metropolis m

Nice!
Feelgood idealisme

Het getuigt van lef een boek over hedendaags engagement in de kunst te beginnen met een enthousiasmerende beschouwing over het museum, het instituut waarmee al die koks, sociaal werkers, filantropen, pelgrims en reisleiders onder de hedendaagse kunstenaars een stroeve verhouding geacht worden te hebben. Rutger Pontzen voert in Nice! Over nieuw engagement in de hedendaagse kunst het museum op als bakermat van hun engagement. Niet de kunstenaars, aldus Pontzen, maar museumdirecteuren en freelance curatoren namen het voortouw.

‘Het begon allemaal in Gent’, stelt hij absoluut. Daar wijzigden directeur Jan Hoet en zijn compaan Bart de Baere de klassieke opstelling van kunstobjecten. Maar Jan Hoet een profeet noemen van de latere reizen van Suchan Kinoshita of de nachtwakes van Alicia Framis, is een gotspe. En Bart de Baere’s This is the Show and the show is many things (1995) was geen voorbeeld van engagement, maar een wanhopige poging om een ongrijpbaar fenomeen een plek te geven, desnoods binnen de muren van het museum.

Pontzen beschrijft hoe dit ‘Gentse model’ internationaal navolging kreeg. De Zwitserse curator Hans Ulrich Obrist lanceerde zijn Museum in Progress en in Zürich organiseerde Harm Lux een lounge-achtige samenkomst van kunstenaars en publiek, A Night at the Show (1995), waar het onderscheid tussen beide groepen leek te verdwijnen. Van verschillende kanten werd gemorreld aan de klassieke trits: de kunstenaar als leverancier van kunstobjecten, het museum als smetteloze etalage, het publiek als consument. Museumdirecteuren én curatoren én kunstenaars trachtten geconditioneerde manieren van kijken te doorbreken. Gekookt werd er, gediscussieerd, gewandeld, gereisd, gedanst. Met als doel: waarachtige ontmoetingen, onvervreemdbare belevenissen, intense kunst.

In vlot proza stipt Pontzen in Nice! enkele aspecten van dit vermeende nieuwe engagement aan: het tanen van de rol van het kunstobject, het verlangen bij ‘de ander’ betrokken te zijn, de beoefening van een praktisch en menselijk ‘feel good’ idealisme. In vogelvlucht passeren vele projecten de revue. Via de kooksessies van Rirkrit Tiravanija, het reisbureau van Suchan Kinoshita, de mistwandelingen van Voebe de Gruyter, naar de extase-recepten van Klaar van der Lippe, de sociale arrangementen van Jeanne van Heeswijk tot en met de ‘celebrations’ van Renée Kool. Opvallend afwezig zijn ballonvaarder Birthe Leemeijer en mental coach Roy Cerpac.

Geen kunst heeft ooit enig aantoonbaar maatschappelijk effect gecreëerd, concludeert Pontzen. Het nieuwe engagement ook niet, stelt hij relativerend vast, maar nu worden tenminste bescheiden pogingen ondernomen enkele mensen gelukkiger te maken. ‘En waarom ook niet?’ Die relativerende toon ligt al in de titel Nice! besloten, want ‘aardig’ kan zowel complimenteus als denigrerend zijn bedoeld. Weliswaar is van meet af aan duidelijk dat de auteur warm loopt voor het recente engagement, maar lichte ironie behoedt zijn enthousiasme voor zelfgenoegzaamheid. Alleen in het laatste hoofdstuk laat Pontzen alle afstand varen. Met instemming wordt Alicia Framis geciteerd. Zij is bekend geworden dankzij projecten in onder meer het Stedelijk Museum en het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam. Toch blijft zij tot vervelens toe beweren dat musea te mijden forten zijn, omdat daar slechts de ongenaakbare heiligheid van kunst wordt gekoesterd en de toeschouwers als makke schapen rondlopen.

Pontzen heeft vooral oog voor wat er vrij en blij is aan al die vermeend geëngageerde projecten. Geen woord over de vrijheid van de toeschouwer, die bij deze kunstvorm vaak op het spel staat. Men wordt uitgenodigd deelnemer te zijn, maar die verandering van rol is geenszins vrijblijvend. Veel van de kunstenaars eisen overgave en ze bekwamen zich in de kunst van het manipuleren, ensceneren, regisseren, om die te bewerkstelligen. Sommigen willen zelfs zo’n absolute overgave dat ze proberen hun eigen regie aan beoordeling te onttrekken. Pottenkijkers worden niet geduld. Dreamkeeper Alicia Framis documenteerde haar nachtwakes niet. Eenmaal mocht er worden gefilmd, maar de camera werd weggedraaid toen het contact met de ‘eenzame’ volgens Framis te intiem voor buitenstaanders werd. Wat zich afspeelde tijdens de vijf reizen die Suchan Kinoshita in het kader van De koffer van de celibatair met vijf gegadigden ondernam, is onbekend. Rond deze ‘waarachtige ontmoetingen’ hangt een sfeer van exclusiviteit die weinig met engagement te maken lijkt te hebben, zeker niet in de oude definitie van geëngageerde kunst, die opkwam voor de minder bedeelden.

Nice! eindigt onbevredigend met een oproep aan musea om geëngageerde kunstenaars als ‘rijpe vruchten’ te plukken. Pontzen stelt het engagement voor als een beweging van mensen van louter goede wil. Op wat zich onder de oppervlakte van het vermeende engagement afspeelt, biedt Nice! geen zicht.

Rutger Pontzen, Nice! Over nieuw engagement in de hedendaagse kunst, Nai

Publishers, Rotterdam, 2000, 95 p, ISBN 90-5662-162-9

Erik Hagoort

Recente artikelen