metropolis m

Hoe verhoudt de tijd van het lichaam zich tot de tijd van het museum? In haar tentoonstelling in het Van Abbemuseum brengt Ima-Abasi Okon deze vragen in beweging. Met hardloopmatten, klokken en obstakels legt Okon de bezoeker een bepaalde route op die uithoudingsvermogen vergt. De installatie maakt zichtbaar hoe onzichtbare systemen ons lichaam beheersen en bestaan disciplineren.

Mijn vader liep dit jaar de halve marathon in Gotenburg. Via een website kon ik zijn starttijd, gemiddelde snelheid en eindtijd volgen. Het stelde mij op afstand gerust en ik was onder de indruk van hoe snel hij gelopen had. De technologie die hieraan ten grondslag ligt – matten die lopers registreren bij de start en finish – is ook te vinden in het Van Abbemuseum. Daar vormen ze een parcours door de oudbouw van het museum. Twee klokken in andere zalen tonen de registratie van de tijd, maar met een twist: hoe meer bezoekers, hoe sneller de tijd wordt gereset. Niemand komt vooruit, er is geen ‘goede tijd’: het collectieve lichaam begint steeds weer opnieuw. Deze ingreep maakt deel uit van Ima-Abasi Okons tentoonstelling, onder de complexe titel Incorporeal hereditaments like Love [can] Set(s) You Free, according to Kelly, Case, Dru Hill, Kandice, LovHer, Montel and Playa with 50 – 60g of –D,)e,l,a,y,e,d1;—O,)n,s,e,t2;— ;[heart];M,)u,s,c,l,e3;[heart];—S,)o,r,e,n,e,s,s4. Vanuit een kritische reflectie op vooruitgang en optimalisatie van het lichaam en de meetsystemen die ons disciplineren, presenteert Okon verschillende locatie-specifieke interventies in het Van Abbemuseum. De vraag dringt zich op: hoe verhouden deze systemen zich tot de geschiedenis van het museum zelf?

Meten is weten

Bij binnenkomst loopt het parcours via opgeblazen plastic bogen, zoals je die ook ziet bij hardloopwedstrijden. Dan begint het parcours, waarbij ik eerst de verkeerde kant op lijk te lopen, als dat überhaupt mogelijk is. De tentoonstelling is symmetrisch opgezet en vormt een palindroom: een spiegelstructuur, zoals het woord ‘meetsysteem.’ Zo zijn zaal 1 en 10 nagenoeg hetzelfde. Okon speelt met rationele systemen van productie, testen en presteren, en maakt van taal een systeem dat ze naar haar hand zet. Haar vaak lange en ironische titels dragen scheikunde-achtige termen die lijken op wiskundige formules. 

In twee zalen plaatste Okon systeemplafonds, een vorm die eerder was toegepast in Tate Britain in 2021. In totaal bestaan deze uit 981 tegels, en in de enorm lange titel van het werk worden alle tegels afzonderlijk genoemd, van 1 tot 981, afwisselend ‘with peace’ en ‘without peace’. Waar het plafond in de ene zaal verlaagd is, hangt het in de andere zaal slechts 70 cm boven de vloer. De bezoeker moet kiezen: kruipen of omkeren. Een systeemplafond verwijst niet alleen in naam naar een structuur, maar heeft van zichzelf ook een modernistische grid. Populair geworden in de jaren tachtig voor kantoorgebouwen en ziekenhuizen heeft het als voornaamste functie om de leidingen en kabels die er onder liggen onzichtbaar te maken. Okon keert dit om: ze opent de verborgen ruimte erboven en dwingt zo lichamelijk ongemak af.

Onder het plafond doorkruipen, het lopen van een marathon: het zijn verwijzingen naar een route waar veel uithoudingsvermogen voor nodig is. Dit wordt verder onderstreept door markeringsnagels op de vloer die om en om formulieren van de Belastingdienst en zakjes elektrolyten vastpinnen. Deze formulieren zijn bedoeld om allerlei zaken aan te vragen: gezinshereniging, zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag. Samen symboliseren ze de fysieke en administratieve route waar sommige lichamen systematisch doorheen moeten om rechten te verkrijgen: het systeem als uitputtingsslag. 

