
Moet je horen – Het bevrijdende potentieel van geluid
Lang was beeldende kunst voorbehouden aan het oog, en gold geluidskunst als een sonologisch specialisme voor een kleine groep liefhebbers. Maar geluid is steeds meer een vast onderdeel geworden van presentaties die zich nadrukkelijk multisensorisch manifesteren aan het publiek en met alle middelen iets te vertellen hebben. Manuela Zammit schrijft over de opmars van geluid aan de hand van drie recente voorbeelden.
Eerder dit jaar bezocht ik Tarek Atoui’s solotentoonstelling the Shore / a place I’d like to be in S.M.A.K. Gent. Hoewel Atoui een gevestigde naam is in de internationale kunstwereld, komt zijn eerste solotentoonstelling in een Belgisch museum op een goed moment, nu geluid en sonische artistieke praktijken een steeds centralere plaats krijgen binnen de beeldende kunst. Gedurende dit jaar zullen ook een aantal andere Europese kunstinstellingen grootschalige tentoonstellingen openen, gewijd aan de verschillende overlappingen tussen geluid en beeldende kunst, waaronder een waarin de partituur centraal staat (Score in Hamburger Bahnhof, Berlijn), een over de toekomst van geluidskunst (Audible Futures in Museum Susch, Zwitserland) en een over geluid als imaginair landschap (Sonic Imaginaries in Centre Pompidou, Parijs).
Sinds de jaren zestig hebben muzikale, luidruchtige, zoemende en anderszins hoorbare kunstwerken de hedendaagse kunstruimtes verlevendigd. Maar hoewel geluid in de kunst altijd een rijke geschiedenis heeft gehad, bleef het een relatief onderbelicht fenomeen, een specialisme, soms een bijeffect, dat vooral gedempt moest worden om maar niet te veel de andere tentoonstellingen te storen. Pas in de jaren negentig werd de term ‘geluidskunst’ gemeengoed in de kunstwereld en begonnen musea het te beschouwen als een kunstvorm die tentoongesteld kan worden. Wat is de reden dat hedendaagse kunst momenteel steeds vaker gebruikmaakt van geluid? Hoe en waarom is geluid bezig de beeldende kunst op te schudden, zozeer dat je bij recente Open Studios op De Ateliers en de Rijksakademie de indruk kreeg dat er bijna geen kunstenaar meer is die geen geluid toevoegt aan diens presentatie?
Meer dan ooit tevoren streven kunstenaars ernaar met geluid een tijdelijk verhoogd niveau van betrokkenheid van het publiek te bereiken, om zo politieke, sociale en ecologische aspecten van het werk beter over het voetlicht te brengen (of in termen van dit stuk: hoorbaar te krijgen). De vraag hier is misschien vooral in hoeverre deze tendens naar immersiviteit en multisensorisch engagement effectief is in het bereiken van de gestelde doelen.
Luisteromgeving
Voor the Shore / a place I’d like to be presenteerde de kunstenaar-componist Atoui een mix van bestaand en nieuw werk. De tentoonstellingszalen in het S.M.A.K. werden gevuld met slangen en draden, houten kisten, stalen balken, emmers, stenen, platenspelers, computers en andere instrumenten die samen een totale luisteromgeving vormden. Er was bijna geen actie aan de muren; alles gebeurde dicht bij de grond.
Terwijl ik Atoui’s geluidslandschap doorkruiste, werd ik uitgenodigd om deel te nemen aan meerdere luistersessies terwijl ik op kussens, banken en stalen balken zat om de zachte geluiden en trillingen te ervaren die vrijkwamen uit de dynamische sculpturale instrumenten: druppels die met regelmatige tussenpozen in een emmer vielen, een takje dat voortdurend een draaiende plaat van ruw beton schampte, een kom geroerd water. In veel gevallen genereerden de lage frequenties van de werken trillingen die fysiek gevoeld konden worden. Het zorgde er ook voor dat ik me langer voor het werk openstelde.
Hoewel strikt genomen multisensorisch, bood de vervoerende tentoonstelling niet zozeer een visuele als wel een zintuiglijke ervaring. Atoui’s installaties vormen een uitgebreid oeuvre dat zich bezighoudt met processen, interacties en activeringen, waardoor mijn ogen (en mijn telefooncamera) bleven dwalen op zoek naar een te fotograferen object dat nooit verscheen. Toen ik de tentoonstelling eenmaal achter me had gelaten, was mijn meest levendige herinnering niet een lading foto’s op mijn telefoon, maar een reeks fysieke sensaties die zich ergens in mijn zenuwstelsel hadden opgeslagen.
