
Nederige levenslessen van een cryogedroogde fanfictie-entrepreneur
Rechtstreeks vanuit zijn koelcel in Bolzano geeft Ötza, die in korte tijd is uitgegroeid tot een fenomeen in de Nederlandse kunstwereld, enkele behartigenswaardige adviezen aan de afstudeerders van dit jaar.
Allereerst: gefeliciteerd aan alle afstuderende kunststudenten van dit jaar. Ik kan geen van jullie eindexamenshows zien, want ik zit opgesloten in een koelcel in Bolzano, maar ik weet zeker dat jullie het fantastisch hebben gedaan.
Een paar dagen geleden dwaalde ik door de straten van West-Hollydrecht in Los Amsterdam toen mijn lege oogkassen op een beeldschone man vielen die in de zon zat te lezen. Het was alweer even geleden dat ik me had overgegeven aan een moment van oneerbiedige flirt; mijn laatste hoofdstukken gingen over de implicaties van mijn belastingontduiking en de illegale handelsroute die ik heb opgezet voor mijn bootleg-merch. Het leek me dus het perfecte moment voor een luchtig gesprek met deze onwetende NPC. Maar toen ik dichterbij kwam, zag ik tot mijn afgrijzen dat hij Infinite Jest van David Foster Wallace aan het lezen was. Ik verstijfde (pun intended) en keek toe hoe hij de pagina’s van het afstotelijk dikke boek omsloeg, trager dan ik zou doen, want ik ben een behoorlijk snelle lezer.
Hij merkte mijn blik op en glimlachte wat ongemakkelijk. Ik liep verder. Na een paar stappen tikte iemand op mijn cryogedroogde schouder, gehuld in een cashmere bolero waarin een Vinted-verkoper een Ann Demeulemeester-label had genaaid. Het was diezelfde jongen, die me een flyer overhandigde met daarop een matchavlek, een uitnodiging voor een zelfgeorganiseerde groepstentoonstelling bij iemand thuis: 67 kunstenaars, vier collectieven, twee dagen, en Orator-font in het grafisch ontwerp. Ik bedankte hem en ging ervandoor.
Fast forward: vier dagen later. Ik bevond me in de buurt van Station Slutterdyke, waar een vriend van me een site-specifieke, durational performance deed bij Club RAUM, waarin hij van 22.00 tot 7.00 uur op een barkruk bij de deur zat en mensen al dan niet doorliet. Na hem te begroeten en zijn gevraagde kefir-ice-vape had gebracht, realiseerde ik me dat de groepstentoonstelling vlakbij was. Als beroemde partizaan en beschermheilige van de kunsten besloot ik langs te gaan.
Het was stampvol. De sfeer was vreemd, er was geen muziek, alleen een winderige soundscape (of misschien had iemand écht een van de microplastic-gevulde eieren gegeten die ze bij de ingang uitdeelden). Ik sprak met wat mensen over het gebruik van koper in hedendaagse kunst, en vergeleek dat met hoe we het gebruikten in het Kopertijdperk. (Toen minder tribals). Met iemand anders sprak ik over Lisa Barlows Declaration of Independence of Cyberspace en hoe vreemd het is dat ze in geen van de 112 afleveringen van The Real Housewives of Salt Lake City, noch tijdens Ultimate Girls Trip, ooit iets over cyberspace heeft gezegd. In het laatste half uur zoende ik met de lezende jongen, die Infinite Jest dus ironisch bleek te lezen. (Mensen denken vaak dat ik niet zoen, maar dat is een groot misverstand. Toegegeven, ik heb een enorm droge mond, maar als ik drie uur van tevoren begin met het insmeren van mijn mond met vaseline, kan het zeer aangenaam zijn voor beide partijen.)
Terug in mijn koelcel bruiste ik nog van de energie, en realiseerde ik me dat ik geen enkel kunstwerk had hoeven zien om me onderdeel van de kunstscene van Los Amsterdam te voelen. Na mijn dagelijkse yoghurt met één zestiende Adderall besloot ik zelf ook zo’n soort evenement te organiseren. Binnen twee weken had ik alles geregeld. Ironische titel: check. (Coppersniffer). Funky grafisch ontwerp door een Werkplaats-alumnus: check. Sponsordeal met een lokaal biseksueel getarget IPA-merk: check. (Mijn samenwerking met VOSS is non-exclusief, voor het geval je je dat afvroeg.) Een A4’tje met een tentoonstellingstekst, geschreven door iemand die ooit een recensie schreef voor Metropolis M (hoewel alleen digitaal): check. Een Instagram-campagne van zeven euro: check. Vijf gram 3MMC: check.
De dag brak aan, en raad eens? Niemand kwam.
Ik was er kapot van. Ik had mijn hart en ziel in het evenement gestopt. Ik had een modulaire sculptuur gemaakt van afgedankte koperen kabels: twee bustes – de beroemde hacker Phiber Optik en zijn partner Acid Phreak – zorgvuldig aan elkaar gesoldeerd in een glitchy raster. Werken werk, en mijn vingers zaten vol met kopersplinters. De enige keer dat een splinter me erger te grazen nam, was tijdens een after in 3353 v.Chr., toen ik een houten lepel met gefermenteerde geitenmelk van een vreemdeling aannam. Dat leverde me niet alleen een splinter in mijn tong op, maar ook een darmparasiet (wat uiteindelijk goed uitpakte, want die parasiet is een van de redenen dat ik zo dun ben).
