
Oefenen in ontleren
Wat betekent het om te ‘ontleren’? De kunstwereld predikt inclusiviteit, artistieke vrijheid en kritisch denken, maar hoe vaak houden we ons bezig met de onderliggende structuren die deze idealen juist ondermijnen? Aan de hand van de recent verschenen bundel Unlearning Routines of the Impossible (2025) onder redactie van Annette Krauss, richt Taylor Le Melle zich op de paradoxen binnen het ecosysteem van de kunst. GO TO ENGLISH VERSION – CLICK HERE
Het onverenigbare conflict tussen wat kunst daadwerkelijk teweegbrengt in de samenleving en wat haar vertegenwoordigers (curatoren, docenten, kunstenaars en kunstcritici) beweren dat ze doet, is een fundamenteel probleem. Ik vraag me soms af waarom we überhaupt andere kwesties binnen de kunst bespreken zonder eerst deze tegenstrijdigheid aan te kaarten. Toch blijven we maar doorgaan en manieren zoeken om op onze kunstacademies studenten aan te moedigen het systeem te ondergraven.
In het voorwoord van Unlearning Routines of the Impossible (2025) wijst curator Yolande Zola Zoli van der Heide op een voorstel van kunstenaar en redacteur Annette Krauss om in pedagogische omgevingen de snelheid van de langzaamste persoon aan te houden. Voor mij voelt dit als het koesteren van een ruimte waarin analfabetisme mag bestaan; het vasthouden aan dat essentiële moment vóór begrip, dat het ritme van het gezamenlijke leerproces bepaalt.
Met welke uitdagingen worden we geconfronteerd bij het afleren of doorbreken van geïnternaliseerde, onderdrukkende normen? Ik wil niet beweren dat sommige mensen goed zijn in het onderzoeken van hoe ze de racistische kapitalistische hetero-patriarchie waaronder we leven hebben geïnternaliseerd, en anderen niet. Wat ik bedoel, is dat dit proces voor ons allemaal een worsteling is, iets confronterends en ongemakkelijk. En hoewel ik dat ongemak niet als negatief wil bestempelen, is het een realiteit die ons allemaal op bepaalde momenten tot de traagste persoon in de kamer kan maken.
Onderdrukkende normen
Waar worstelen sommigen van ons op dit moment mee bij het afleren of aanpakken van geïnternaliseerde onderdrukkende normen?
Als we het tempo van de langzaamste volgen – iemand die zo gewend is aan de bestaande structuren dat hij of zij zich niet eens bewust is van andere mogelijkheden, zoals de belofte van kunst als een mechanisme van vrijheid – dan moeten we daar beginnen. Daarom lijkt het me passend om deze tekst te laten resoneren met Krauss’ gedachte over het afleren van gewoontes. Het begint bij de vraag hoe we omgaan met ons eigen engagement: jij als lezer van een kunsttijdschrift, en ik als schrijver van een essay dat via datzelfde tijdschrift bij jou terechtkomt.
Unlearning Routines of the Impossible heeft het formaat van een werkboek, zonder directe uitnodiging om erin te schrijven. Maar het stelt wel de impliciete eis om er actief mee aan de slag te gaan. Eigenlijk kan ik me niet voorstellen waarom iemand dit boek alleen zou lezen, zoals ik nu doe door dit essay te schrijven in de gebruikelijke rol van solitaire denker, die als kunstcriticus op afstand reflecteert. Oeps.
Unlearning is het resultaat van een collectieve prestatie van meerdere stemmen, dat erom vraagt ook zo gelezen en beoordeeld te worden. Meer dan waar deze bespreking toe in staat is. Waarom? Misschien omdat ik me in een specifieke context bevind, een bevoorrechte positie: ik word betaald om kritiek te schrijven. Ik ben verplicht onderdeel van de arbeidsmarkt. En die economische noodzaak, de structuur waarin kapitaal en arbeid ons dwingen tot deelname, is precies wat de racistische, heteropatriarchale systemen in stand houdt, samen met de rollen die we daarbinnen vervullen.
