metropolis m

Thato Thoeba, man on fire, 2023, collage, courtesy de kunstenaar en Stevenson, Amsterdam

Met een academische achtergrond in de rechten en een baan als jurist, besloot Thato Toeba, die velen zullen kennen van de afgelopen twee Open Studios van de Rijksakademie, over te stappen naar de kunstwereld. Wat betekent het om vanuit deze achtergrond de stap te maken om als kunstenaar te gaan werken, met alle onzekerheden van dien?

Nu de tweejarige residentie aan de Rijksakademie net achter de rug is, spreek ik Thato Toeba over hun afgelegde weg naar het kunstenaarschap, de ruimte die kunst biedt om te twijfelen en te vertragen, en de politieke en poëtische lagen die hun praktijk vormen. Waar het recht en overheidsstructuren zich vaak verhullen in abstracties, laat Toeba in hun collageobjecten en installaties juist de gezichten, lichamen en persoonlijke sporen zien die door deze systemen worden gevormd of uitgesloten. Door het knippen en herschikken van de collages doorbreken ze met subtiele ingrepen de visuele structuren die bepalen wie er wel en niet mag bestaan in het verhaal van een land, een familie, een geschiedenis.

Nadeche Remst: Je hebt een indrukwekkende academische achtergrond in de rechten, en was zelfs bezig met een promotietraject in internationaal recht in Kaapstad. Kun je me vertellen hoe je naar kunst bent overgestapt?

Tato Thoeba: ‘De universiteit voelde voor mij alsof ik langzaam mijn stem verloor. Ideeën blijven daar vaak geïsoleerd, afgesloten van de wereld. Ik kon goed analyseren, goed terugvinden wat de wet zegt, maar het ging nooit over wat ik dacht of voelde. In het recht word je niet om je mening gevraagd. Je moet gewoon reproduceren wat er staat. Wat me raakte toen ik met kunst in aanraking kwam, is dat je daar wel kan communiceren. Kunst mag ook weigeren, traag zijn en tegenwerken. Het voelt als een ruimte waarin je na kunt denken over het waarom, zonder meteen een oplossing te hoeven bedenken. Dat is misschien wel ons grootste probleem als samenleving: dat niemand meer bezit heeft over zijn eigen tijd. Kunst gaf me het gevoel dat ik mijn tijd kon opeisen.’

NR: Was er een specifiek moment van overgang? 

TT: ‘Er was niet één duidelijk omslagpunt, maar er waren wel momenten waarin het zich aankondigde. Ik studeerde rechten aan de Universiteit van Lesotho, werkte daarna kort als jurist en verhuisde toen naar Kaapstad voor een master in internationaal strafrecht. Dat was een speciaal programma met studenten uit vijftien Afrikaanse landen, gefinancierd door een DAAD-beurs. Uiteindelijk werd ik geselecteerd om door te stromen naar het PhD-traject, en bleef ik in Kaapstad. Terwijl mijn klasgenoten vertrokken, bleef ik achter.

Ik verhuisde van de campus in Belville naar het centrum van Kaapstad en kwam terecht in een huis met een schrijfster die actief betrokken was bij de Fees Must Fall-beweging. Ons huis werd een ontmoetingsplek voor kunstenaars, activisten en schrijvers. We kookten, praatten, lazen. Veel van de mensen om me heen waren kunstenaars. Zo raakte ik ondergedompeld in de kunstwereld; het was de eerste keer dat ik kunst van dichtbij meemaakte. In Lesotho, waar ik opgroeide, zijn er nauwelijks musea of galeries.

Mijn eerste echte ervaring met kunst was bij Stevenson, de galerie in Kaapstad, ik was toen al 26. Mijn bezoek aan The Quiet Violence of Dreams daar raakte me diep. De tentoonstelling was gebaseerd op het boek van de Zuid-Afrikaanse schrijver K. Sello Duiker uit 2001, over het leven in Kaapstad.Het bood niet het toeristische beeld van de stad, maar de realiteit daaronder. Dat was het moment waarop ik dacht: kunst kan de stad, de geschiedenis, jezelf opnieuw en anders in beeld brengen. Via zulke ervaringen en mensen die ik sprak kwam ik ook in aanraking met denkers als Édouard Glissant. Zijn idee van “the right to opacity”, het recht op jezelf zijn, zonder jezelf te hoeven verklaren, resoneerde enorm. Voor het eerst voelde ik: dit gaat ook over mij.’

