Geldzorgen
Lena van Tijen verbaast zich over kunstacademies die het beeld in stand houden dat ellende en armoede goed is voor je carrière, alsof ‘sad sells’, terwijl ze er beter aan zouden doen de studenten te leren hoe je je als kunstenaar een inkomen verschaft.
Op het toilet staarde ik naar het briefje boven de wasbakken. GEEN KWASTEN UITSPOELEN A.U.B., herhaalde ik inwendig, terwijl ik mijn adem stokte in mijn keel. Met mijn rug leunde ik tegen de koele tegelmuur. Wanneer ik mijn ogen op de voegen liet rusten, kantelde het grid van links naar rechts en begon te draaien. Ik sloot mijn ogen, wat er alleen maar voor zorgde dat ik mijn hart tot in mijn tanden voelde doordreunen. Ik dacht: ik ga dood.
Een klein kwartier eerder had ik nog in het atelier gezeten. Het was tien uur op donderdagochtend, de dag met de laagste opkomst in het derde jaar van de opleiding Beeldende Kunst aan de kunstacademie. Als een van de eersten zat ik achter mijn bureau. Ik had er een ‘werkje’ bijgepakt waar ik al zittend aan kon werken, of waarmee ik in ieder geval kon doen alsof.
Zoals iedere donderdag stond er een rondgang van docent M op het programma. M was een schilder die altijd kwam aanzetten met een chromen koffertje vol standaardwerken over de renaissance. In zijn eigen praktijk werkte hij uitsluitend met bladgoud. Als mens was hij getekend door een brand waarbij zijn atelier, inclusief de daarin opgeslagen doeken, in vlammen opging, een verhaal dat hij geregeld vertelde. Zijn ervaring was niet enkel bedoeld als waarschuwing, maar ook als manier om hem benaderbaar te maken.
Die ochtend stapte M direct op mij af. ‘Je ziet verschrikkelijk bleek’, zei hij, terwijl hij een stoel vanachter een leeg bureau pakte. ‘Gaat het wel?’ Sinds een paar maanden had ik last van slapeloosheid, iets waar ik absoluut niet over wilde praten – en al helemaal niet met M.
Zijn bezorgdheid voelde verre van oprecht. Iedere donderdag maakte hij een rondje door het atelier, en bij elke student hoorde ik hem hengelen naar een zielig verhaal. Op een gemiddelde donderdag was te horen hoe de persoon links van mij vertelde over de scheiding van zijn ouders, terwijl degene rechts werd ondervraagd over haar vermoedelijke eetstoornis.
De schilder, die in zijn eigen werk voornamelijk decadentie uitstraalde, probeerde een hele lichting jonge kunstenaars aan te zetten om hun trauma’s niet alleen met hem te delen, maar deze ook om te zetten in werk dat – bij voorkeur – verkoopbaar was. Dit alles vanuit zijn schimmige overtuiging dat sad sells.
Thema's
Verkeerde adviezen
Nog voor ik voet had gezet op de kunstacademie, was ik al misleid. In 2012 bezocht ik voor het eerst Londen, met haar gratis musea en overvloed aan galeries. In de museumwinkel van Tate Modern kocht ik twee boeken: Just Kids (2010) van Patti Smith en Be The Worst You Can Be (2012) van Charles Saatchi. Mijn keuze was voornamelijk gebaseerd op de chique omslagen en de titels; mijn kennis over hedendaagse kunst was op dat punt nog zeer gering. Toch zouden deze boeken sterk bijdragen aan mijn idee van (beginnend) kunstenaarschap; een mythe die ik pas jaren later zou weerleggen.
In Just Kids beschrijft dichter en muzikant Patti Smith het begin van haar makerschap, dat samenging met een liefdesrelatie, en later vriendschap, met de gevierde fotograaf Robert Mapplethorpe. Dit doet ze in passages doorspekt met altruïsme en namen die mettertijd de New Yorkse kunstscene niet alleen zouden bevolken, maar zelfs definiëren.
Ergens aan het begin van het boek legt Smith uit hoe ze overdag voor een habbekrats bij een boekhandel werkte, om vervolgens de hele nacht te kunnen tekenen. Ze schrijft hoe zij en Mapplethorpe honger leden, maar dat niet erg vonden omdat ze leefden voor hun kunst.
Als twintiger kwam mij dit ontzettend romantisch voor. Wat ik toen nog niet wist, was dat Smith bij het verschijnen van haar memoires beschikte over een vermogen van meerdere miljoenen. Beter gezegd: ze beschikte inmiddels over de kennis en de financiële middelen, een garantie die de armoede van toen iets opofferingsgezinds, zelfs iets moois gaf.
Charles Saatchi bood op zijn beurt een heel ander perspectief. Ik had geen idee wie de invloedrijke kunstverzamelaar was. De bezwerende titel Be The Worst You Can Be, en ondertitel Life’s Too Long for Patience & Virtue, had mij naar hem toe gelokt. Het zwarte boekje met gouden letters en goud op snee had daarbij iets weg van de bijbel.
In het boek beantwoordt Saatchi ingezonden vragen. Een aantal daarvan gaat over geld. ‘What is more powerful: money or knowledge?’ staat er bijvoorbeeld. ‘If you want to know what God thinks about money, look at the people he gives it to’, antwoordt uitgerekend de man die tweehonderd miljoen waard is. De ironie daarvan kan Saatchi zelf ook niet ontgaan zijn.
