metropolis m

Lisa Matthys, De werf, Playtime!, foto Django van Ardenne

Is er nog tijd voor vrij spelen in een tijd waarin alles efficiënt, doelgericht en productief moet zijn? Waar Aldo van Eycks speeltoestellen bedoeld waren als uitnodiging tot fantasie, worden ze nu bezet door sportgroepjes met strakke schema’s. Fabienne Rachmadiev schrijft over het belang van de erkenning van het radicale potentieel van spel, zoals dat recentelijk in meerdere tentoonstellingen in Amsterdam, Berlijn, München en deze weken o.a. in PLAYTIME! POST Arnhem en het Bonnefanten Maastricht wordt aangekaart.

In het Amsterdamse Westerpark staat een aluminium klimrek van architect Aldo van Eyck op een blauwe rubberen ondergrond. Wanneer ik er langskom tijdens mijn dagelijkse wandeling, staan of liggen er meestal volwassenen in dure sportkleding. Soms schalt er luide muziek met opzwepende beats uit een draadloze speaker en moedigt een instructeur een clubje aan nog vol te houden, vast te houden, nog één herhaling, en nog één… De drie klimstenen ernaast, waar dikwijls bidons op rusten, zijn eveneens zijn ontwerp. Meer dan zevenhonderd van zulke speelplekken werden in de naoorlogse periode in de openbare ruimte van Amsterdam gerealiseerd door Van Eyck. De iconische toestellen, zoals de iglo en de zandbak met betonnen rand, zijn nog steeds op veel plekken te vinden, inmiddels voorzien van extra veiligheidsmaatregelen, zoals een rubberen ondergrond. Volgens Van Eycks filosofie moesten de speelplaatsen gelegenheid bieden voor vrij spel in het dagelijks leven en in de publieke ruimte. Het zijn eenvoudige structuren, op allerlei wijze te gebruiken, ontvankelijk voor verbeelding en creativiteit.

In het zomernummer van Vrij Nederland over het belang van spelen, en het gebrek aan ruimte daarvoor, schrijft sportjournalist Arthur van den Boogaard dat de huidige fitnesscultuur is voortgekomen uit de extreemrechtse ideologie van Friedrich Ludwig Jahn, die Duitse soldaten via gymnastiek wilde klaarstomen voor de volgende oorlog. Dat het klimrek in Westerpark is overgenomen door een cultus van fitheid en individuele maakbaarheid, is ironisch, maar ook tekenend voor de huidige hyperproductieve maatschappij. Er is weinig ruimte en tijd voor lummelen, om de verbeelding de vrije loop te kunnen laten, voor spelen en om het plezier van het spel zonder er allerlei vormen van productiviteit aan op te hangen.

Eens in de zoveel tijd klinkt er een roep om de terugkeer van spel in de samenleving en daarbij wordt vaak, zo ook in de VN-special, een beroep gedaan op Johan Huizinga’s idee van de spelende mens: Homo Ludens. Huizinga herkent in het spel het wezen van de mens, de kern van menszijn is spelen. Spel, dat leidt tot ultieme vrijheid, is in een moderne samenleving in het geding. Dat spel goed is, noodzakelijk zelfs, lijkt telkens het uitgangspunt van hedendaagse betogen. Maar het ene spel is het andere niet. Veel spel, zoals dat momenteel wordt omarmd door bedrijven (denk aan de glijbaan in kantoren van Google), dient niet de verbeelding, zoals bij Van Eyck, maar alleen de verhoging van de eigen productiviteit. Zoals vrijwel alles in een consumptiemaatschappij wordt het ontdaan van een radicaal potentieel.

