
Ruimte maken voor het onzichtbare – In gesprek met Minne Kersten
Er zit altijd een zekere spanning in het werk van Minne Kersten. Alsof er elk moment iets ergs kan gebeuren. ‘Hetgeen dat aanwezig is en niet direct zichtbaar, maar wel voelbaar’, zoals ze zegt in gesprek met Anne Marijn Voorhorst. Het begrijpen heeft geen zin, je kunt het beter ondergaan.
Via videoverbinding spreek ik Minne Kersten, die na vele residenties in het buitenland in haar nieuwe studio in Amsterdam zit. We kennen elkaar sinds onze studie Beeld & Taal aan de Gerrit Rietveld Academie en zijn sindsdien goede vrienden. We denken vaak mee over elkaars werk en initiëren geregeld gezamenlijke projecten. Onze fascinaties, interesses en soms zelfs onze werkwijze raken elkaar. We praten over hoe gothic in kunst een rol speelt, de actuele relevantie van klopgeesten, en de rol van vriendschap als voedingsbodem voor elkaars praktijk.
Zolang ik me kan herinneren houd je je bezig met hoe architectuur en ruimtes zich verhouden tot de menselijke psyche en het lichaam.
‘Inderdaad, ik ben geïnteresseerd in hoe architectuur eigenlijk gaat over wie erin leeft, er doorheen beweegt, en getekend wordt door gebeurtenissen die zich daarbinnen afspelen. Hoe ruimtes, met name interieurs, dragers kunnen zijn van persoonlijke of collectieve ervaringen, en hoe ze getekend worden door verlies, trauma of vergankelijkheid. Daarom vond ik het ook zo interessant toen jij me vertelde over gothic literature. Voor mijn gevoel is daarin het idee dat in landschap of architectuur een personage psychologisch resoneert heel aanwezig.’
Gothic geeft inderdaad een bepaalde culturele tendens weer van nachtmerries en angsten die leven binnen zowel individuen als de samenleving als geheel. Ik denk ook dat we ons allebei verhouden tot ruimtes en de mogelijkheden en verborgen elementen ervan.
‘Hetgeen wat aanwezig is en niet direct zichtbaar, maar wel voelbaar. Nu moet ik ook denken aan de gedichten die jij schreef voor mijn project *ghosts don’t like new things in Atelier Néerlandais in Parijs. Wat ik daar zo mooi aan vond is dat je bijna systematisch een lijst had gemaakt van woorden die voorkomen binnen die gothic realm. En ging onderzoeken of die woorden nog zeggingskracht kunnen hebben als ze zo vaak zijn gebruikt, zoals een “crooked gate”.’
Gothic speelt veel met tropes; een soort terugkerende motieven, zoals een open raam met een wapperend gordijn. Er is door de jaren heen een zekere voorspelbaarheid ingeslopen, maar de tropes blijven krachtig. In jouw werk ben jij, geloof ik, ook op zoek naar dat spanningsveld, iets herkenbaars maar ook geladen.
‘Het op gang brengen van een dergelijke frictie doe ik door iets uit te nodigen wat chaos teweegbrengt. Ik werk daarvoor graag met archetypes, iets wat al een beeldkader heeft, doordat het ons is aangeleerd door cinema of literatuur. Zoals een slaapkamer, een zolder of kroonluchters.’
Wat probeer je te bereiken met het spelen met die archetypen?
‘Een archetype is een model waar al een veronderstelling in zit. Het zijn “universele” symbolen of motieven, die bijvoorbeeld terugkomen in mythen of dromen. Ik speel daar graag mee, en vind het interessant om te reflecteren op hoe en waarom een archetype is ontstaan. Welke ervaring eraan ten grondslag ligt. Het is altijd het resultaat van de onbestemde relatie tussen wat je ziet en wat je kent.
In het geval van iets existentieels als verlies of de dood, is er taal of zijn er beelden beschikbaar die op een bepaalde manier universeel zijn. Hoe kan daar nog een nieuw beeld aan toegevoegd worden? Ik denk dat kunst een plek is waar je een beeld kunt maken van wat je ervaart, het in een ander daglicht kan zetten en het kan communiceren naar anderen. Via zo’n archetype vind ik het interessant om mensen toegang te bieden en dit vervolgens te ontwrichten van binnenuit. Dat levert een instabiliteit op. Je denkt het te begrijpen, maar er gebeurt iets anders. Ontwrichting, chaos, crisis, dat vind ik interessante elementen. Niet vanuit negativiteit, maar om mensen uit te nodigen deze van een afstandje te bekijken.’