Er is een link tussen de tijdssystemen van het kolonialisme, kapitalisme, de exploitatie van dat moment en hoe we nu extreem veel van ons lichaam vragen. Het meten van de tijd is politiek en hangt samen met machtsstructuren en manieren van onderwerping. Antropoloog Johannes Fabian schreef in 1983 al hoe kapitalisme en kolonialisme tijd gebruikten om een eenzijdige geschiedenis te creëren: via concepten als ‘vooruitgang’, ‘ontwikkeling’ en ‘moderniteit’ vormt chronopolitiek de ideologische basis voor geopolitiek.1 De Renaissance markeerde het begin van een lineair tijdsbegrip, dat gepaard ging met globalisering en imperialisme. Kolonialisme betekende daarnaast ook de onderdrukking van andere tijdsbegrippen, waardoor een lineaire benadering van tijd uitgroeide tot het dominante model, dat het nog steeds is binnen onze hedendaagse wereldorde. Andere tijdsconcepten werden gemarginaliseerd of onderdrukt. Of zoals W.J.T. Mitchell het verwoordt: ‘Empires move outward in space as a way of moving forward in time’.2 Het bood de mogelijkheid om toekomstige projecten van eigendom te visualiseren. Onze benaderingen van tijd zijn dus verre van neutraal, maar bepalen hoe we verandering interpreteren, en openen of sluiten mogelijke toekomsten. Wie tijd mag structureren, en daarmee verleden, heden en toekomst mag verbinden, bepaalt welke politieke verbeelding mogelijk is. 

Museale tijd en institutionele ritmes
Het museum wordt vaak gezien als een plek waar objecten ‘doodgaan’ of waar de tijd stilstaat. Toch is de temporele dynamiek van musea complexer, zoals cultuurtheoreticus Caroline Levine schrijft: ‘Institutions themselves are composed of overlapping repetitions and durations.’3 Een museum bestaat uit vele tijdlagen, denk aan de collectie als restanten van het verleden; conserveringspraktijken waarbij getracht wordt om de tijd vast te houden; de geschiedenis van een gebouw; toekomstvisies in artistieke leiding en aankoopstrategieën. Maar ook de tijdsschema’s van tentoonstellingen, collectiepresentaties, en de ervaring van de bezoeker die plaatsvindt in de tijd. Levine schrijft over path dependency om uit te leggen waarom instituties zo traag veranderen. Het uitgesleten pad is een verklaring voor waarom het soms zo moeilijk kan zijn om ‘logge’ instituten in beweging te krijgen en verandering te bewerkstelligen. Ze bouwen voort op citaten uit het verleden en vertonen sedimentatie, als lagen in een rotsformatie.

Eén zo’n laag is het koloniale verleden. In 1936, een tijd van fascisme in Europa en wijdverbreid kolonialisme, werd het toen nog genoemde Stedelijk Van Abbemuseum geopend. De oudbouw werd ontworpen door traditionalist A.J. Kropholler en de kunstwerken kwamen uit de persoonlijke collectie van Henri van Abbe (1880-1940), wiens sigarenfortuin deels voortkwam uit de uitbuiting van contractarbeiders op Sumatra. Het deel van het museum waar Okon op inspeelt is volgend jaar dus negentig jaar oud, het nieuwere deel van het gebouw komt uit 2003. In de tentoonstelling Verborgen Verbanden, die tegelijk te zien is, wordt de geschiedenis van plantagearbeiders op Deli in Sumatra centraal gesteld. Er hangt ook een plakkaat dat stelt dat het museum verantwoordelijkheid neemt voor hun koloniale geschiedenis, maar hoe dat er precies uitziet, blijft een voortdurend proces. De kwestie hoe echt recht te doen aan de erfenissen van het verleden blijft een open vraag.

Zo wijst historica Ann Laura Stoler erop dat het moeilijk is om recht te doen aan de koloniale nalatenschap, deels omdat we nog geen bruikbare vragen hebben gevormd over de verschillende tijdsregisters waarin mensen leven, en wat tot het verleden behoort, maar nog niet voorbij is. De uitdaging ligt in het samenbrengen van materiële en epistemische overblijfselen van koloniale genealogieën, ook omdat deze vaak van elkaar worden gescheiden. Denk bijvoorbeeld aan de materiële erfenis van roofkunst in collecties, en de classificatiesystemen waarmee die objecten vervolgens betekenis krijgen. 