Eens in de zoveel tijd klinkt er een roep om de terugkeer van spel in de samenleving

Eva Kotakova, For Children, Haus der Kunst, München, 2025/2026, foto Agostino Osio

Dat radicale potentieel van het ‘ludieke’ wordt op gezette tijden ook in de kunst onderzocht. Het meest sprekende, Nederlandse voorbeeld is wellicht de tentoonstelling Dylaby in het Stedelijk Museum Amsterdam in 1962, waar Jean Tinguely en Robert Rauschenberg vrij spel kregen van Willem Sandberg om het museum tot speelruimte om te toveren, met onder andere een ‘ballonnenkamer’. Dit was enkele jaren voordat de ‘antiautoritaire kresj’ zijn intrede deed, waarbij de autonomie van het kind centraal stond als reactie op de strenge, patriarchale opvoeding die heersend was. De kresj, volgens marxistisch gedachtegoed, was gestoeld op revolutionair-communistische ideeën, waarin geageerd werd tegen de ‘burgerlijke’ opvoeding van kinderen. In plaats van een opvoeding waarin ook spel geïnstrumentaliseerd wordt om het kind tot een modelburger, radar in de consumptiemaatschappij te vormen, voorzag deze revolutionaire pedagogiek (die overigens niet verward moet worden met de toegepaste, autoritaire pedagogiek onder historisch communistisch bewind) in een proletarische opvoeding waarbij het kind doordrongen raakt van de noodzaak tot het omverwerpen van de klassenmaatschappij.

Zo schreef Walter Benjamin, naar aanleiding van de observaties van de theaterpedagoog Asja Lācis (wier inzichten in pedagogiek en kindertheater in verschillende tentoonstellingen, waaronder documenta 14 op hernieuwde belangstelling konden rekenen) dat er in tegenstelling tot een doel, juist een raamwerk, een omgeving moest worden geboden waarbinnen kinderen met het spelen hun ‘kindertijd vervullen’. Benjamin doelde hier heel specifiek op kindertheater, door en voor kinderen, in plaats van volwassenen die voor kinderen spelen. In de vrijheid, die hij meende dat er ontstond in dat spel, school volgens hem de mogelijkheid tot het verschijnen van het ‘revolutionaire gebaar’(dat wil zeggen, de omverwerping van de klassenmaatschappij). Recente voorbeelden van spel en pedagogiek in de kunst richten zich ook op het creëren van ruimtes voor inclusief en vrij spel, zoals bijvoorbeeld het collectief Bindoong Play, van kunstenaar Choi Heong-uk, resident aan de Rijksakademie. In Zuid-Korea heeft dit samenwerkingsverband verschillende experimentele speelplaatsen ontwikkeld, waar kinderen de gelegenheid krijgen zonder instructies dingen te maken, onder het mom van ‘zelfgestuurde creatie’.

Born to Play, Bonnefanten, Maastricht, 2026
Baan Norg collabrative Arts, documenta fifteen, foto Nils Klinger

Onder invloed van documenta fifteen

De huidige belangstelling voor het ludieke in de kunst lijkt overigens met name te zijn aangeslingerd door documenta fifteen, waar het collectief ruangrupa voorstellen deed volgens de opvatting dat kunst in het leven geworteld is, in plaats van afkomstig uit een museum, van de professionele kunstindustrie. Er waren dan ook geen speciaal gereserveerde ‘kinderruimtes’ met aparte kinderactiviteiten, zoals gebruikelijk in veel kunstinstituten. ‘Rurukids’, zoals deze lijn van de manifestatie heette, was juist zeer zichtbaar gelokaliseerd, bij de ingang van het Fridericianum, en behelsde, onder andere, een public daycare van Graziela Kunsch. Even verderop waren skaters welkom in de installatie van Baan Noorg Collaborative Art & Culture. In het kielzog van Rurukids, buigen verschillende tentoonstellingen in binnen- en buitenland zich over de vraag van het spel in de kunst en belichten die op uiteenlopende wijze, zoals de notie van fysieke speelsheid (De Cycloop in Museum Cobra), kunst voor kinderen (in Hannover en Haus der Kunst in München) en, wellicht het meest synthetiserend en met duidelijke emanciperende insteek, is de tentoonstelling CaccHho CucchhA die tot eind november te zien was in de Appel in Amsterdam.