Ik denk aan Krauss’ compagnon en vriendin, de feministische filosoof Marina Vishmidt (1976-2024), die me leerde dat kunst (en ik beschouw schrijven als een vorm van kunst) vaak als gescheiden van arbeid wordt gezien, terwijl dat niet zo is. Kunst verschilt misschien van ‘gewone’ arbeid, maar vormt tegelijkertijd ook wat arbeid is en wordt op haar beurt beïnvloed door de restanten ervan: de overblijfselen van productie, van economische waarde. Kunst creëert bovendien nieuwe waarde, die vervolgens weer ingezet kan worden om meer arbeid te kopen. Ironisch, eigenlijk. Hier ben ik, bezig met mijn kunst, met schrijven, betaald om een boek te bekritiseren dat onderzoekt hoe we alles kunnen afleren wat koloniaal kapitaal bijeenhoudt – inclusief de kunstkritiek zelf, waarin smaak en oordeel comfortabel samenvallen met economische structuren.
Misschien zou ik, in een poging om mijn eigen rol in dit ecosysteem af te leren, erop moeten aandringen dit boek collectief te lezen. Maar die gedachte kwam pas bij me op toen ik al was begonnen met schrijven. Ik zou ook kunnen weigeren om het boek te lezen binnen de dynamiek van betaalde arbeid, maar dat voelt precies als de valkuil waarvoor Krauss zelf, via Gayatri Spivak, waarschuwt: ‘simpelweg erkennen dat je geprivilegieerd bent en je vervolgens terugtrekken uit je positie is niet genoeg. In plaats daarvan moet je actief werken aan het doorbreken van je eigen bevoorrechte positie, zodat dit uiteindelijk invloed heeft op hoe je je inzet voor sociale verandering’.[1] In dit licht denk ik ook dat het betalen van je medesamenzweerders en vrienden, een paradoxale maar effectieve vorm van solidariteit kan zijn binnen ons neoliberale heden. Ik heb eerder over dit spanningsveld geschreven in relatie tot nepotisme.[2]
Misschien zou ik de vorm en esthetiek van de recensie zelf moeten afleren? En proberen te reageren terwijl ik al ingebed ben in het ecosysteem van de kunstkritiek. Misschien is dit wat Krauss, via Spivak, bedoelt: leren hoe we die double bind te bespelen. Voor mij als schrijver die recenseert, maar tegelijkertijd een hekel heeft aan smaak en meritocratie, is vooral Krauss’ essay ‘Instead of Solving Paradoxes and Contradictions’ van belang. Ik ervaar mijn deelname aan de kunst in een westerse context als een voortdurende tegenstrijdigheid. Enerzijds maak ik er deel van uit, anderzijds zit in mij een geest die zich juist tegen de onderliggende logica verzet. Mijn keuze om in dit systeem te werken, om kunstkritiek te schrijven en daarmee mijn lichaam in te ruilen voor kapitaal, staat in direct contrast met mijn diepgewortelde verlangen dat deze industrie verdwijnt. Het voelt als een fundamentele spanning, als eisen die onmogelijk te verenigen zijn.
Aangeleerde instincten
Het boek onderzoekt wat unlearning voor Krauss betekent, wat, afgaand op genoemd essay, sterk geworteld lijkt in haar diepgaande studie van Spivaks theorieën over privilege. Spivak beschrijft de onverenigbare eisen waarmee een bevoorrecht persoon wordt geconfronteerd zodra die ervoor kiest om zich bewust te worden, of beter gezegd, om afstand te doen van de comfortabele onwetendheid, van wat dat privilege onmogelijk maakt om te zien en te voelen. Dit creëert een ironische vorm van onwetendheid, vooral voor degenen met een formele opleiding in esthetische tradities, waar het juist draait om het verfijnen van het vermogen om waar te nemen en te reageren.