Arme kunstenaars
De treurige boodschap is dat er in de kunstwereld – en dat geldt des te meer voor jonge makers – eigenlijk nauwelijks iets verkoopt, zelfs niet als het sad is. Naar mijn mening hadden M en consorten op de kunstacademie daarom meer aandacht moeten besteden aan het belang van subsidieaanvragen en aan het feit dat de gage van de gemiddelde kunstinstelling niet genoeg is om van te leven, in plaats van de indruk te wekken dat je met trauma’s kunt cashen.
Wie wél oog hebben voor de financiële kant van het kunstenaarschap, zijn Hans Abbing en het Londense collectief The White Pube, bestaande uit Zarina Muhammad en Gabrielle de la Puente. In zijn academische studie Waarom zijn kunstenaars arm? De uitzonderlijke economie van de kunst (2002) onderzoekt Abbing hoe een sector waarin geregeld exorbitante bedragen omgaan, toch zoveel beoefenaars kent die onder de armoedegrens leven. Hij geeft hiervoor de volgende verklaringen:
- De ontkenning van economie is alom aanwezig in de kunst (bijvoorbeeld: geld is geen gespreksonderwerp en kunstenaars worden vaak als onbaatzuchtig gezien).
- Kunstenaars (en academies) houden zelf de mythe in stand dat de kunstwereld voor iedereen toegankelijk is, terwijl dit in de praktijk maar voor een zeer kleine groep geldt. Onsuccesvolle kunstenaars dragen namelijk bij aan de status van degenen die wél zijn doorgebroken.
- Door subsidiëring neemt het aantal arme kunstenaars weliswaar af, maar het zorgt er ook voor dat kunstenaars die – realistisch gezien – zouden moeten ‘zinken’, toch blijven drijven.
Poor Artists (2024) van The White Pube is een ‘roman’ die duidelijk veel dank verschuldigd is aan het onderzoek van Abbing. In het boek gebruiken Muhammad en De la Puente talloze gesprekken die zij hebben gevoerd met kunstenaars en andere betrokkenen uit het werkveld om tot het verhaal te komen van personage Quest Talukdar, een jonge Britse kunstenaar die maar geen voet aan de grond krijgt in de kunstwereld.
Om zichzelf wat financiële ruimte te bieden, creëert Quest het alter ego QT, dat neonkleurige ‘Instagramkunst’ maakt. Maar zoals te verwachten valt, slokt QT’s praktijk binnen de kortste keren alle vrijgekomen ruimte weer op.
‘Maybe I wanted to support the arts but couldn’t afford to. Maybe I wanted the arts to support me’, zegt Quest. Daarmee verwoordt zij een gevoel dat ik bij veel jonge kunstenaars bemerk. Deze makers willen wel degelijk meedoen, maar twijfelen of ze daarvoor de regels van de status quo moeten volgen – of beter kunnen breken.
In 2023 moest ik grinniken bij het lezen van een nieuwsartikel waarin stond dat kunstenaar Mart Veldhuis zijn afstudeerproject, een wandkleed genaamd Eigen schuld, had verkocht voor 45.879,40 euro, het exacte bedrag van zijn studieschuld.
Het maken van kunst, en met name iets intrinsiek tijdrovends als een wandkleed, is een traag proces. Een studie daarentegen heeft een strak tijdskader en verbindt daar een steeds verder oplopende geldteller aan. De absurditeit van die tegenstelling werd door Veldhuis inzichtelijk gemaakt.
Wat mij deed lachen, was dat zijn poging tot kritiek meteen weer werd teruggezogen in dezelfde mallemolen doordat het werk werd aangekocht door een kunsthandelaar.
Na mijn tijd als kunststudent stopte ik met het maken van werk. In plaats daarvan begon ik te schrijven over kunst. Ik herinner me een van de eerste kunstbeurzen die ik moest recenseren. Nog redelijk vers van de academie wilde ik zoveel mogelijk kunstenaars uitlichten, maar al snel werd me duidelijk dat ik keuzes moest maken.
Terwijl ik naar een textielwerk keek, werd ik aangeklampt door een galeriehoudster. Ze vroeg of ik met de kunstenaar wilde praten. Nog voor ik antwoord kon geven, riep ze: ‘Joana, er is hier iemand die je wil spreken!’ Terwijl de kunstenaar naderde, hoorde ik de galeriehoudster sissen: ‘Wel in de buurt blijven, hè.’
Begin 2025 kwam ik Joana Schneiders werk opnieuw tegen. Al scrollend op Instagram zag ik een video op een account dat zogeheten satisfying content deelt. Het account heeft haast twee miljoen volgers en het filmpje was al 273 duizend keer bekeken. In de video snijdt de kunstenaar met een roterend mesje bundels gouden garen open, waaruit meerkleurige, draadachtige constructies vrijkomen die doen denken aan aardlagen.
Schneider, die op de kunstbeurs nog door haar galeriehoudster werd berispt, had duidelijk een manier gevonden om de kunstwereld te navigeren.
Lena van Tijen
is schrijver