Nieuwe werkelijkheid
De huidige sonische wending in de hedendaagse kunst ontleent zijn conceptuele kader deels aan een voortdurende (multi)zintuiglijke wending in de geesteswetenschappen die zich bezighoudt met het deconstrueren van westerse, visueel georiënteerde manieren om met de wereld om te gaan, ook binnen de kunst. Een van de belangrijkste uitgangspunten voor deze wending is het idee dat het zicht te lang het geprivilegieerde zintuig is geweest in ons contact met de wereld. Dit heeft ingrijpende gevolgen gehad voor hoe we onze positie als mens zien in relatie tot de materiële werkelijkheid en tot welke dimensies daarvan we toegang hebben. Het verklaart mede waarom bij veel sonische activiteiten in de kunst een zeker kritisch bewustzijn aanwezig is ten aanzien van die historische visuele dominantie. Er gaat letterlijk en figuurlijk een nieuwe wereld open door alle artistieke experimenten met sonische technologieën, geluid als medium en praktijken en gebaren die gerelateerd zijn aan geluid, zoals veldopnames en deep listening.
Kunstenaars zijn niet alleen geïnteresseerd in geluid op zich. Ze gebruiken de specifieke mogelijkheid van geluid om ruimtelijk bewustzijn te genereren om zich bezig te houden met grotere vragen, vaak gerelateerd aan milieu en sociale rechtvaardigheid, en proberen nieuwe manieren van gemeenschappelijke, belichaamde ervaringen te creëren. Atoui staat erom bekend dat hij geluid gebruikt om de subject-objectrelatie die wordt bepaald door de blik en andere traditionele scheidslijnen, zoals die tussen gevoel en rede, of technologie en ambacht, uit te dagen. Het was dan ook geen verrassing om te horen dat zijn praktijk ook een collectieve onderneming is; van de meer eenvoudige zin van het uitnodigen van het publiek om sommige stukken te activeren, tot het werk op langere termijn met kleuters en dove mensen in Europa, het Midden-Oosten en Azië, dat resulteerde in sommige van de stukken die in S.M.A.K. te zien zijn.
Hier in Nederland, rond dezelfde tijd dat Atoui’s werk te zien was in Gent, presenteerde Henk Schut The Singing Parliament bij Nest in Den Haag. Net als Atoui is ook Schut een multidisciplinaire kunstenaar die al tientallen jaren actief is binnen de Nederlandse en internationale kunstwereld en veel heeft gewerkt met diverse gemeenschappen in de openbare ruimte, waaronder vluchtelingenkampen, en achterstandswijken in de binnenstad. Zijn installatie bij Nest bestond uit 150 zelfgemaakte luidsprekers – evenveel als er zetels in de Tweede Kamer zijn – met elk een eigen geluid, die samen een reeks geanimeerde ruimtes vormden waarin bezoekers konden rondlopen, zitten of liggen. Ongeacht de positie die ze kozen, moesten de toeschouwers naar binnen leunen en goed luisteren naar wat het werk uitstraalde. Terwijl de esthetiek van Atoui’s oeuvre in Gent de tentoonstelling meer op het klimaat richtte, richtte Schut zijn aandacht op de huidige staat van de (Nederlandse) democratie en de vraag: wie mag zijn stem gebruiken, en wie is er om te luisteren? Voor zijn presentatie bij Nest werkte Schut uitgebreid met zijn eigen geluidsarchief, waarbij hij geluiden remixte met een zestiende-eeuws muziekstuk van de Engelse componist William Byrd, gemaakt in een tijd van ernstige politieke en sociale onderdrukking in het land.
In deze geest maakt Schut effectief gebruik van het vermogen van geluid om bepaalde historische gebeurtenissen over te hevelen naar de huidige maatschappelijke context. The Singing Parliament bij Nest maakt deel uit van een golf aan artistieke projecten die kunnen worden beschouwd als een sonische archiefwending binnen de hedendaagse kunst. Verschillende individuele kunstenaars en collectieven, vooral die uit diverse, niet-westerse culturen, werken met audio(visuele) archieven als een vorm van verzet tegen visueel gecentreerde kunstvormen. Ze eisen een plaats voor hun cultuur, die vaak geworteld is in orale tradities, en sterk performatief van karakter is, rondom bijvoorbeeld rituelen en dans. Ze streven ernaar voorouderlijke stemmen en geschiedenissen die door koloniale machten gemarginaliseerd worden of volledig tot zwijgen gebracht, adequaat te doen herleven.
Deze initiatieven geven ook een stem aan achtergestelde gemeenschappen in westerse samenlevingen. Ik denk hier aan de uitgebreide geschiedenis van liederen rond protesten van arbeidersbewegingen. De meest recente editie van Sonsbeek in Arnhem, onder artistieke leiding van Bonaventure Soh Bejeng Ndikung, besteedde er veel aandacht aan, in zowel kunstprojecten als speciale programma’s die werden verzorgd in de context van de manifestatie. By SAVVY Contemporary in Berlijn, en momenteel bij Haus der Kulturen der Welt, opereert hij ook in die lijn en maakt van sonische archivering een sleutelbegrip in zijn tentoonstellingspraktijk. Zo heeft hij in het verleden gewerkt aan projecten met betrekking tot de geluiden van ballingschap en migratie, om hedendaagse arbeidsomstandigheden en machtsverhoudingen onder het geglobaliseerde kapitalisme kritisch te onderzoeken. Het is Ndikungs overtuiging dat geluidskunstprojecten bij uitstek geschikt zijn om de doordringende en vaak onbewuste ritmes en druk van het kapitalistische leven vast te leggen en te bekritiseren, omdat ze onthullen hoe deze krachten onze omgeving, gedragingen en identiteiten vormgeven op manieren die meer gevoeld dan gezien worden.