De show kreeg wél wat persaandacht. Hans den Hartog Jager schreef erover in Tangents Sr. (opgericht na het succes van Tangents Jr.) en noemde het: ‘een tijdloze verkenning van koper in de publieke verbeelding via homo-erotische fanfictie over pioniers in cybernetische ethiek en hackercultuur.’ Het leverde me ook een solo op in Doxy, het nieuwe parallelle artspace/internet-vigilantencollectief van de Hartwig Art Foundation, en ik verkocht het werk aan een verzamelaar uit Marseille die, vermoed ik, niet begreep dat het werk alleen tegenfeitelijk bestond via deze column, waardoor ik het in een oneindige oplage kan verkopen.
Toen ik kunstenaar was in 3350 v.Chr., waren er geen instellingen, subsidiesystemen of kunstcritici. Het Sandberg Instituut was letterlijk een hoop zand, en het Mondriaan Fonds bestond niet. (We hadden wél de neolithische voorouder van een jurylid van nu, die slecht geschreven afwijzingen naast elke rotstekening krabbelde.) Er waren geen budgetten om te schrappen, geen fondsen om aan te vragen (wel veel residencies, iedereen reisde en was seizoensgebonden), en het belangrijkste: er waren geen curatoren.
Ik vertel vaak over mijn tijd in de prehistorische kunstwereld, maar eerlijk gezegd heeft die ervaring me weinig geholpen in het hedendaagse culturele landschap. Er zijn wel wat overeenkomsten. Toen ik op de kunstacademie zat, liet ik ook veel tatoeages zetten, had ik een asymmetrisch kapsel en ontdekte ik dat ik lactose-intolerant was. Maar niets had me kunnen voorbereiden op het uitgestrekte, vlakke, modderige, overbevolkte en gevaarlijke terrein dat de Nederlandse cultuursector heet.
Wat ik hier precies doe, weet ik nog steeds niet. Maar wat ik wél weet, is dat als iets me geholpen heeft in dit landschap, het mijn uithoudingsvermogen is geweest. Mijn leven na het afstuderen van de neolithische kunstacademie was zeker geen rechte lijn naar succes. Na mijn afstuderen was ik even schapenherder, maar kort daarna werd ik verstoten door de gemeenschap en de bergen in gepest. Daar raakte ik bevroren, tot ik een paar millennia later werd gevonden door twee Duitse hikers, en opgesloten werd in een koelcel – waarna ik uitgroeide tot een archeologische microcelebrity. Pas toen begonnen mensen interesse te tonen in mijn fanfictie.
Het heeft me 5300 jaar gekost, maar zelfs na al die tijd kun je het gevoel hebben dat je alles goed doet, en toch komt er niemand opdagen bij je pseudo-groepstentoonstelling die eigenlijk een solo is. Je vraagt je misschien af: waarom kwam er niemand? Misschien omdat het werd georganiseerd in mijn koelcel in Bolzano, waar niemand naar binnen mag zonder speciale toestemming. Misschien omdat de tentoonstelling niet echt was, maar (weer) tegenfeitelijk verzonnen voor literaire doeleinden. Maar laten we, voor de sake van deze column, zeggen dat mensen niet kwamen omdat het in isolatie werd gemaakt.
En misschien is dat ook de moraal van dit verhaal: in isolatie is het veel moeilijker om vol te houden. Voor mij was er geen andere optie, aangezien ik letterlijk bevroren in de Alpen lag. Maar als ik je één advies zou mogen geven, dan is het dit: omring jezelf met mensen. Zo vind je hopelijk genoeg uithoudingsvermogen om stand te houden in het hedendaags kunstlandschap, misschien wel genoeg geduld om Infinite Jest ironisch te lezen, en misschien zelfs genoeg volharding om dit met zo’n focus te doen dat je niet eens opkijkt als er een maatje 34 met een natuurlijke lip flip voorbijloopt.
Aan de afgestudeerden van 2025: jullie hebben het gehaald! Ik ben ontzettend trots op jullie, en ik weet zeker dat jullie ook trots op mij zijn. Jullie staan aan het begin van een lange reis over verraderlijk terrein. Maar voordat je je voeten in je tweedehands Vibram-ballerina’s schuift, en de moed in je schoenen zakt en je duizelig wordt van het doolhof van organisaties, instellingen, collectieven en artist-run spaces… Denk hieraan: alle wegen leiden uiteindelijk naar hetzelfde: de naderende klimaatcrisis. Of je wordt DJ.
Deze tekst is uit het Engels vertaald door de redactie
Ötza
is een 5300 jaar oude cryogedroogde fanfictieschrijver uit het Neolithicum, pleitbezorger van prehistorische geletterdheid en zelfverklaard kenner van post-historische theory-fiction. Ötza wordt geschreven en vertolkt door kunstenaar Levi van Gelder, die woont en werkt in Amsterdam




