Idolen van de markt
Idolen van de markt
Modern iconoclasme en het fundamentalistische spektakel
Begin dit jaar was in BAK, basis voor actuele kunst de tentoonstelling The Art of Iconoclasm te zien, samengesteld door kunstcriticus/curator Sven Lütticken. Als voortvloeisel uit deze tentoonstelling ligt er nu het boek Idols of the Market. Modern Iconoclasm and the Fundamentalist Spectacle.
Bijna alle kunstwerken uit de tentoonstelling The Art of Iconoclasm komen terug in het boek, maar verwacht van Lütticken geen traditioneel kunsthistorische benadering, integendeel. In de inleiding van zijn boek schrijft hij: ‘Het is duidelijk, waar nu het meest urgent behoefte aan is, is het samenkomen van verschillende contexten, academisch, artistiek en activistisch (…).’ Volgens Lütticken worden immers vaak teksten geproduceerd die niet bedoeld zijn om te lezen – in het geval van de kunstkritiek omdat ze vaak de kunstmarkt bedienen, in het geval van de academische wereld om op de publicatielijsten te verschijnen’. Zijn eigen benadering – en dat mag je opvatten als een duidelijk statement – gaat compromisloos de andere kant op. In zijn boek word je op elke pagina getrakteerd op een hecht, eclectisch betoog waarin kunstgeschiedenis, filosofie, theologie en cultuurkritiek worden gecombineerd, daarbij in een duizelingwekkende vaart door alle tijdvakken van de geschiedenis heen fietsend, de lezer vaak ademloos achterlatend.
Voor mij viel met het lezen van Idols of the Market de samenhang tussen de kunstwerken uit de tentoonstelling The Art of Iconoclasm, die bol stond van de theoretische verwijzingen, pas echt op zijn plaats. Dat de tentoonstelling werd bekritiseerd als zijnde te cerebraal omdat de kunstwerken te veel als illustratie van theorie werden opgevoerd, wekt dus geen verbazing. Het boek lijdt hier in enkele gevallen ook aan, ook al schrijft Lütticken opgewekt dat ‘binnen zijn interdisciplinaire montage, de interdisciplinaire dialoog met de kunstenaars centraal staat.’
Wie het werk van de Iranese kunstenaar Natascha Sadr Haghighian niet kent, is na het lezen van de interpretatie van de installatie Empire of the Senseless Part 1 (2006) in het boek, niet veel wijzer. Lütticken schrijft met hartstocht over haar werk, maar spint zo’n hecht theoretisch web om één enkel werk, dat de wijze waarop het ingebed ligt in het gevarieerde oeuvre van de kunstenaar, volledig naar de achtergrond verdwijnt. Empire of the Senseless Part 1 is een installatie bestaande uit een corridor van lampen die aangaan via een bewegingssensor. Het licht dat via de beweging van de toeschouwer gaat schijnen, laat een citaat uit het boek van de postmoderne, feministische schrijver Kathy Acker oplichten, dat in fluorescerende letters op de muur geschreven is. Volgens Lütticken gaat het werk uiteindelijk over het feit ‘dat wij ons niet alleen moeten concentreren op extreme vormen van iconoclasme in heden en verleden die ontaarden in een radicale afwijzing van het beeld’, maar op de meer subtiele voorbeelden uit de theorie en de praktijk ‘waarin een vorm van iconoclasme wordt ingezet om het beeld te bevrijden, in plaats van te verbieden’. Laat dit nu ook meteen de kerngedachte achter het hele boek zijn.
Net als de tentoonstelling gaat het boek over een hedendaagse interpretatie van een doorgaans louter historisch beschreven fenomeen: het iconoclasme. Door de opkomst van fundamentalistische bewegingen wordt religie, en dan met name het monotheïsme vaak in één adem genoemd met intolerantie, iconoclasme en geweld. Dit negatieve beeld is een van de dominante hedendaagse mythen over religie geworden, aldus Lütticken. Het harde onderscheid dat wordt gemaakt tussen het seculiere Westen enerzijds en religie, met name islam, anderzijds is een idee-fixe. Lütticken kaart terecht aan dat de moderne westerse cultuur veel verschuldigd is aan religie. Zo heeft de moderne kunst, ontstaan in de navolging van de Verlichting, vanaf het begin de regels van representatie en de beelden van christelijke en andere goden gedeconstrueerd. Evengoed kun je de abstracte kunst als een vorm van modern iconoclasme beschouwen. Er is dus geen sprake van één enkelvoudige geschiedenis van het iconoclasme, maar van veel verschillende en elkaar overlappende.
