metropolis m

David Kloosterboer, Pizza construct, 2024, mixed media op paneel, 1107x 75 x 6 cm, onderdeel van de tentoonstelling Grabbelton en Kiezelstenen (2025) bij Galerie Kees van Gelder, Amsterdam

Wat betekent het om iets ‘zelf’ te bereiken als je opgroeit in een wereld die al voor je is opengeschroefd? In de kunstwereld, waar het vaak draait om zichtbaarheid, cultureel kapitaal en de juiste kringen, lijkt een ouder met een bekende naam een voorsprong te geven. Maar hoe ervaren zij dit zelf? Is het wel een voordeel of kan het ook een last zijn?

Tijdens een interview lopen Martin Šimek en Harry Mulisch over een begraafplaats in Rome. Ze stoppen bij het graf van de zoon van Goethe. Op het graf staat ‘Goethe Filius’, de zoon van Goethe. Zijn voornaam, August, is nergens te lezen. ‘Hij schreef ook’, vertelt Mulisch, ‘maar dat was natuurlijk niks.’ De laatste jaren laaide het gesprek over nepobabies regelmatig op. Maar hoe zit dat in de kunst, profiteren ‘kinderen van’ vooral van een uitgebreider netwerk, of zijn ze gedoemd te eindigen zonder eigen naam?

De kunstwereld zit vol met familiebanden: kinderen van kunstenaars die zelf werk gaan maken, museumdirecteuren die galeriehouders grootbrengen, en kinderen van curatoren die ook gaan schrijven. Zelf ben ik er ook zo een, met twee ouders die al zo lang als ik leef in de kunstsector werken. Van jongs af aan werd me regelmatig gevraagd of ik mijn ouders achterna zou gaan, een vraag waar ik lange tijd geen antwoord op had. Ik spreek met een aantal jonge kunstenaars die dezelfde vraag ongetwijfeld vaak hebben gekregen. Hoe gaan zij om met de invloed en ervaringen van hun ouders? Ik vraag me af: is het een voordeel als je al je hele leven ondergedompeld bent geweest in de kunst en de connecties? Of werkt het juist verlammend?

Ondanks dat ik zelf in eerste instantie wat ambivalent was tegenover het idee om de kunstwereld in te gaan, zag ik het altijd als een mogelijkheid. Toen ik uiteindelijk toch kunstgeschiedenis ging studeren en vage kennissen me complimenteerden over de ‘dappere keuze’ die ik had gemaakt – in de trant van: ‘wat mooi dat je doet waar je blij van wordt, ondanks dat je er nooit je brood mee kan verdienen’, moest ik altijd wat lachen. Ik had mijn hele leven gezien dat het wel degelijk mogelijk was, ondanks dat het misschien niet altijd makkelijk is. Ik kende de taal, de geschiedenis, de instituten, kortom, het cultureel kapitaal dat me het gevoel gaf dat die culturele wereld ook voor mij een professionele bestemming zou kunnen zijn, als ik daarvoor wilde kiezen.

Dat besef roept ook ongemak op, gezien het feit dat deze wereld, die voor velen ondoorgrondelijk blijft, voor mij meer benaderbaar was. Het toont ook hoe de kunstwereld toch vaak als een gesloten ecosysteem functioneert, waarin netwerken, codes en cultureel kapitaal bepalen wie er zich thuis mag voelen. Tegelijkertijd ervoer ik zelf lange tijd een barrière om te schrijven over kunst. Deels misschien door het oude adagium, dat hoe meer je weet, hoe meer je ook weet dat je zoveel niet weet, waardoor ik altijd het gevoel had meer te moeten leren. Daarnaast vond ik het toch lastig om me los te maken van de directe en indirecte oordelen en verwachtingen die kwamen kijken bij de vraag of ik in ‘de voetsporen van’ zou treden. Om te kijken naar de voor- en nadelen van zulke familiebanden, spreek ik een aantal kunstenaars met eenzelfde achtergrond. 

Zora Ottink, Nothing to behold, just blue, 12.2 x 16.1 x 2 cm, blauw papier in passe-partout uit oud familiealbum, gesmeed met zwart gewalst ijzer, De afwezigheid van de foto laat het blauw achter als oneindige ruimte waarin herinner en vergeten elkaar afwisselen. Courtesy de kunstenaar en galerie EENWERK, Amsterdam

Een veilige keuze?

Zora Ottink studeerde in 2021 af aan de Gerrit Rietveld Academie. Haar vader is kunstenaar en haar moeder werkt als grafisch ontwerper en art director. Ik vroeg haar of ze ook vaak de vraag kreeg of ze de kunst in zou gaan. ‘Ja’, vertelt ze, ‘ik antwoord dan altijd wat cynisch dat ik gewoon heel veilig in de voetsporen van mijn ouders ben getreden. Maar is dat echt veilig? Ik denk dat kiezen voor de kunst nooit veilig is, maar ik heb in ieder geval altijd bewondering voor mensen die een hele andere richting inslaan dan hun ouders.’

Ze vertelt dat ze lange tijd juist wat terughoudender was. ‘Ik had niet een heel rooskleurig idee van het kunstenaarschap. Voordat ik naar de kunstacademie ging, wist ik wel meer dan mijn klasgenoten wat me te wachten stond. Toen ik jonger was dacht ik: ik ga de kunst in, maar dan wel toegepast. Maar later koos ik toch voor autonome kunst. Terwijl ik daar lang in ontkenning over was, het leek me toch een wat onzeker bestaan.’

