet-mensen en de wereld conceptualiseren: naturalisme, animisme, totemisme en analogisme. Dat laatste, analogisme, kenmerkt zich door een gefragmenteerde kosmos die bestaat uit ontelbare entiteiten die niet alleen qua uiterlijk verschijningsvorm maar ook innerlijk wezenlijk anders zijn.
Materie is dus binnen een analogistisch wereldbeeld – om een woord uit het nieuw materialisme te lenen – niet alleen vibrant, maar ook in staat om te bewegen en te transformeren door intentie en een diepe, belichaamde kennis van haar essentiële eigenschappen. Dit verklaart wellicht ook waarom bepaalde kunstenaars zich meer thuis voelen in een dergelijk analogisch en zelfs animistisch wereldbeeld, en in het verlengde hiervan, ook dankbaar gebruik maken van een analogistisch orakel als de tarot. In een fragmenterende en gefragmenteerde wereld, waarin we schaduwkanten van een doorgedreven naturalistisch wereldbeeld aan den lijve ondervinden, is het vinden van andere ontologische kaders wellicht daarom ook van levensbelang voor kunstenaars voor wie wereld en materie allesbehalve dood en inert is.
In de praktijk zijn veel kosmovisies uiteraard niet zomaar netjes te scharen onder de vier hoofdontologieën die Descola onderscheidt. Evenzo is analogisme zeker niet de enige kosmovisie waaraan tarot appelleert. Is het bijvoorbeeld mogelijk om door middel van kaarten ook zoiets als een ‘geest’ in te roepen, en dan niet als metafoor, resonantie of correspondentie, maar als een ontologische realiteit? Dit brengt mij tot een van de interessantere tarot-activaties die ik in mijn praktijk als kunstenaar en beschouwer ben tegengekomen: tijdens de pandemie zijn kunstenaar en filosoof Valentina Desideri en Denise Ferreira da Silva begonnen zogenaamde ‘poethical readings’ te hosten, collectieve sessies waarin zij tot een diepgaand inzicht in het huidige tijdsgewricht pogen te komen aan de hand van allerlei ‘unreasonable tools’, zoals astrologie en tarot.
Hun vertrekpunt is een radicale vraag die raakt aan de fundamenten van systemische en systematische onderdrukking. Onder het mom van ‘zorg’ en andere hooggestemde waarden bedient die zich van een objectiverende, afstandelijke en berekenende rationaliteit. Als we onze kennissystemen werkelijk willen emanciperen van de uitwassen van dominante kaders, is het dan niet logischer om ‘onredelijke, intuïtieve, ethische, niet-koloniale, anti-therapeutische, open en complicerende manieren van lezen’ uit te nodigen om deze tijden van polycrises beter te begrijpen?
Ook Walter Benjamin fungeert hierbij, naar eigen zeggen, als inspiratie, met name in de manier waarop intuïtie zogenaamde ‘dialectische beelden’ kan vatten: geschiedenis verschijnt niet als een coherent, lineair plaatje, maar als een constellatie van flarden en fragmenten waardoorheen het verleden oplicht in het heden. In een opslag wordt een tijdsbeeld intuïtief gevat dat ons gehele zijn omvat. Wanneer in een interview echter wordt gevraagd of zij ook geesten oproepen als gidsen in hun lezingen, antwoordt Ferreira da Silva stellig dat hun praktijk louter materieel is: ‘We have definitely departed from the tarot tradition of working with spiritual guides. Or to put differently, we depart from the tradition of working with what is called spiritual, as opposed to material.’
Dit werpt de vraag op in hoeverre deze materialistische herlezing verankerd blijft in een westers epistemologisch kader dat het spirituele slechts als vorm of methode duldt. Hoe ver kunnen we in deze emancipatie gaan wanneer we werkelijkheden en mogelijkheden buiten laten die voor datzelfde kader moeilijk te verteren zijn? Moet ‘the master’s house’ niet ontmanteld worden met middelen die werkelijk van buitenaf komen? Hoe ‘spiritueel’ durft een kunstenaar te gaan zonder angst geloofwaardigheid te verliezen of als te woo-woo te worden afgedaan door een uiteindelijk door naturalisme én materialisme gedomineerde moderne (kunst)wereld?
Misschien vraagt werkelijke epistemische emancipatie niet alleen om het dekoloniseren van beelden en symbolen, maar ook om de mogelijkheid te omarmen dat een onzichtbare wereld bestaat die ver aan ons begrip voorbijgaat, zonder dat dit ons automatisch diskwalificeert binnen academische of artistieke contexten.
Als ik de tarot ten slotte vraag wat die van deze mogelijkheid vindt, geeft die een duidelijk meerduidig antwoord: XX: Judgment.
DIT ARTIKEL IS EERDER GEPUBLICEERD IN METROPOLIS M NUMMER 2 -2026 – STEUN METROPOLIS M NEEM EEN ABONNEMENT. ALS JE NU EEN JAARABONNEMENT AFSLUIT STUREN WE JE HET NIEUWSTE NUMMER GRATIS OP. BESTEL HIER
Erika Sprey
is onderzoeker, procesbegeleider en curator