De situaties die je laat zien in je video’s tonen een staat van chaos, waarin je als kijker niet kunt ingrijpen. Je nodigt toeschouwers uit om iets te ondergaan en binnen te treden op een plek die zich niets van hun aanwezigheid aantrekt.
‘Precies… je ondergaat het. Je hebt geen keuze op het moment dat het je overkomt. Daarom probeer ik mijn video’s niet in een narratief te drukken. Er is geen antwoord, ik reik geen personages aan. In de nachtvlindervideo die ik bij Day for Night toon, zweeft de camera rond in een cirkel, als om een lichtbron. Maar je krijgt niet het gevoel dat er een mens aan het observeren is. Wat me opvalt is dat thema’s als ghosts en haunting erg aanwezig zijn in de beeldende kunst van de afgelopen jaren. Daar denk ik veel over na. Waarom zitten we in een tijdsgewricht waarin dit terugkomt. Is dat binnen de literatuur ook zo?’
Zeker. Binnen de poëzie, maar bijvoorbeeld ook heel sterk in hedendaagse Ierse romans.
‘Wat ik er zo interessant aan vind is dat geesten ons een plek bieden om ons tot trauma’s en angsten te verhouden. In een cultuur met een focus op het hyperzichtbare, waarin we geacht worden “het zichtbare” voor “het echte” aan te nemen, wil ik erop wijzen dat het feit dat iets onzichtbaar is niet betekent dat het niet bestaat. De herleving heeft er waarschijnlijk deels mee te maken dat er zoveel systemen ineenstorten; er is overal crisis. Geesten zijn vaak verbonden aan het verleden en een haunting is iets wat een plek zoekt in het nu. Een klopgeest komt terug, omdat iets nog niet is opgelost. Er is erkenning of rectificatie nodig vanuit het heden.’
Het zijn dingen of subjecten uit het verleden die onderdrukt zijn – je zou kunnen zeggen levend begraven – en zich niet langer de mond laten snoeren. We komen erachter dat de echo’s uit het verleden nog overal klinken, en dat zet onze werkelijkheid op losse schroeven.
‘Dat vind ik fascinerend. We leven in een periode waarin we ons erg verhouden tot het verleden. We weten minder van waaruit we vertrekken, omdat het (voort)bestaan niet stabiel is. Het gaat me meer om de vraag hoe je verbonden bent aan de tijd waarin je leeft. Wat maakt het verleden relevant voor het heden? Het verleden is net zo onvoorspelbaar als de toekomst, maar een kunstwerk kan daarbij een houvast zijn. Ik vind het heel bijzonder dat het mogelijk is in 2025 een verbintenis aan te gaan met iets wat bijvoorbeeld in 1800 is gemaakt.’
Je hebt het nu vast over The Yellow Wallpaper [van Charlotte Perkins Gilman uit 1892]. Die ervaring had ik precies toen ik dat verhaal las. Dit narratief volgt de afbrokkelende geestelijke gezondheid van het vrouwelijke hoofdpersonage. In de behangpatronen van haar kamer ziet ze een opgesloten vrouw die, net als zij, probeert te ontsnappen. Zie je jouw fascinatie voor literatuur en taal vooral als een methode om tot een werk te komen?
‘Het werken aan een groter project zie ik haast als een schrijvend proces, alsof ik aan een boek werk. Ik werk bijvoorbeeld met de tijdspanne van een verhaal, of met spanningsopbouw, dus vooral met de structuur van literatuur als leidraad. Als ik aan een tentoonstelling werk, bekijk ik hoe verschillende elementen in relatie staan tot elkaar en gelezen kunnen worden in een ruimte.
Mijn schilderijen zie ik bijvoorbeeld als voetnoten. Tijdens het werken aan een groter project verzamel ik veel anekdotes, titels, gedachten. Het helpt me dan om daar schilderijen van te maken. Die kunnen dan als voetnoten onderaan het grotere narratief iets anders vertellen. Soms maak ik ze voorafgaand aan een groter werk, soms achteraf, om het proces te verwerken. Verder nodig ik graag een ander medium uit en vraag ik dichters mee te doen.’
Dat ga je ook weer doen voor de groepstentoonstelling Missen als een ronde vorm in het Stedelijk Museum Schiedam.
‘Ja, met dichters Sasja Janssen en Sholeh Rezazadeh. Het fijne aan zo’n samenwerking is dat het geen eindpunt heeft. Wat een dichter mij teruggeeft is nieuw materiaal. Er worden woorden gegeven aan een intuïtie, en met die woorden kan ik weer een beeld maken.’
