De zwarte dood
Wanneer kunst op de tweede plaats komt en de afkomst, achtergrond en politieke stellingname van de kunstenaar op de eerste plaats, is het einde zoek. Michael Tedja schrijft een vlammend betoog voor een autonome kunstpraktijk, die de kwaliteit van het kunstwerk vooropstelt.
‘Je wordt niet als jezelf geboren. Je wordt geboren met een massa verwachtingen, een massa ideeën van andere mensen – en je moet erdoorheen werken.’ – V.S. Naipaul
American Fiction (2023) is een komedie over zwarte schrijvers en hun lot. De film vertelt het verhaal van een begaafde romanschrijver die het zat is om als ‘zwarte schrijver’ bestempeld te worden, een label waar hij nooit om heeft gevraagd, aangezien hij altijd boeken heeft geschreven over de essentie van kunst. Gefrustreerd door de eendimensionale blik op hem en vele anderen, confronteert hij de kunstwereld met haar grootste obsessie, de Amerikaanse cultuur die mensen reduceert tot karikaturale clichés en stereotypen. Dit doet hij door een pulproman te schrijven die voldoet aan alle clichés waaraan zwarte kunstenaars moeten voldoen om enigszins aandacht te krijgen. Hij schrijft over armoede, onzichtbaarheid, overspel, analfabetisme, ontrouw, criminaliteit, promiscuïteit, achterstelling, slachtofferschap, de zucht naar roem, amateurisme, hulpbehoevendheid, enzovoort. In feite walgt hij van een cultuur die profiteert van zwart entertainment, een cultuur die afhankelijk is van aanstootgevende stijlfiguren om haar kapitalistische ideaal te verwezenlijken. De pulproman wordt echter een megasucces. De ooit zo begaafde auteur heeft zichzelf zwartgemaakt en weg is de serieuze schrijver die hij ooit was. Hij kan nooit meer een gelaagd werk met een dubbelzinnige inhoud creëren. Hij heeft zijn kunstenaarsziel verkocht.
De huidskleur
Het was lange tijd een trend voor kunstenaars in Nederland om een politiek standpunt in te nemen ten opzichte van hun werk, hun collega’s en erger nog, ten opzichte van de kunst zelf. Wanneer kunst op de tweede plaats komt en de afkomst, achtergrond en politieke stellingname van de kunstenaar op de eerste plaats staan, is het einde zoek, dacht ik. Wat ik de afgelopen decennia zag, was dat de kwaliteit van het werk van de Nederlandse kunstenaar er niet langer toe deed. De kwaliteit van het werk werd beoordeeld op basis van de huidskleur en/of afkomst van de kunstenaar. Dat indirecte bewijs (zoals te zien in iemands huidskleur) bewees in mijn ogen helemaal niks. Ik ben er altijd op mijn hoede voor geweest en heb me er sinds mijn afstuderen aan de kunstacademie in 1996 verre van gehouden door uitdrukkelijk niet mee te doen met die trend, die toen al gaande was. De afgelopen achtentwintig jaar heb ik me er ook vaak genoeg tegen uitgesproken in de vorm van geschreven teksten in verschillende gedrukte media, zoals in De Volkskrant, NRC en de Poëziekrant. Het ging mij in 1996, toen ik afstudeerde aan de Rietveld Academie, om de kunst, en dat is nog steeds zo. Het indirecte bewijs dat door de gatekeepers werd aangevoerd, heeft de kunst tot een instrument gemaakt van pragmatisten, cynici en sensatiezoekers.
De mens
De fictie van het zwartzijn en de kunstenaars die deze rol met verve speelden, hebben ervoor gezorgd dat sommige kunstenaars, zonder ooit een kritische solotentoonstelling in een belangrijk museum te hebben gehad, op de hoogste podia mochten acteren. Curatoren en musea sloegen de handen ineen en culturele diversiteit werd zwart, zwarter, zwartst. Het resultaat: geen hoop, geen licht te bekennen. Racisme en discriminatie werden onbedoeld in praktijk gebracht door kunstenaars met een donkere huidskleur, allemaal aangestuurd door een gepolitiseerde kunstwereld die per se het goede wilde doen, maar door haar blinde handelen de plank volledig missloeg. Het discours reduceerde deze zogenaamde zwarten tot objecten. Hun zwartzijn werd vet zwart omcirkeld met absurd dikke lijnen. Ontmenselijkte figuren die beweerden fundamentele kunst te maken. Dit deel van de Nederlandse kunst moest, vanwege een achterstand, koste wat kost bevoordeeld worden. Dat was het adagium. Ik keek over de grens om te zien of het klopte en ontdekte dat Zuid-Afrika, Benin, Egypte, Nigeria en Tanzania elk op eigen kracht een platform hadden gecreëerd, bijvoorbeeld op de Biënnale van Venetië. Daarnaast waren de hedendaagse Afrikaanse kunstbeurs, de kunstbeurs Investec Kaapstad, de Dakar Biënnale en Art X Lagos volledig Afrikaans en steengoed.