Wat betreft het afleren van privilege benadrukt Krauss hoe essentieel het is om je eigen ogenschijnlijk instinctieve reacties en voorkeuren kritisch te beschouwen als aangeleerd, in plaats van als intrinsieke eigenschappen van datgene wat beoordeeld wordt. Dit is van cruciaal belang in een ecosysteem dat gedijt op aantrekkingskracht en respons. We leven nog steeds in de nasleep van Kantiaanse en Schilleriaanse ideeën, waarin kunst en schoonheid worden gezien als mechanismen om vrijheid te bereiken.
Voor mij gaat het er dus niet om dat de kunsten (als een economie die waarde ontleent aan de uitwisseling van esthetische overtuigingen) meer of minder verraderlijk zijn dan een ander ecosysteem dat is opgebouwd binnen het idee van westerse moderniteit, maar dat de kunsten bijzonder verraderlijk zijn. Hoewel ze een van de vele systemen van onderdrukking zijn, pretendeert de kunstwereld precies het tegenovergestelde te doen: vrijheid mogelijk maken middels educatie. Om dit te begrijpen heb ik veel gehad aan de theorie van K-Sue Park over ‘predatory inclusion’, waarin hen aantoont dat institutionele initiatieven om ‘de ander’ in hun programma’s opnemen, of dat nu mensen van kleur, vrouwen of gender-non-confirmatieve personen zijn, juist ‘roofzuchtig’ zijn omdat die inclusiviteit hen juist onderdeel maakt van een gewelddadig en disfunctioneel systeem.
Het is vanwege perspectieven zoals die van Park dat ik niet langer enthousiast ben als een jonge zwarte kunstenaar me vertelt dat ze ‘de kunstwereld in wil’. Red jezelf! Ik huil diep van binnen, maar tot nu toe heeft mijn denkende geest mezelf gerustgesteld, wetende dat deze logica in elke industrie werkt. Ik weet (nog) niet zeker of er een reden is om mensen te ontmoedigen zichzelf als prooi aan te bieden aan dit esthetische beest. Maar misschien is er hier iets bijzonders om aandacht aan te besteden, in wat Krauss ook heeft onderzocht en ontmanteld, namelijk de veronderstelling dat een opleiding in kunst, schoonheid en esthetiek een weg naar vrijheid en mogelijkheden biedt.
Het boek ontmantelt de veronderstelling dat een opleiding in kunst, schoonheid en esthetiek een weg naar vrijheid en mogelijkheden biedt.
Als we het over het lichaam hebben, sluit ik me aan bij Krauss, die via Gramsci laat zien dat deelname aan de kunst een ‘pyscho-fysieke’ gewoonte is. Het is belangrijk om de lichamelijke dimensie te erkennen, omdat een deel van ons kunstecosysteem nog steeds gebaseerd is op de diepgewortelde overtuiging om voortdurend nieuwe mensen in deze wereld op te nemen via kunsteducatie. Dit gebeurt zogenaamd om hun geest te ‘bevrijden’, aangezien esthetiek binnen de Europese moderniteit wordt geassocieerd met vooruitgang en vrijheid. Maar er wordt zelden gesproken over de manier waarop ons lichaam daarbij wordt geïndoctrineerd.
Cognitieve arbeid is in wezen niets anders dan een psycho-fysieke gewoonte die de illusie in stand houdt dat de geest superieur is aan het lichaam. Deze gewoonte vereist training, maar die training zou niet als een vorm van heffing gezien moeten worden. Ik ben erg geïnteresseerd in de lichamelijkheid van esthetisch onderwijs en het proces van ‘afleren’ als lichaam. Krauss werpt zelfs de vraag op of wetenschappelijk lezen een lichamelijke oefening is. Cognitieve arbeid heeft een lichamelijk aspect, en binnen ons ecosysteem van schrijvers en curatoren – zeker op institutioneel niveau – bestaat het risico dat we door ons optimisme over wat instellingen kunnen betekenen, juist dat lichamelijke aspect over het hoofd zien.
