
Rennen tussen verzet en verlies – in gesprek met Dina Mimi
In Thousand Thrashing Arms (2024) verweeft kunstenaar en filmmaker Dina Mimi politieke en historische lagen met de lichamelijkheid van de vrijheidsstrijd. Van Nelson Mandela’s standbeeld in Ramallah tot archiefbeelden van Palestijnse verzetsstrijders: haar films onderzoeken de relatie tussen lichamelijk verzet, archieven en bevrijding. In gesprek met Line Ajan reflecteert Mimi op het gebruik van montage in haar werk en hoe dromen over vrijheid een daad van verzet blijft. CLICK HERE FOR THE ENGLISH VERSION
In je meest recente film, Thousand Thrashing Arms (2024), komen zowel je artistieke praktijk als je positie als Palestijnse kunstenaar in Nederland samen op een krachtige manier. De film weerspiegelt je fascinatie voor de politiek van het lichaam en de vrijheidsstrijd, niet alleen in relatie tot Palestina, maar binnen een breder transnationaal kader. Deze thema’s worden in je film verweven door middel van montage: een tekst in isiXhosa – een inheemse taal in Zuid-Afrika – is gecombineerd met video-röntgenbeelden van een menselijk lichaam, opnames van het zes meter hoge standbeeld van Nelson Mandela in Ramallah en archiefbeelden van verzetsstrijders. Deze associaties lijken des te relevanter anderhalf jaar na de genocide van Israël in Gaza en nadat Zuid-Afrika een zaak tegen Israël aanspande bij het Internationaal Strafhof (ICC). Hoe heeft deze historische gebeurtenis een rol gespeeld in de totstandkoming van het werk?
‘Dit project begon met de vraag: “Wat voor werk heeft zin op dit moment?”, omdat ik op dat moment alleen maar probeerde na te denken. De zaak die Zuid-Afrika in december 2023 tegen “Israël” aanspande bij het Internationaal Srafhof had er natuurlijk invloed op – zeker gezien de eigen geschiedenis van Zuid-Afrika met Apartheid. Daarom is de voice-over in isiXhosa; het past bij mijn algemene benadering van taal in film. Het is belangrijk voor me dat Engels niet de dominante taal in mijn werk is, omdat ik niet wil dat mijn publiek voornamelijk Engelstalig is. Ik wil dat mijn werk andere mensen bereikt. Tijdens het werken aan de film was ik al in gesprek met mijn vriendin Simnikiwe Buhlungu en vroeg ik haar om een tekst die ik had geschreven voor te lezen in het isiXhosa, haar moedertaal.
Ik was in Nederland voor de openbare hoorzittingen in januari, en dat was pijnlijk om mee te maken, vooral omdat Israëls verdediging bijzonder agressief was, gezien hoeveel ruimte het “zelfverdedigings”-narratief in de media inneemt. Dus ja, de film gaat over solidariteit, maar ook over Nelson Mandela’s standbeeld in Ramallah. Ik wilde dat Mandela als lichaam aanwezig was. De eerste maanden van de genocide waren een periode van rouw. Terwijl ik onderzoek deed naar het standbeeld – een geschenk van de stad Johannesburg – begon ik na te denken over hoe het vanuit het buitenland in Palestina is aangekomen. Ik vroeg me af hoe het transport was geregeld en hoeveel tijd het heeft gekost om het te verschepen, want het is gigantisch. Het is een replica van Mandela’s standbeeld in Zuid-Afrika, maar groter dan het origineel! Alles wat ik kon bedenken, was het idee van het inpakken van het standbeeld, het inwikkelen van het lichaam en het in een kist plaatsen. Daartegenover staat dat, als het lichaam van een martelaar intact wordt teruggevonden, het soms in een kist wordt gelegd en begraven. Door de rouw tijdens de genocide en de continue stroom aan beelden van dode lichamen die ik op mijn scherm zag, begon ik te denken dat het oprichten van een monument voor Mandela als een tegenhanger voelde voor het begraven van een martelaar.
Ik dacht altijd dat je projecten voortkomen uit archiefonderzoek. Het klinkt alsof het archiefonderzoek hier pas volgde op een fascinatie voor de lichamelijkheid van de dood. Welke archieven heb je geraadpleegd? En hoe hebben ze je werk beïnvloed?