De slavernij
Kijk naar waar we politiek gezien vandaag de dag staan. We staan er bar slecht voor na jarenlange beïnvloeding door de culturele wereld met haar vooronderstellingen. Een fikse tegenreactie is het resultaat. De terugslag die we nu te verwerken krijgen, heb ik lang geleden al voorspeld door erover te schrijven en door de culturele wereld erop te wijzen dat als kunst zich zou mengen met de politiek, door kunstpolitiek te bedrijven, er een ferme reactie zou komen vanuit de hoek die toch al niets met kunst had. Waren er maar meer kunstenaars, curatoren, museumdirecteuren en andere kunstliefhebbers geweest die aan de bel hadden getrokken. Dan hadden we samen een waarschuwing kunnen afgeven. Nu leven we in een land waar identiteitspolitiek bedreven wordt door politici die zeggen: ‘Nederland is van de Nederlanders. En we schrappen alle kunstsubsidies.’ Dat conservatieve politieke partijen gesteund worden door mensen die kunst als onzin beschouwen, is een gevolg van een culturele wereld die blind is geweest voor zelfkritiek. Waarom werd er niet of nauwelijks geluisterd? In wat voor kunstwereld leefde en werkte ik eigenlijk? Kunstenaars die zichzelf alleen maar als ‘de zwarten’ zagen en niets anders? Om een vergelijking te trekken: door de vrijheid van geest te vernietigen, konden de tot slaafgemaakten meer werk verrichten. De tot slaafgemaakten moesten op de katoenvelden werken tot ze er dood bij neervielen. Tijdens de slavernijperiode was het motto van de slavendrijvers: ‘Behoud het lichaam en vernietig de geest.’ De slavernijtijd is voorbij. Er is gestreden voor vrijheid. Maar ik heb de afgelopen decennia nooit begrepen waarom kunstenaars door het kunstveld gereduceerd werden tot hun huidskleur. En dat de meeste kunstenaars daar geen probleem mee hadden en er niet tegen in verweer kwamen, heb ik al helemaal nooit begrepen.
De kunstenaar
Opportunisten zijn er altijd geweest in de kunst en in andere domeinen. Nu we tot inzicht zijn gekomen en hebben begrepen dat het politiseren van kleur en afkomst een tegengesteld effect heeft, en nu we inzien dat de intrinsieke kwaliteiten van een scheppend individu rijker, origineler en duurzamer zijn, is de vraag of deze verdieping standhoudt. Beste kunstenaar, besef ten diepste dat het te gemakkelijk is om je als kunstenaar te engageren met iets anders dan de kunst. Realiseer je dat als je niet in de eerste plaats voor de kunst kiest, je dan een vijand creëert. Scheppen is leven in onzekerheid. Stel dat je de politiek geëngageerde zekerheden niet hebt. Wat doe je dan? Door deze vraag leidend te maken in de zoektocht naar jezelf kom je bij de kunst uit en ga je, als het meezit, kunst maken. Er is geen directe vijand meer; je bent vrij van generalisaties, dus je maakt persoonlijk werk waar helemaal niemand om heeft gevraagd of op heeft zitten wachten. Beste museumdirecteuren, curatoren, critici en gatekeepers, autonome kunstenaars – wit, groen, geel, paars, oranje en zwart – zijn unieke individuen die kiezen voor een genuanceerder beeld van de kunst en van zichzelf dan het karikaturale en vaak ook agressieve beeld dat ons de afgelopen decennia werd opgedrongen en waar we aan moesten voldoen.
Michael Tedja