Hoe was dat toen je klaar was? ‘Toen ik afstudeerde, wist ik in wat voor een wereld ik me zou gaan begeven. Ik denk dat veel beginnende kunstenaars daar anders tegenaan kijken, en toch wel teleurgesteld zijn als ze dan uiteindelijk die wereld binnentreden. Ik had daar wel een wat realistischer beeld van. En had tegelijkertijd ook een stapje voor, omdat die wereld niet onbekend was, omdat het iets was dat al leefde binnen ons gezin.’

Jade van Doesburg, die dit jaar afstudeert aan de KABK en wier ouders samen een galerie hebben in Amsterdam, wilde lange tijd absoluut geen kunstenaar worden: ‘Ik zette me daar echt tegen af. Het leek me ook heel eenzaam. Maar here we are.’ Ook zij bevond zich van jongs af aan in een wereld vol kunst: ‘Ik weet niet hoe het zou zijn als het er niet was. Je neemt het niet for granted, maar het wordt toch iets normaals, als een tweede natuur. Dat vind ik wel fascinerend.’ Tegelijkertijd kan het ook verlammend werken, vertelt ze: ‘Toen ik net begon, hield het me wel een beetje tegen, omdat je al zo veel dingen hebt gezien vanaf jonge leeftijd, waardoor je al een idee hebt van wat goed en slecht is. En ik merkte dat ik daardoor wel een beetje vastliep en ook minder durfde. Dat ik dacht: dit is goed, dus moet ik ook binnen die lijntjes kleuren. Terwijl je in het eerste jaar juist moet experimenteren en niet werken met de blik of het oordeel van anderen in je achterhoofd.’

David Kloosterboer studeerde in 2023 af van de Gerrit Rietveld Academie. Zijn moeder is galeriehouder en zijn vader kunstenaar. Hij groeide op te midden van de galerie en het atelier. ‘Van jongs af aan zat het huis vast aan de galerie, en het atelier van mijn vader ook. Het was leuk om er te wonen, een groot geheel in een oud industriepand in het centrum van Amsterdam. Ik maakte er veel mee, van openingen tot verzamelaars die kwamen eten. Dan moest ik de borden afwassen, had ik ook wat te doen. Leven en werk liepen in elkaar over. Dat voelde organisch.’ Heeft dat invloed gehad op je werk nu? ‘Misschien ben ik daardoor minder bang voor mensen geworden. Doordat er zoveel mensen over de vloer kwamen, werd ik opener. En dat je weet: een opening is niet eng.’

Bij zijn eerste groepstentoonstelling, bij Galerie Van Gelder, werd ook werk van zijn vader getoond. David: ‘Kees [Van Gelder] had dat stiekem gedaan. Die tentoonstelling ging over generaties: twee kunstenaars  werden aan elkaar gekoppeld, een jongere en een oudere. Maar ik werd in die tentoonstelling niet eens aan mijn vader gekoppeld, maar aan een andere kunstenaar van de Rietveld. Ik heb het er toen ook wel met hem over gehad, maar mijn vader zei: “dat kan je toch helemaal niks schelen, wat anderen daarover zeggen? Wij zijn toch verschillende mensen?” En dat is ook zo, we maken heel ander werk.’ Neem je die vergelijking bewust of onbewust mee tijdens het werken? ‘In het begin op de academie wel, toen ik nog niet echt een kader had, dacht ik soms: misschien lijkt dit op wat m’n vader doet. En dat wilde ik juist niet, daar wilde ik van wegblijven. Maar dat voel ik nu minder, het loopt ook wel los.’

Feedback

Toch kan het wringen, in een wereld van ons kent ons, zijn het connecties die je kansen bieden. Dat beamen alle kunstenaars die ik spreek. Jade: ‘Ergens is het ook gewoon oneerlijk, maar tegelijkertijd is het niet raar dat jij als dochter van een schrijver of galeriehouder iets in diezelfde wereld gaat doen.’ Zora: ‘Het risico is dat je succes wordt gekoppeld aan je ouders en mensen je werk niet meer op zichzelf zien. Tegelijkertijd moet je assertief zijn denk ik, weten wanneer er zich kansen voordoen en daarnaar handelen.’ Jade: ‘De kunstwereld is ook gewoon hard. Dus als jij geen goede kunstenaar bent, denk ik niet dat je het gaat maken, puur varend op de naam van je ouders. Tenzij je heel veel geld hebt misschien en daardoor veel voor jezelf kunt regelen.’

Praten ze met hun ouders over hun werk, krijgen ze feedback of advies? Zora: ‘Nee, mijn vader wil zich daar niet mee bemoeien, hij wil dat het echt iets van mij is. Of hij zegt dan pas iets in een heel laat stadium, als het eigenlijk al de wereld in is gegaan. Maar ouders hebben in hetzelfde werkveld is wat mij betreft vooral een voordeel, feedback of niet, ze begrijpen toch intrinsiek waar je mee bezig bent. Een tragedie wordt het wel wanneer ze te groot zijn; als je de zoon van Goethe bent, bijvoorbeeld.’ Voor David is het een balans: ‘Ik laat weleens een foto zien van werk in mijn studio, en vraag aftastend wat ze ervan vinden. Mijn vader kan best een rechttoe antwoord geven, maar hij wil dan ook niet leraar spelen, we gaan het niet analyseren.’ Jade: ‘Ik moet zeggen dat ik dat in het begin soms wel frustrerend vond. Als je ouders kritisch zijn, is dat extra lastig. Tegelijkertijd betrap ik mezelf erop dat ik, als ze juist lovend zijn, vaker denk: dat zeg je alleen maar omdat je mijn moeder bent. Maar ik merk nu de laatste tijd, dat als ik zelf ergens helemaal achter sta, dat ik niet eens meer de behoefte voel om het ze te laten zien. Dat je kennelijk toch zelf aanvoelt: dit is goed.’

Lara den Hartog Jager

is schrijver en curator

Recente artikelen