‘In mijn artistieke proces is montage nog belangrijker dan archiefonderzoek. Dit werk kwam echt voort uit vele uren montage. Ik had online archiefbeelden gedownload van Palestina, gefilmd door buitenlandse NGO’s en Israëlische media tussen de jaren vijftig en het begin van deze eeuw. Veel van deze beelden portretteren Palestijnen als terroristen of onbeschaafde mensen. Ze zijn ontmenselijkt. Ik keek er uren naar, maar mijn blik werd geleid door een verlangen om ze te ondermijnen. Ik dacht: “Laat me werken met het beeldmateriaal waarmee ik wil spelen.” Mijn fascinatie voor lichamelijke beweging leidde me vervolgens naar beelden uit de jaren zestig over het menselijk lichaam en hardlopen. Dat bracht me later op een ander archiefgeluid dat in de film te horen is, maar niet te zien: een interview met Edward Saïd. Het eerste wat we hem in het interview horen zeggen is: “The main impulse of people was to run, to get as far away from the fighting, from the terror, as possible”.’
Saïds stem, terwijl hij spreekt over de instinctieve drang om te rennen, is gemonteerd met een medische video van een hardloper op een loopband. Zo zien we in de eerste momenten van de film een röntgenbeeld van een voet die zich langzaam uitstrekt: je voelt bijna de verschuiving van het gewicht van de tenen naar de enkel. Deze montage benadrukt de belichaamde benadering van vrijheidsstrijd. Kun je verder ingaan op de lichamelijkheid van verzet?
‘Saïd verwees naar de Zesdaagse Oorlog van 1967 en hoe Palestijnen uit angst en terreur moesten vluchten. Dat deed me denken aan een citaat uit De verworpenen der aarde (1961) van Frantz Fanon, dat we later in de film horen: “The first thing which the native learns is to stay in his place and not to go beyond certain limits. This is why the dreams of the native are always of muscular prowess; his dreams are of action and aggression. I dream I am jumping, swimming, running, climbing.” Dit citaat roept het instinct op om, op het moment van bevrijding, naar het leger toe te rennen. Terwijl ik de archieven doorzocht, vond ik talloze beelden van mensen die vluchten voor terreur, maar ook van mensen die rennen richting een revolutie. Het deed me beseffen dat mensen zowel rennen om te schuilen als om te vechten.’
Rennen bevindt zich ergens tussen vechten en vluchten in. In die zin kan vluchtigheid ook als een subversieve vorm van strijd worden beschouwd. Dat raakt ook aan je werk The Melancholy of This Useless Afternoon (2022-23), dat mij doet denken aan het begrip vluchtigheid door Fred Moten en Stefano Harney. Toen ik het opnieuw bekeek, realiseerde ik me dat het ook resoneert met het verhaal van de onlangs vrijgelaten Palestijnse gevangene Zakaria Zubeidi.
‘Precies. Ik begon aan deze film in 2021, het jaar waarin Zakaria Zubeidi en vijf andere gevangenen ontsnapten uit de Gilboa gevangenis door zich een weg naar buiten te graven met lepels. Het was een onbeschrijfelijk gevoel; ik herinner me dat ik sprong van geluk toen ik het hoorde. Deze ontsnapping werd een symbool van verzet, een demonstratie van pure wilskracht en een weigering om gevangenschap te accepteren. Toen de ontsnapping bekend werd gemaakt, publiceerde de Birzeit Univerity op de Westelijke Jordaanoever Zubeidi’s masterscriptie getiteld The Hunter and the Dragon. 50 years of escaping from Israeli prisons. Terwijl ik zijn scriptie las, deed ik onderzoek naar het begrip “fugitivity,” maar dacht ik ook na over hoe Zubeidi het in de praktijk bracht: hij was voortdurend in beweging, verstopte zich, soms zelfs in graven. Op een bepaalde manier vond ik het jammer dat het openbaar werd gemaakt, omdat het elke hack en truc onthulde die hij toepaste.