Met geduld en vrijgevigheid reikt Krauss hulpmiddelen aan voor de langzaamste denker in ons allemaal. Het boek hanteert vier schrijfvormen: herdrukte gesprekken, citaten, nieuwe essays en wat Krauss treffend ‘scènes’ noemt – tekstuele verslagen van belichaamde praktijken. Dit alles wordt omkaderd door haar rigoureuze reflectie op haar eigen sociale positie als witte vrouw, geboren, opgegroeid en werkzaam als kunstenaar in West-Europa. Ik kan me voorstellen dat Krauss hierbij ook stilstaat bij de standaardinfrastructuur die bepaalt wie als individuele kunstenaar of intellectuele autoriteit wordt erkend. Tegelijkertijd ervaart ze de paradox dat haar naam – en die van anderen – nog steeds op de omslag prijkt als de belangrijkste bijdrager. In die zin zou haar rol als redacteur (samen met Janine Armin), naast haar auteurschap binnen het boek, kunnen bijdragen aan het verzachten van het idee van solitair auteurschap dat vaak wordt gekoppeld aan artistieke verdienste. Dit geldt niet alleen voor de productie, maar ook voor de manier waarop kunst wordt geconsumeerd. Misschien positioneert ze zichzelf zo eerder als een verzamelaar van ideeën dan als hun oorspronkelijke voortbrenger.
Krauss lijkt zichzelf eerder te situeren als iemand die voortbouwt op bestaande inzichten, in plaats van iemand die zelf nieuwe inzichten verschaft. Ik denk dat dit een subtiele, maar fundamentele verschuiving in gewoontevorming is die in een kunsteducatieve context aandacht verdient. Het reflecteert haar betrokkenheid bij alternatief onderwijs en feministische, antikoloniale strategieën die ingaan tegen het academiserende institutionalisme – een ruimte die primair fungeert als veilige haven voor witte onschuld en witte onwetendheid, gevormd door het onkritisch vasthouden aan gewoontes. Toch moeten we erkennen dat het instituut vaak onze norm is geweest, onze gewoonte – zelfs wanneer we als zwarte vrouwen binnen dit instituut werken. Soms worden we opgenomen via een roofzuchtig mechanisme en fungeren we (niet uitsluitend, maar altijd ook) als representatieve signalen van de progressieve of morele legitimiteit van dat instituut.
Als we kijken naar onze erfenis van esthetisch onderwijs – denk aan Kant en Schiller – stelt Krauss voor om afstand te nemen van een ontwikkelingsgericht idee van esthetiek en het in plaats daarvan als iets materieels te beschouwen. Dit is geen eenvoudig proces; het zal traag verlopen. Maar het is essentieel dat we, jij als lezer van een kunsttijdschrift en ik als schrijver, kritisch nadenken over hoe institutionele gewoontes, zelfs die van goede wil, de onderdrukkende structuren in stand houden die bepalen wat wij als normaal beschouwen.
Welke worstelingen en welk plezier komen kijken bij het afleren van gewoontes in een voornamelijk westerse context? Het boek Unlearning Routines of the Impossible biedt een antwoord op deze vraag. Met bijdragen van Yolande Zola Zoli van der Heide, Ferdiansyah Thajib, Nancy Jouwe, Annette Krauss, KUNCI Collective & Study Forum en de Feminist Search Tools workings, reflecteert het boek op Sites for Unlearning, die mede geïnitieerd door Krauss, erop waren gericht om dominante denk- en handelingspatronen af te leren, evenals de institutionele barrières die sociale onrechtvaardigheden in stand houden. Daarnaast verschijnt het oefenboek Unlearning Exercises: Art Organizations as Sites for Unlearing, met praktijken variërend van gezamenlijk schoonmaken tot vraagstukken over collectief auteurschap en fair practice, toepasbaar in diverse institutionele contexten.
Taylor Le Melle
Taylor Le Melle works as a curator (“of sorts”) and certainly as a writer of ante-modern and anti-modern criticism; off-kilter catalogue essays and fiction of the artistic sub-genre type



