Petites histoires van een grande dame – Agnès Varda over haar moeder en kindertijd
Agnès Varda, ‘grootmoeder van de nouvelle vage’, beroemd om films als Le Bonheur, haar experimenten met documentaire en fictie, en meer recent om haar installaties op diverse grote tentoonstellingen, stelt tentoon in haar geboorteplaats Elsene. In de Brusselse deelgemeente gaan de werken in op haar kindertijd en de rol die haar moeder daarin speelde. ‘Cricri was een bijzondere vrouw met een buitengewoon sterke persoonlijkheid.
‘In de wijk van mijn kindertijd ligt een museum. Toen ik een jaar of acht oud was en aan de Louisapoort de tram nam, kon ik me onmogelijk voorstellen dat ik omstreeks mijn 88ste naar hier zou terugkeren om er mijn artistieke werk tentoon te stellen. En niet alleen maar dat!’ 1
Onlangs startte ze te werken aan een film over de Franse kunstenaar JR. Maar vandaag ontmoeten we Agnès Varda in haar geboorteplaats Elsene. Daar toont het museum Patates & compagnie, een amalgaam van foto’s, werken op papier, korte films en installaties. Die laatste gaan vooral in op de rol van haar moeder tijdens haar kindertijd in Brussel en aan de Belgische kust. ‘Hoe zou ik mijn eerste breiwerkjes kunnen vergeten, en het traject waarop ik mijn moeder vergezelde als ze groenten ging kopen op het Flageyplein naast de vijvers van Elsene?’2
Hoe herinnert u zich uw moeder?
‘Tijdens mijn kindertijd in Elsene was mijn moeder – Christiane geheten, al luisterde ze naar de koosnaam Cricri – dominant aanwezig. Als dochter van een Zuid-Franse pastoor werd ze zelf in Ferney-Voltaire geboren, een Frans grensdorpje gelegen in het departement Ain, vlak bij Genève, alwaar de grote vrijdenker en schrijver Voltaire een groot stuk van de achttiende eeuw leefde. De dorpelingen kregen zijn standpunten rond verdraagzaamheid met de paplepel ingegoten. Mijn moeder kende een ongewone jeugd: ze groeide samen met elf broers en zussen op in de pastorie die mijn grootvader eigenhandig gebouwd had. Je zou ze moeten zien zitten op die oude foto’s, met z’n veertienen aan tafel! Mede door haar opvoeding werd Cricri later een bijzondere vrouw, een buitengewoon sterke persoonlijkheid.’
Wat kreeg u van haar mee?
‘Haar liefde voor het leven en de dingen, het feit dat objecten steeds een betekenis dragen. Mijn moeder hield van erg uiteenlopende zaken, en ik hield steevast intens van wat zij beminde. Een bijzondere interesse had ze in kunst, vandaar dat ze op latere leeftijd beeldende kunsten ging studeren. Maar wij gingen voor. Pas nadat ze ons opgevoed en grootgebracht had – vijf kinderen in totaal – begon ze op haar 55ste aan een tweede leven. In de kunst ging haar interesse enorm breed. Zo was ze gepassioneerd door Italiaanse annunciaties met het fresco van Fra Angelico in Florence als bekendste voorbeeld. Dit soort dingen legde Cricri me gepassioneerd in geuren en kleuren uit, en ik was amper zes jaar!’
Welke rol speelde uw vader in uw kindertijd?
‘Ik onderken het belang van de vaderfiguur in de maatschappij en ken heel veel vrouwen en mannen voor wie zijn rol in hun leven onontbeerlijk is. Veel mensen rond mij identificeren zich met hun vader, vonden bij hem herkenning en hebben er een grote bewondering voor. Maar ik heb aan die dans nooit meegedaan. Het zijn dan ook twee erg verschillende figuren. Hoewel de rol van mijn vader in mijn opvoeding niet te onderschatten valt, vormde hij eerder een zwakke aanwezigheid. Zeker in vergelijking met de persoonlijkheid van mijn moeder. Die posities vertalen zich ook in mijn werk en in deze tentoonstelling.’
Een eerste werk dat u voor deze tentoonstelling realiseerde, Paravent de mémoire is een installatie opgebouwd uit onder andere een vijfdelig kamerscherm en een werktafel.