Van kadaster tot hardloopmat
Curator Yolande Zola Zoli van der Heide benadrukt dat Okon onderzoek doet naar de systematische vormen van onderdrukking: ‘hoe kolonialisme en raciaal kapitalisme te overleven.’ Ze vertrekt daarbij niet vanuit de specifieke geschiedenis van het museum, zoals in Verborgen Verbanden. Deels geïnspireerd door Levine’s pleidooi voor een hernieuwd formalisme, waarin vorm als politiek instrument wordt opgevat, creëerde Okon het werk Fortunate (2025). Dit werk, in opdracht voor het museum gemaakt, bestaat uit ChronoTrack hardloopmatten die tijd registreren langs de museummuren. Het locatie-specifieke werk, ook Cadastral Mapping Against Land Optimization genoemd in de tentoonstellingstekst, trekt een ‘omheining’ door de oudbouw en verwijst naar kadastrale kaarten. Op de kadasterkaart van Nederland kan je zien dat het gebouw van het Van Abbemuseum zelf twee percelen beslaat, waarbij de oud- en nieuwbouw van het museum verenigd zijn in één perceel. Het systeem van een kadasterkaart is geworteld in koloniale verdelingen van land en het maximaliseren van winst. Van der Heide geeft aan dat het werk ontstond vanuit gedeeld perspectief en situering, in plaats van een specifiek verzoek van het museum.

De tentoonstelling is volgens Van der Heide ook hoopvol, vanwege het resetten van de klokken en de manier waarop zo vertraging wordt voorgesteld. In een samenwerking met de jaarlijkse ASML Marathon Eindhoven kunnen deelnemers van de ASML Your Marathon Challenge zelfs voldoen aan de vereisten voor de race met een museumbezoek. Je wordt je in ieder geval erg bewust van je lichaam in de tentoonstelling, en van de rest van je zintuigen. De gebruikte hardloopmatten stinken naar zweet; verder ruikt het op andere plekken juist steriel en chemisch. Het geluidswerk dat in de zalen met de systeemplafonds weergalmt zorgt voor een claustrofobisch gevoel. Bij het extreem lage systeemplafond weigert een andere bezoeker verder te gaan: ‘ik ben daar te oud voor.’ De elektrolyten die je lichaam kunnen voeden tussen de belastingformulieren door vind ik toch moeilijk om als hoopvol te benaderen. Ik ben vooral blij dat ik aan het eind van de tentoonstelling ergens op een bankje mag zitten. Mijn lichaam is ontzettend moe.

In de eerste plaats voelt de tentoonstelling als een diepgaande reflectie op structuren van onderdrukking, op een experimentele en vormbewuste wijze. De verbindingen tussen de laatkapitalistische prestatiemaatschappij van nu en de winstmaximalisatie van het kolonialisme blijven impliciet, maar nodigen uit tot nadenken over hoe die conceptuele structuren zich verhouden tot de meer concrete koloniale geschiedenis van het Van Abbemuseum. Het blijft een uitdaging om de epistemologische sporen te verbinden met materiële erfenissen van ongelijkheid en exploitatie, maar het lijkt me juist cruciaal om deze samen te bekijken. Met Charles Esche als directeur kende Van Abbe een traject van op experimentele wijze omgaan met dekolonisatie en demodernisatie. Ik ben benieuwd hoe de institutionele verantwoordelijkheid tegenover het verleden verder zal worden ingevuld in de toekomst, onder de nieuwe directeur Defne Ayas. Okon toont in elk geval de gelaagdheid van tijd in verschillende registers: de meetbare tijd van de klok die telkens opnieuw begint, de subjectieve tijd van het lichaam, de trage bureaucratische tijd, de sporen die achterblijven na een performance, en het institutionele tijdsregister dat zich vastzet in kaarten en architectuur. In die veelheid van tijdslagen zit ook de kracht van de tentoonstelling: als verstoring van lineaire geschiedenis en als uitnodiging om opnieuw te beginnen.

1.  Johannes Fabian, Time and the Other: How Anthropology Makes Its Object (New York: Columbia University Press, 1983), 144.

2. W. J. T. Mitchell, “Introduction,” in Landscape and Power, red. W. J. T. Mitchell (Chicago: University of Chicago Press, 1994), 17.

3.  Caroline Levine, “Rhythm,” in Forms: Whole, Rhythm, Hierarchy, Network (Princeton, NJ: Princeton University Press, 2015), 52.

Ima-Abasi Okon, Incorporeal hereditaments like Love [can] Set(s) You Free, according to Kelly, Case, Dru Hill, Kandice, LovHer, Montel and Playa with 50 – 60g of –D,)e,l,a,y,e,d1;—O,)n,s,e,t2;— ;[heart];M,)u,s,c,l,e3;[heart];—S,)o,r,e,n,e,s,s4.
Van Abbemuseum, Eindhoven

10.5 t/m 21.9.2025

Julia Alting

is kunsthistorica en promovenda aan de Rijksuniversiteit Groningen

Recente artikelen