Aan die laatstgenoemde solotentoonstelling van de Argentijns-Nederlandse Mercedes Azpilicueta, is ook een reeks workshops en een symposium verbonden, waarbij er nadrukkelijk wordt nagedacht over de relatie tussen spel en kind, en de plek daarvan binnen kunstruimtes. CaccHho CucchhA, sluit aan op de terugkerende roep om meer vrije speelruimte in de samenleving, maar legt hierbij de nadruk op het belang van de mogelijkheden voor kinderen om vrijuit te kunnen spelen. Azpilicueta ziet, aldus de tentoonstellingstekst, spelen als ‘een manier om nieuwe dingen uit te vinden, om niet te doen wat volwassenen zeggen en om nieuwe vrienden te maken’. Daarnaast past de tentoonstelling in de visie van de Appel om als instituut ook kinderen beter te kunnen verwelkomen. Met de behoeften van kinderen, net zoals die van andere kwetsbare groepen, wordt weinig rekening gehouden in de openbare ruimte. Willen kunstinstellingen daar iets aan doen, meent Azpilicueta, dan moet er ook worden nagedacht over de gehele inrichting van zulk soort ruimtes.

De titel zelf, speels gespeld, herbergt de filosofie van de tentoonstelling. Cacho is een aanduiding voor tijd die niet te meten valt, waarin niets gebeurt, dat een moment in beslag kan nemen, of wellicht veel langer. In de tentoonstelling wordt dit tijdselement opgevat als een ‘fragment dat niet gemeten kan worden’ en als een ‘overblijfsel’ waarvan iets nieuws gemaakt kan worden. Cucha is dan weer een tent of een toevluchtsoord. De combinatie ervan duidt op de ruimte (Lācis’ en Benjamins raamwerk) dat verschaft wordt om zo’n onmeetbare tijd te kunnen bewerkstelligen (ook weer verwant aan Benjamins opvatting van jetztzeit – een verstild moment dat zich onttrekt aan historische tijd en daarmee momentum voor een revolutionair gebaar in zich draagt). Cacho biedt de ‘perfecte tijdsspanne’ om te spelen volgens Daniela Pellegrinelli, een Argentijnse onderzoeker, die voor het symposium een lezing verzorgde. Helder duidt ze dat, hoewel spel maatschappelijk positief gewaardeerd wordt, er in wezen een heel utilitaristische opvatting van spel als norm geldt, namelijk spel dat doelmatig wordt ingezet (net zoals in de burgerlijke opvatting waartegen de revolutionairen van de vroege twintigste eeuw tegen ageerden). De opvatting van spel die zowel Pellegrinelli als CaccHho CucchhA daartegenover zetten, is dat de vraag niet is of spel tot meer creativiteit leidt, maar ‘waarvoor is het belangrijk om creatief te zijn?’ Hier wordt de ‘autoteleologische’ spelopvatting van de filosoof Brian Sutton Smith aangehaald: spel is waardevol vanwege de nutteloosheid ervan voor een kapitalistische samenleving en creëert daarmee een ‘onaantastbare ruimte’ om te zijn.