‘De vijf delen van het scherm verwijzen naar mij, mijn twee zussen en twee broers. Ik vond het passend in deze context om voor een kamerscherm te kiezen: het is een vrouwelijk object waarachter men zich tegelijkertijd mooi maakt, zich toont en verstopt. Bekleed met een Zuid-Franse, Provençaalse stof, hangt het scherm vol met objecten waar mijn moeder – en ook ik – zo van hielden. Het zijn kleine evocaties van mijn tijd in België die verwijzen naar Cricri’s smaak in kunst, alsook naar haar liefde voor postkaarten. Of naar een groot drama: de smartelijke dood van Koningin Astrid in 1935. Dat verkeersongeval liet op haar en mij een verpletterende indruk na. En Cricri beminde ook het spel, ze hield zich graag onledig met patience en met puzzelen. Haar kaarten liggen in de installatie op de werktafel; aan het kamerscherm hangt een onaffe puzzel van het Portret van Giovanni di Nicolao Arnolfini van Jan Van Eyck uit 1432.
Naast de installatie staat een metershoge sculptuur van een punnikpop.
‘Verbeelding en werkelijkheid gaan ook in deze tentoonstelling hand in hand. Alvorens te leren breien, leerde mijn moeder me punniken. Met mijn assistente maakten we een vrouwelijke reuzenversie van dit speelgoed – wel vaker zijn die dingen mannelijk. Uit de voet van de pop komt het breiwerk, een soort van veelkleurige worst. Die loopt over de vloer door tot aan de voet van mijn moeders werktafel. Het vormt dus een soort van navelstreng die ons twee letterlijk verbindt. Ik koos er bewust voor om deze band heel expliciet te exposeren. Daarnaast verwijst de pop ook naar de wijk rond het museum vandaag. Het vrouwelijke collectief Crevette Dread geleid door Cindy Thirion voegt hier aan dagelijkse objecten kleur toe door ze te hullen in zelfgemaakte breiwerken. Hun “wensboom” die hier achter de hoek in een veelkleurig breiwerk gehuld groeit, vind ik prachtig.’
Hoe was het om in de jaren voor de oorlog op te groeien in Brussel?
‘Mijn vaderland heet in principe België en mijn thuisstad Elsene. Maar ik werd geboren uit Franse ouders die me nooit Nederlands leerden spreken. Mijn ouders stuurden ons naar het Lycée Français en we leefden als ware het in een kolonie. Wij Fransen zagen dan ook vooral onze eigen groep mensen, net zoals Marokkaanse, Turkse, enzovoort families in Brussel elkaar vaak opzochten. Toch drukte de stad haar stempel op deze kleine Française in Brussel. De vijvers van Elsene, de Abdij Ter Kameren, de aangrenzende tuin en het bos bevonden zich allemaal dicht in de buurt. De vele friettenten, hun verleidelijke geur en de kleine hoorntjes friet die we op wandelingen met Cricri kregen. Of nog: het geluid van de trams op de Louisalaan waar ik steeds te voet door liep om de vitrines en reclames beter te kunnen bekijken. Ik herinner me nog een afbeelding van een ouder echtpaar schuilend onder met een opgestoken paraplu, een advertentie voor verzekeringen geloof ik. Het verse werk Armoires à souvenirs, met knipselboeken van rond mijn zevende, de vilten zeven dwergen uit Disney’s Sneeuwwitje en het album Felix VI en l’an 2000 uit 1933 etaleert enkele van mijn eigen souvenirs uit die periode. Maar maken deze losse indrukken en herinneringen het concept uit van een vaderland of thuisstad? Dat weet ik niet. Volgens mij wil je naar een heus vaderland steeds terugkeren en er uiteindelijk ook sterven. Ik heb niet meteen een verlangen om in Elsene de pijp uit te gaan. Het veertiende arrondissement van Parijs ligt me meer na aan het hart. Daar ging ik in 1951 in de Rue Daguerre wonen en ontwikkelde ik een soort van wortels, al zijn die wellicht verzonnen door mezelf.’
U groeide ook deels op aan de Belgische kust.