The Melancholy of This Useless Afternoon verwoordt deze kwesties in twee hoofdstukken. De eerste verweeft beelden van vogelzangwedstrijden met opnames van revolutionaire liederen uit Oman, Jemen en Palestina, naast een voice-over die een tekst voorleest die ik schreef over beweging en revolutionaire praktijken. Het bevat een fragment uit het proefschrift van Zubeidi, waarin hij de uitputting van de voortvluchtigen door het constante rennen beschrijft, maar ook hun diepgaande kennis van het land; de noodzaak om de bergen en de hele natuur te manoeuvreren als een methodologie en praktijk die Palestijnse voortvluchtigen gebruiken om deze eeuwigdurende ontsnapping in goede banen te leiden. Ik werd getroffen door de schoonheid en poëzie van deze passage: je moet de bomen kennen zodat ze je kunnen redden.
Het tweede hoofdstuk onderzoekt smokkel, een parallel met mijn fascinatie voor het verhaal van Zubeidi. Sinds 2017 heb ik op Facebook beelden van vogelsmokkel verzameld, die veel voorkomt in de bussen die de Allenbybrug tussen Jordanië en Palestina oversteken, de enige toegankelijke landsgrens naar een ander Arabisch land voor Palestijnen met een “Jeruzalem ID,” een identiteitsdocument dat door de Israëlische staat wordt uitgegeven aan Palestijnen die in Jeruzalem, de Westelijke Jordaanoever of Gaza wonen. Iedereen in de bus naar Jericho is betrokken bij deze smokkel of er getuige van: mensen verstoppen vogels in tabaksverpakkingen, onder hun broekspijpen of zelfs in hun schoenen.
Ze smokkelen goudvinken uit Jordanië, niet omdat ze zeldzaam zijn in Palestina, maar omdat ze moeilijk te bejagen zijn in het wild. Het draait allemaal om de waarde van de zang van de vogels: je koopt ze voor vijf Jordaanse dinar, smokkelt ze, leert ze zingen en verkoopt ze vervolgens voor 100 tot wel 2000 Jordaanse dinar in Palestina. Er zijn experts die de zang van de vogel beoordelen om er een prijskaartje aan te hangen. De handeling zelf fascineerde me: het delicate inpakken, verstoppen en weer loslaten. Tegelijkertijd ontdekte ik over de Surinaamse Zangvogelvereniging, een Nederlandse zangvogelwedstrijd die wordt gehouden in de Amsterdamse Bijlmer. De wedstrijd wordt elke zondag van juni tot september gehouden waarbij Twa-Twa vogels strijden om wie de meeste liedjes kunnen zingen. Deze vogels komen oorspronkelijk uit Zuidoost-Azië, maar werden via Chinese handelsroutes naar Suriname en Zuid-Amerika gebracht en worden nu Nederland binnengesmokkeld, waarbij hun bewegingen de koloniale geschiedenis weerspiegelen.’
En door deze smokkelverhalen in twee hoofdstukken van het werk naast elkaar te plaatsen (vaak gepresenteerd als twee tegenover elkaar geplaatste video’s), verbind je historische koloniale routes met de huidige territoriale fragmentatie, controleposten en de ruimtelijke genocide in het bezette Palestijnse gebied.
‘Absoluut. Ik zie beide smokkelpraktijken als antikoloniale wraakstrategieën.’
Als een stap op weg naar vrijheid. Deze wisselwerking tussen verdriet en bevrijding komt tot uiting in de titel Thousand Thrashing Arms: het verwijst naar een gebaar van rouw, maar ook van protest. Het versterkt de lichamelijkheid van het verzet en de drang naar vrijheid, en herinnert ons eraan dat bevrijding niet slechts een droom is, maar iets dat kan worden bereikt door middel van verzet.
‘Dromen zijn het fundament van vrijheid. Dromen over bevrijding is essentieel omdat dat iets is wat niemand Palestijnen kan afnemen. We groeien op met deze droom; het zit in ons gegrift. Ik herinner me dat mijn oma tegen me zei: “We zullen vrij zijn.” Door deze droom gaf ze de grondbeginselen van het land door, wat van ons is. Dit is ook de reden waarom ik het citaat van Fanon over het dromen van lichamelijke bewegingen en handelingen die alledaags lijken in Thousand Thrashing Arms heb opgenomen. Fanons De verworpenen der aarde is in zekere zin altijd mijn bijbel geweest. Dit boek werd meer dan vijftig jaar geleden geschreven, maar is eigenlijk nog steeds zo relevant voor ons. We leven nog steeds in deze koloniale, kolonialistische en mentaliteit en we trappen nog steeds in de valstrikken. De dagelijkse handeling van dromen – zoals rusten op het land, erover lopen, ervan eten, naar zee gaan – is belangrijk.’