Ik bezocht CaccHho CucchhA samen met mijn kind, op dat moment nog net geen peuter. Onderaan de hoge trappen lieten de bezoekers hun schoenen uit, bovenaan was er voor de veiligheid een traphekje aangebracht (een object dat, hoewel niet strikt onderdeel, op grote belangstelling van in ieder geval mijn kind kon rekenen). Eenmaal boven, in de tentoonstellingsruimte zelf, eiste een metershoog kleed als eerste de aandacht op: een kleurrijk werk, met gaten erin waaraan kinderen hun eigen creaties konden hangen. Vooraf waren we gewaarschuwd dat het tapijt kwetsbaar is, en gedurende mijn bezoek heb ik mijn kind ervan moeten weerhouden er niet steeds aan te gaan hangen. Andere, grotere kinderen, waren ondertussen bezig een klimboog, een duidelijk eerbetoon aan Van Eyck, te bewerken tot een ander soort object. Er werden buizen en kussens doorheen gepropt, ander materiaal dat voorhanden was omheen gewikkeld. De kinderen hadden geen enkele instructie nodig om datgeen wat de tentoonstelling zei te willen faciliteren, tot uitvoering te brengen. Wat daaraan denk ik ook meehielp, was de ontspanning bij de ouders die zich kunnen terugtrekken, dat ze op een plek zijn waar de energie en creativiteit, de speellust van het kind nadrukkelijk verwelkomd werd, in plaats van het voortdurend te moeten beteugelen zoals op zoveel openbare plekken de heersende norm lijkt te zijn. De filosofie strekte zich overigens ook moeiteloos uit tot de ruimte buiten het gebouw van de Appel: op een rolstoelhelling renden en klommen kinderen naar hartelust. Hun spel maakt expliciet dat inclusie voor een ieder in de gemeenschappelijke, openbare ruimte een verbetering voor iedereen behelst.

PLAYTIME!
BIJ PLATFORM POST

Bas Hendrikx stelde de tentoonstelling Playtime! samen in Arnhem. Een tentoonstelling gewijd aan spel, inde ogen van kunstenaars. Er is volop gelegenheid te spelen, mits er voldoende medespelers zijn. En anders is daar nog de video van Priscilla Fernandez die op een vrolijke manier de verbinding van vrijetijdscultuur en abstracte kunst uitlegt.

Hendrix zet niet alleen op kinderen maar ziet de tentoonstelling ook als een voorbeeld van serious gaming, die bezoekers bewust moet maken van hoe de grotere kwesties van het moment, zoals daar zijn de klimaatcrisis, gender- en migratiekwesties verdelen onze samenleving en technologische ontwikkelingen zoals AI, via spelvormen beter aangegaan kunnen worden. Of zoals de tentoonstellingstekst schrijft: ‘Hoe kunnen spel en spelen dienen als motor voor sociale en politieke verandering in een wereld waarin vragen over rechtvaardigheid, toekomst en technologie centraal staan?

Spelmechanismen worden door verschillende kunstenaars gebruikt als middel voor reflectie, worldbuilding en sociaal engagement. Van morele dilemma’s tot utopische vergezichten: de kunstwerken in de tentoonstelling zijn een uitnodiging om mee te denken, te bouwen en te spelen.

Met Eloïse Bonneviot & Anne de Boer, Priscila Fernandes, The Institute of Queer Ecology, Lisa Matthys, POST Arnhem, 21.03 t/m 14.06.26 Meer info HIER

BORN TO PLAY, Bonnefanten Museum, Maastricht, t/m 14.3.2027 Meer info HIER

DEZE TEKST IS EERDER GEPUBLICEERD IN METROPOLIS M NUMMER 6 2025/2026- KINDERSPEL

METROPOLIS M KAN NIET ZONDER JE STEUN

Trouwe lezers vormen het fundament van Metropolis M. Wij kunnen niet zonder je steun. Je kunt ons steunen door een jaarabonnement af te sluiten. Het eerste jaar krijg je 40% korting. Een regulier jaarabonnement kost 58 euro. Er zijn ook kortingsabonnementen. Studenten/65plussers/CJP-ers/Personen met een minimuminkomen en PLATFORM BK-leden betalen slechts 36 euro voor hun jaarabonnement. Op DEZE PAGINA lees je meer over de verschillende abonnementssoorten en kun je je direct aanmelden.

BIJ VOORBAAT DANK!

Fabienne Rachmadiev

is schrijver en onderzoeker

Gerelateerd

Recente artikelen