‘Onze hele kindertijd brachten we er elke vakantie door. Wijzelf probeerden zo veel mogelijk op het strand te toeven. Ik koester die herinneringen. De kust zag er toen heel anders uit. In de tijd kwamen de vissersboten rechtstreeks op het strand aan. De band met de zee en de mensen was zo anders dan hoe het vandaag is. Ach, mijn geheugen laat me vaak in de steek. Precies daarom zijn die postkaarten die mijn moeder me naliet zo belangrijk: ze weten telkens verre herinneringen op te roepen. Misschien klinkt het vreemd, maar geluiden duiken bij mij vaak het eerste op, ze staan het dichtste bij mij. Als ik de postkaarten bekijk, hoor ik het geluid terug van Mariakerke, Blankenberge of de Panne: de zee, spelende kinderen, de vissers, de wind.’
Het beeld van de wortel, meer bepaald in de vorm van de aardappel, keert vaak terug in uw werk. Zo ook in deze tentoonstelling. Is de worteling een thema?
‘Dat is gewoon puur toeval. In de tijd dat ik Les glaneurs et la glaneuse draaide, viel ik op aardappelen in de vorm van een hart. Omdat hun grafische kwaliteit me boeide, heb ik ze in de film opgenomen. Vervolgens begon ik hartvormige aardappels te cultiveren. Ik zette ze in tal van scènes, een soort van radicale cinema waar ik uren van maakte. Zonder duidelijk doel. Tot Hans-Ulrich Obrist me uitnodigde om deel te nemen aan Utopia Station op de Biënnale van Venetië in 2003. Ik presenteerde ze in een videotriptiek, alsof ze de schoonheid van de wereld uitmaken, omringd door echte aardappels. Hoewel het tentoonstellen van mijn eerste beeldend werk een zeer aangename ervaring was, realiseerde ik me al snel dat ik toch echt een filmmaakster ben. Ik draai en monteer, het is toeval dat ik met installaties bezig bleef. Patatutopia staat hier trouwens in betere condities – in de veertig graden van Venetië en met de vochtigheid begonnen de aardappelen te rotten.’
Dit is een ingekorte versie van het interview met Agnès Varda.
Patates & compagnie
Museum van Elsene, Brussel
t/m 29.5.2016
www.museumvanelsene.irisnet.be
1,2 Fragmenten uit de perstekst van het Museum van Elsene, februari 2016.
3 De organisatie die de films van Jacques Demy en Agnès Varda beheert, distribueert en publiceert op DVD, een waar familiebedrijfje dat Varda zelf in 1977 oprichtte.
4 Varda’s vader stamde uit een Griekse familie vluchtelingen uit de regio van Anatolia.
Nouvelle Vage
Agnès Varda werd als Arlette Varda op 30 mei 1928 in de Brusselse deelgemeente Elsene geboren als de dochter van Christiane Pasquet, een huisvrouw, en van Eugène Jean Varda, een ingenieur. Ze bracht er haar jongste jaren door tot haar Franse moeder en Griekse vader4 in de vroege jaren 1940 naar het Franse Sète verhuisden. Daar doken ze onder voor oorlog. In Sète studeerde de jonge Varda kunstgeschiedenis en fotografie aan de Ecole des Beaux-Arts om niet veel later aan het Théâtre National Populaire en het Festival d’Avignon als fotograaf aan de slag te gaan. Haar echte carrière nam begin 1950 een start met fotoreportages in Cuba, Duitsland, Portugal en China. Als filmmaker debuteerde de ‘grootmoeder van de nouvelle vage’ in 1955 met La pointe courte, een radicale oefening in het mengen van fictieve elementen (een romance, de acteurs Philippe Noiret en Sylvia Monfort) met documentaire (een vissersdorp, de inwoners en diens barre levensomstandigheden). Die was enigszins nog schatplichtig aan het neorealisme. Later bracht ze meer dan veertig korte en lange speelfilms uit en werkte ook voor televisie, waaronder Cléo de 5 à 7 (1962), Le Bonheur (1964), L’Une chante, l’autre pas (1977), Sans toit ni loi (1985), Jacquot de Nantes (1991), Les Glaneurs et la glaneuse (2000) en Les plages d’Agnès (1985).