Eerbetoon auditieve culturen
In juni zag ik Julien Creuzets Algorithm ocean true blood moves in de onlangs geopende Studio Boekman in de Nationale Opera & Ballet in Amsterdam. In deze performance, die hij maakte in samenwerking met de Braziliaanse choreograaf Ana Pi, (re)animeert Creuzet het spiergeheugen van de Afrikaanse diaspora door middel van een choreografische re-enactment van bewegingen en gebaren die hij door generaties en continenten zag worden doorgegeven. Deze verzamelde hij in een persoonlijk archief met digitale door internetgebruikers gegenereerde content – van de formele dansbewegingen van Soedanese geestelijken tot het ‘duck walking’ van Amerikaanse tieners in een supermarkt.
Met hun huid en kleding zachtjes verlicht door de oceaanblauwe pixels die over een groot scherm aan de ene kant van de ruimte zweven, doen performers uit de VS, het Caribisch gebied en Europa deze bewegingen herleven terwijl ze dansen op de beats van een nieuw genre Caribische elektronische dancehallmuziek dat bekendstaat als Shatta. In de multidisciplinaire praktijk van Creuzet, die film, beeldhouwkunst, performance en poëzie omvat, is geluid een verbindend medium dat het publiek meesleept in een sonische omgeving waarin (de)koloniale geschiedenissen en hun hedendaagse erfenis weerklinken. Hoewel Algorithm ocean true blood moves een visuele component bevat en de performers sculpturale elementen integreren in delen van hun choreografie, is het een eerbetoon aan niet-westerse auditieve culturen dat laat zien dat beats, ritme en vibraties de geluidsgolven aanvoeren om verleden, heden en toekomst(en) te verenigen in een levendige, vreugdevolle en collectieve belichaamde verkenning van identiteit en samenleving vanuit Caribisch perspectief.
Dit jaar vertegenwoordigt Creuzet ook Frankrijk op de zestigste Biënnale van Venetië met een paviljoen dat voor het eerst werd opgezet in zijn geboorteland Martinique en dat zich bezighoudt met het werk van Caribische dekoloniale denkers zoals Édouard Glissant en Aimé Césaire. Algorithm ocean true blood moves kan worden beschouwd als een aanvulling op dit project, dat in Venetië wordt gepresenteerd als een totaalinstallatie die alle hoeken van de tentoonstellingsruimte beslaat en bestaat uit kleurrijke, knoestige sculpturale stukken, samen met grootschalige audiovisuele werken en dansbare beats.
Met zoveel drukte en zoveel kunst die om de aandacht van het publiek wedijvert, zou de keuze voor een multisensorische installatie een strategische benadering kunnen zijn om een microwereld binnen de Venetiaanse kunstwereld te creëren. Tegelijkertijd is dit op zich niets nieuws voor de biënnale. Afgelopen edities van de Biënnale van Venetië waren er tal van paviljoens waarin geluid een cruciaal element was. Meest bekend is Anne Imhofs Faust in het Duitse paviljoen van 2017. In Nederland kennen we haar van YOUTH – de installatie in de kelderruimte van het Stedelijk Museum Amsterdam die werd gepresenteerd onder de tagline: ‘De artistieke stem van een jonge generatie.’
Helemaal zonder risico’s is deze ontwikkeling niet. De zoektocht naar aandacht kent grenzen. Er wordt een keer een punt van uitputting bereikt, waarop de zintuigen afgestompt vragen om meer of anders. Nieuwe impulsen zijn gewenst maar die zijn niet oneindig beschikbaar. Het publiek zou weleens ongevoelig kunnen worden voor wat de kunstenaar van het publiek vraagt, al was het omdat niet alleen in de kunst maar overal meer met geluid gewerkt wordt, zo ook op Instagram en TikTok. Naarmate de nieuwigheid van immersiviteit wegebt, verandert de algemene manier van interactie met dit soort werk – waarbij je vaak moet zitten of liggen op een zacht kussen – in een gecodeerde manier van navigeren door kunstruimtes die eerder performatief is dan bevorderlijk voor enige vorm van ontroerende of transformatieve ervaring. Hopelijk laat dat moment nog even op zich wachten.
Manuela Zammit
is a writer and researcher from Malta