Het belang van alledaagse handelingen en dromen doet me denken aan de kracht van muziek, wat duidelijk naar voren komt in de soundtracks van je films. In The Melancholy of This Useless Afternoon horen we geluiden van de oceaan, radiofragmenten uit de jaren negentig en de Palestijnse zanger Ana Samed. Kun je iets meer vertellen over de rol van geluid in je werk?
‘De soundtrack van The Melancholy of this Useless Afternoon combineert verschillende liedjes die met de kindertijd te maken hebben, of het nu educatieve liedjes zijn of meer speelse. Deze keuze komt voort uit mijn overtuiging dat onderwijs en spel integraal deel uitmaken van dagelijkse verzetsdaden. De soundtrack verweeft liedjes die je als kind veel hoort in Palestina, opnames van Omaanse kinderen die het alfabet of het nummer leren van soldaten tijdens de revolutie, en een nummer van het Wau Wau Collectif – Xale (Toubab Dialaw Kids Rhyme) dat bijna een spel op zich is. Voor mij is het een proces van leren en afvragen: wat is een film zonder beeld? Ik denk dat mijn soundtracks een eigen leven leiden, los van mijn films.’
Deze overgang naar muziek doet me denken aan je liefde voor het nummer Madame encore à boire van de Algerijnse zanger en muzikant Slimane Azem. Het lied is het uitgangspunt van het onderzoek dat je gaat doen tijdens je komende residentie in Triangle Astérides in Marseille. Kun je iets meer vertellen over dit project?
‘Het project is nog in een heel vroeg stadium, maar ja! Dit nummer gaat over naar huis gaan na een lange nacht drinken, maar uiteindelijk gaat het over de onmogelijkheid voor Slimane Azem om terug naar huis te keren. Hij is het grootste deel van zijn leven verbannen geweest uit Algerije en hij zingt wat wij in de Levant een mawwal noemen, een vorm die verlies en verlangen oproept, dat hier gaat over de onmogelijkheid om terug te keren naar huis. Het is mooi maar erg verdrietig: Slimane drinkt duidelijk zijn pijn weg terwijl hij zingt in het Algerijnse dialect dat niemand in de bar verstaat (ook de barvrouw niet, die Frans is). Maar hij blijft zingen, alsof hij alles geeft aan Algerije, zich overgeeft aan het verdriet en de rouw.
Hoewel mijn persoonlijke ervaring anders is, omdat ik terug kan gaan naar huis, resoneert het met me omdat thuis een ingewikkeld concept is, en dat is het voor velen van ons. Het project bouwt voort op mijn bestaande relatie met mannen van Algerijnse afkomst in Marseille: telkens als ik deze stad bezoek, word ik gevraagd waar ik vandaan kom en als ik zeg: “Ik ben Palestijn”, beginnen deze mannen op mijn schouder te huilen. Ze huilen omdat, in hun woorden, “ze ons niet hebben bevrijd”. Ze voelen zich schuldig, ook al heeft niemand hen gevraagd ons te bevrijden.
In Marseille, omringd door Algerijnse immigranten en de historische parallellen en relaties tussen Algerije en Palestina kennende, voelt het voor mij als thuiskomen. Omringd door zoveel immigranten die naar huis willen, inclusief ikzelf. Het voelt alsof we allemaal op zoek zijn naar een oplossing voor de vraag “Wat is thuis en wat kunnen we het bieden?”. Ik voer dit gesprek bijna elke dag met iemand anders.’
DEZE TEKST IS EEDRER GEPUBLICEERD IN METROPOLIS M NUMMER 2 -2025 TEGENSPELDeze tekst is uit het Engels vertaald door de redactie
Line Ajan
is curator en vertaler gevestigd in Berlijn