Thato Thoeba, Hlala Nathi (stay with us), 2024, collage, hout, plexi spiegel, courtesy de kunstenaar en Stevenson, Amsterdam

NR: Wat biedt de kunstwereld je dat je in de juridische wereld niet vond?

TT: ‘Ruimte om te twijfelen en niet direct met een oplossing te komen. In de kunst mag je vragen blijven stellen. Dat was voor mij bevrijdend. In Lesotho is werkloosheid een van de grootste problemen, en de overheid voelt zich voortdurend gedwongen om banen te creëren. Maar niemand vraagt: waarom is er eigenlijk werkloosheid? Wat betekent het om “onbezet” te zijn? Is dat echt een probleem? Voor mij was die vraag radicaal: wat betekent het om tijd te hebben die niet door iemand anders wordt ingevuld? In plaats van constant te moeten produceren, zou je ook kunnen reflecteren. Die manier van denken vond ik in de kunst.’

NR: Hoe ontwikkelde je vervolgens je artistieke praktijk, zonder formele kunstopleiding?

TT: ‘In die periode keek ik veel films en documentaires met vrienden. We raakten gefascineerd door archiefmateriaal, vooral door de esthetiek ervan. Het trainen van mijn oog begon toen al. Tijdens mijn bachelor in Lesotho fotografeerde ik al een paar jaar, vooral als manier om te leren kijken. Dat evolueerde later tot het project Lesotho Archives (@lesothoarchives) op Instagram, dat ik ben begonnen tijdens de pandemie. Ik probeerde elk beeld van Lesotho sinds de onafhankelijkheid te verzamelen. Ik typte gewoon “Lesotho 1966” of “Basutoland” in, vond beelden, en zo ontstond het project. Geen directe uitleg, alleen beelden en data. Dat werd mijn visuele archief, waar ik nog steeds uit put.’

NR: Hoe zie je de rol van het archief in je werk?

TT: ‘Voor mij zijn archieven plekken waar “kennis” wordt bewaard, maar ook waar macht wordt geconcentreerd. Net als het recht heeft het de aura van objectiviteit en autoriteit, de suggestie dat wat er te vinden is de “waarheid” is. Maar eigenlijk zegt een archief net zoveel over wie de macht heeft om te bewaren, als over wat er daadwerkelijk wordt bewaard. In Lesotho is er bijvoorbeeld één museum, het Morija Museum and Archives, dat is verbonden aan de Anglicaanse kerk. Wat daar wordt bewaard, is geframed vanuit een koloniaal perspectief. Dat zie je overal op de wereld: de manier waarop geschiedenis wordt vastgelegd is nooit neutraal. In het Morija Museum wordt het onderscheid tussen “primitief” en “beschaafd” voortdurend gereproduceerd. Maar de geschiedenis die daar verteld wordt, sluit niet aan bij hoe mensen werkelijk leven of herinneren.
Ik wil in de wereld zijn zoals ik ben, niet zoals men denkt dat ik hoor te zijn. Ons imago is dat van een christelijk, moreel oprecht volk, maar dat is niet het hele verhaal. Tijdens mijn residentie aan de Rijksakademie maakte ik een groot werk, Father of the Nation, dat hierop reageert. Je ziet in dat werk mannen aan tafel, vanuit het idee van stabiliteit, leiderschap, “het belang van de natie”. Achter die mannen plaatste ik andere figuren die dit verstoren. Eén van hen is mijn moeder. Ze staat precies achter mijn vader in de compositie. Zij is hoogopgeleid, uitgesproken, onafhankelijk, een vrouw die zich niet conformeert aan het beeld van gehoorzaamheid of passiviteit. Alleen al door haar in dat beeld te plaatsen, wordt de masculiene vrede verstoord.
Dat is waarom ik werk met archieven: om te laten zien hoe mensen zijn afgebeeld, en hoe we onszelf kunnen herzien. Niet als onderdanen in een koloniaal script, maar als mensen met eigen tijd, eigen herinneringen, en eigen manieren van bestaan. Collage is voor mij de perfecte vorm daarvoor. Het is letterlijk knippen en herschikken, een vorm van tactiele subversie.’