Zo ervaar ik dat ook in onze samenwerkingen. Het is een pendule die zichzelf in beweging houdt; we hebben altijd weer iets om terug te werpen naar de ander. Het is zo verrijkend om met iemand samen te werken uit een andere discipline. Dat je van daaruit een inkijkje krijgt in iemands referentiekader en proces, wetende dat je daarmee ook weer iets bijdraagt aan elkaars praktijk. Dit hangt ook samen met de rol van vriendschap in verhouding tot ons werk en maakproces. Het uitgaan van geven en nemen, elkaar ondersteunen.
‘Ja, zonder dat het voor persoonlijk gewin is. Binnen de kunstwereld wordt er eerder gedacht: hoe kan ik hier een contact aan overhouden? Via vriendschap geven we allebei om iets dat tussen ons in staat, namelijk het werk. Hoe we dat samen voeding kunnen geven.’
Je werk is momenteel ook in veel andere tentoonstellingen te zien. Kun je hier iets over vertellen?
‘In september opende mijn solo bij Annet Gelink, getiteld Day for Night. De show bestaat uit een video en serie schilderijen. De video Where I’m Calling From (2025) komt voort uit een project dat ik deed bij CAPC in Bordeaux en Glasgow International. Ik bouwde daar een installatie die refereert aan een zolderruimte. Het werk speelt met het idee dat een zolder het geheugen van een huis kan zijn, maar ook een tussenruimte waar spullen belanden die nog emotioneel beladen zijn. Souvenirs van gebeurtenissen die je nog niet kunt weggooien. Een zolder is ook vaak binnen zowel literatuur als film een plek waar hauntings plaatsvinden en geesten zich bevinden.
Wij hadden het eerder over de novelle The Yellow Wallpaper. Deels hierdoor geïnspireerd ontwierp ik voor dit project een geel behang waarin een patroon van nachtvlinders verstopt zit.
Motten zijn nachtdieren, die alleen in het donker tevoorschijn komen maar ook een diepe relatie hebben tot het licht. Van oorsprong verhouden ze zich tot de maan en ze vliegen altijd richting een lichtbron. Vaak worden ze gezien als demonen, terugkerende geesten, of een voorbode van de dood of de pest. In de installatie heb ik destijds nachtvlinders fysiek uitgenodigd om een nacht rond te vliegen, wat het videowerk Where I’m Calling From is geworden.’
Wat kunnen we verwachten van je solo in de Oude Kerk?
‘Voor de Oude Kerk werk ik aan een ruimtelijke en audiovisuele installatie, getiteld There’s Always Another Twist. Ik neem de religieuze architectuur van de kerk als vertrekpunt. Deze heeft een lange traditie van het vertellen van visioenen en hallucinaties, die zowel spirituele als politieke doelen dienden. Zo kijk ik bijvoorbeeld naar vroege cinema, zoals optische apparaten en effecten als de toverlantaarn en fantasmagorie. Ik vraag me af hoe zulk soort uitvindingen een rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van visuele illusies en filmische verbeelding.
De vijfentwintig meter hoge spiraaltrappen van de Oude Kerk zijn een centraal motief. Een visueel en psychologisch motief dat fungeert als symbool voor tijd, herinnering en ruimtelijke waarneming. Voor mij symboliseert deze trap een psychologische en architectonische dubbelzinnigheid: een draaikolk, een val, of een op- en neergang… In een serie vignetten – video’s op ronde schermen – verspreid over de zijruimtes van de kerk, worden bezoekers meegenomen in een gelaagde, hallucinerende ruimtelijke ervaring waarin donkerte niet de afwezigheid is van licht, maar een aanwezige substantie.’
DEZE TEKST IS EERDER GEPUBLICEERD IN METROPOLIS M NUMMER 5 – 2025
Op 3 februari Presenteert Minne Kersten een avond over haar inspiratiebronnen in Eye, ism De Oude Kerk.
Day for Night, Annet Gelink Gallery, Amsterdam, 5.9 t/m 25.10.2025
There is always another twist, Oude Kerk, Amsterdam, 21.11.2025 t/m 6.4.2026
Minne Kerstens werk is ook onderdeel van de groepstentoonstelling Missen als een ronde vorm bij Stedelijk Museum Schiedam, 27.9.2025 t/m 1.3.2026
Anne Marijn Voorhorst
is dichter en schrijver