Voor alles tracht Idols of the Market dan ook een tegenwicht te bieden aan het publieke debat over religie en islam, dat is gekaapt door extremisten en het denken in tegenstellingen. ‘Hoe kunnen we een alternatief voorstellen voor deze fundamentalistische versie van de spektakelmaatschappij?’, zo vraagt hij zich af. Hij gaat op zoek naar voorbeelden uit de kunst die hierop een antwoord bieden. Hierin neemt hij bewust afstand van eerdere benaderingswijzen, zoals die van de tentoonstelling/catalogus Iconoclash (2002), waar de nadruk eenzijdig lag op de geschiedenis van het iconoclasme als het agressief stukslaan of vernietigen van beelden, en het faillissement van de kritiek hierop. (Als hedendaags voorbeeld hiervan zou men de kritiek op Geert Wilders ‘iconoclasme’ kunnen noemen. De kritiek die men heeft op zijn extreme uitlatingen, levert hem alleen maar meer publiciteit en zichtbaarheid op. )
Lütticken wil zich hier niet bij neerleggen, volgens hem is er wel degelijk een vorm van kritiek mogelijk. Daarbij is het juist belangrijk religie en visuele cultuur in samenhang met elkaar te zien, omdat beide in feite visualiserende praktijken zijn. Onze relatie tot het beeld wordt immers nog steeds bepaald door de geschiedenis van het monotheïsme, ergo religie bepaalt de manier waarop wij de wereld zien, ook in onze seculiere, westerse samenleving, waarin niemand zich daar meer van bewust is.
Deze benadering levert ook bijzondere interpretaties van kunstwerken op. Gert Jan Kockens foto’s van de overblijfselen van de reformatorische Beeldenstorm in Europa zouden geen betere context en ‘uitleg’ kunnen vinden dan in Lüttickens boek. Indrukwekkend is ook de eigenzinnige wijze waarop in het hoofdstuk ‘From one spectacle to another’ de actuele betekenis van het situationisme wordt verbonden aan de traditie van het iconoclasme. Als een kritiek van het beeld was het monotheïstische discours over afgoderij ook een wegbereider voor de moderne kritiek op traditie, op religie zelf, op consumptieartikelen en op het kapitalisme.
Het situationisme is hier een voorbeeld van. Zij vocht tegen de ‘verafgoding’ van het kapitalisme en bekritiseerde en analyseerde de functie van de macht van het beeld als de verhulling hiervan. Lütticken vergelijkt dit authentieke en compromisloze verzet tegen de spektakelmaatschappij met de hypocriete wijze waarop fundamentalistische terroristen de afwijzing van het beeld hebben verruild voor de instrumentalisering ervan. De wijze waarop de Taliban video en nieuwe media gebruiken voor het verspreiden van hun gedachtegoed, terwijl ze de verderfelijke moderne, westerse beeldcultuur in essentie verfoeien, is hier een voorbeeld van.
Het is dan ook niet zozeer kunstbeschouwing in de traditionele zin die dit boek de moeite van het lezen waard maakt, maar des te meer Lüttickens vlijmscherpe, politiek gepeperde uitspraken die je aan het denken zetten. Om ‘voorbij de idolen van het marktdenken te reiken’ moet er ten slotte fel van leer getrokken worden. In één adem met de Taliban krijgen de ‘Verlichtingsfundamentalisten’ ervan langs. ‘Sinds de aanval op het Word Trade Center op 11 september 2001, wordt elke gelegenheid te baat genomen om uit te melken door een aantal islam-bashing schrijvers.
Het Europese en Amerikaanse het publieke debat is volledig gegijzeld door deze schrijvers die maar blijven hameren op het feit dat de Islam structureel immuun is voor elke vorm van reformatie en onverenigbaar met het Westen, de democratie en het verlichting.’ Vergeten wordt ‘dat in de V.S. het Christelijke fundamentalisme een steeds grotere rol is gaan spelen en dat christendom, Jodendom en en de vroege Islam hechte historische verbanden kennen.’ En hoe zit het met onze eigen Nederlandse, dood geknuffelde verlichtingsfundamentalist Hirsi Ali? Is het geen teken aan de wand dat zij nu op de schoot zit van het neoconservatieve American Enterprise Institute, dat warme banden onderhield met de regering Bush, zo vraag Lütticken zich af?
Guusje ter Horst die zich in Vrij Nederland beijverde over ‘een opstand van de elite’, hoeft zich geen zorgen te maken. Ze zijn er wel degelijk, de kunstcritici die hun mond open durven doen. De wijze waarop Lütticken activisme en kunstbeschouwing samen laat gaan is buitengewoon uniek in het kunstkritische landschap in Nederland. En hoewel het een harde noot is om te kraken: iedereen zou dit boek moeten gaan lezen, zich eerst knarsetandend ergerend aan de ondoorgrondelijkheid van het boek, om dan na verloop van tijd te kunnen genieten van alle erudiete en creatieve dwarsverbanden, doorzichten en ongezouten stellingnamen.
Ingrid Commandeur is eindredacteur van METROPOLIS M
Sven Lütticken, Idols of the Market. Modern Iconoclasm and the Fundamentalist Spectacle, SternbergPress, Berlijn 2009.
ISBN 978-1-933128-26-9
http://svenlutticken.blogspot.com/
Ingrid Commandeur