Thato Thoeba, the secret of a city, 2023, collage, courtesy de kunstenaar en Stevenson Amsterdam

NR: Je materiaalgebruik is vrij complex en gelaagd, de installaties nodigen uit tot reflectie, zowel letterlijk als figuurlijk. Kun je ons meenemen in hoe jouw werken zich ontwikkelen van concept tot uiteindelijke vorm?

TT: Het begon zo: een bevriende kunstenaar van me maakte een bed. Ik ging mee om hout uit te zoeken, mooie stukken van specifieke bomen. Toen het bed af was, dacht ik: dit betekent misschien volwassenheid. Dat was ook het moment dat ik besefte: ik wil dingen maken. Op dat moment werkte ik nog als jurist. Het geld dat ik verdiende, gebruikte ik om langzaam een studio op te bouwen. Op een gegeven moment kreeg ik een uitnodiging voor een groepstentoonstelling, en moest ik echt fysieke werken gaan maken, niet alleen de collages die ik tot dan toe maakte. De collages begonnen toen een ruimtelijke vorm te krijgen.
Het proces is vaak langzaam, en tegelijk heel precies. Ik spendeer veel tijd met de materialen. Glas betekent voor mij transparantie, doorkijk, maar ook breekbaarheid. Spiegels staan voor verantwoordelijkheid: ze confronteren. Fotografie gaat ook over geheugen, over kadering, over wie kijkt en wie bekeken wordt. Mijn installaties zie je nooit in een oogopslag: de beelden vervormen, verdubbelen zich, verdwijnen soms deels. Net als bij macht of geschiedenis: afhankelijk van waar je staat, zie je iets anders. Wat ik interessant vind, is dat ik vroeger over deze systemen schreef: over corruptie, transparantie, staatsstructuren. Maar nu maak ik werk waarin die systemen tastbaar worden, niet om ze uit te leggen, maar om ze uit te dagen.’

NR: Je residentie bij de Rijksakademie is net afgerond. Hoe kwam je er terecht en wat heeft die periode je gebracht, artistiek en persoonlijk?

TT: ‘Ik werkte met Stevenson toen ze me vroegen mee te doen aan de groepstentoonstelling Where do I begin?. Daarvoor maakte ik mijn eerste echte kunstwerken. Ik besloot mijn baan als jurist op te zeggen, wetende dat ik het financieel moeilijk zou krijgen om enkel op kunst te richten. Via die tentoonstelling hoorde ik voor het eerst over de Rijksakademie. Ik solliciteerde zonder veel verwachtingen, en tot mijn verbazing werd ik uitgenodigd voor een interview. Ik had nog nooit eerder in een kunstschoolsetting gezeten.
Daar leerde ik het belang van materialiteit: om met je handen te werken, om te kijken hoe anderen kunst maken. Voordat ik aan de Rijksakademie begon, was ik nog jurist. Pas een maand geleden durfde ik me voor het eerst echt kunstenaar te noemen. Dat zegt misschien iets over hoe monolithisch ons leerproces vaak is. Maar ik geloof ook in een zekere bestemming: dat ik rechten moest studeren, dat ik me verdiepte in de geschiedenis van natiestaten, dat ik op dat moment bepaalde mensen ontmoette.’

NR: En nu werk je samen met Stevenson, een bijzondere stap in een jonge carrière. Hoe is die samenwerking ontstaan?

TT: ‘Via STAGE, hun programma voor jonge kunstenaars, kreeg ik een eerste kans. Vanaf daar is de samenwerking langzaam gegroeid. Dat is inderdaad bijzonder, niet iedereen krijgt die kans zo vroeg. Tegelijkertijd blijft de kunstwereld ook institutioneel en vaak elitair. Maar ik probeer daarbinnen ruimte te maken voor een andere blik, voor stemmen en beelden die anders misschien buiten beeld zouden blijven. Kunst gaf me mijn stem terug en dat is iets wat ik nooit meer wil kwijtraken.’

Nadeche Remst

is kunsthistoricus en criticus, eindredacteur van Metropolis M

Recente artikelen