Wat wil Rotterdam?
Wat wil Rotterdam?
Sinds december 2004 probeert de stad Rotterdam zijn imago te verbeteren onder de slagzin: Rotterdam durft! En dat in een stad die bevangen door angst de ene na de andere maatregel neemt in het kader van de openbare veiligheid. Deze angstpolitiek gaat ten koste van de cultuur die volgens de jongste plannen fors budget moet gaan inleveren. Als de plannen doorgaan betekent dit het definitieve einde van jarenlang cultureel stimuleringsbeleid.
De jaren tachtig. Op een ruwe fundering, in de jaren zestig en zeventig gelegd door een bevlogen clubje cultuurminnende Rotterdammers, zet de politiek een structureel kunstbeleid uit. Rotterdam gaat de concurrentie aan met de hoofdstad. En het werkt. Voor hen die zijn gestuit op het dichtgetimmerde Amsterdam lokt de Rotterdamse ruimte. De havenstad wordt gepresenteerd als een stad voor artistieke pioniers uit binnen- en buitenland. De nieuwkomers krijgen een warm onthaal en er worden voor hen in de jaren negentig verschillende podia gecreëerd. Er komt een actief beleid om galeries aan te trekken, kunstenaarsinitiatieven schieten als paddestoelen uit de grond en niet in de laatste plaats worden er grote instituten opgericht, zoals Witte de With, NAi en de Kunsthal. Kroon op het werk volgt in 2001, als Rotterdam Culturele Hoofdstad van Europa wordt. De stad telt volledig mee in de kunst. Maar niet voor lang.
Aan het eind van 2001 verdringt het nieuwe politieke thema veiligheid de kunst naar de rand van de politieke agenda. Angstpolitiek is een nationale tendens, maar in het Rotterdam van Leefbaar Rotterdam krijgt het een uitgesproken karakter. Grootscheepse bezuinigingen worden aangekondigd, samenhangend met de eerste geluiden over een op handen zijnde verzelfstandiging van gemeentelijke culturele instellingen in 2006. Kunst wordt beschouwd als bijzaak en niet meer dan een maatschappelijk lapmiddel. Uit de lokale kunst- en cultuurwereld klinkt nauwelijks protest. Alleen Manifest R2002 laat met ‘tien wensen voor de jongerencultuur’ duidelijk horen dat de politiek moet blijven investeren in de culturele sector.
Veel instellingen werken zelfs proactief mee aan de politieke wensen en trachten zo te bewijzen dat kunst wel degelijk nut heeft voor de maatschappij – dat kunst zelfs inzetbaar is voor ‘veiligheid’. Kunstenaars spelen er handig op in met multiculturele (kunst)projecten in buurten, wijken en scholen die door de gemeente graag worden ondersteund. Het is de periode waarin de Commissie van Cultuur en Sport veel over de vloer komt bij de culturele instellingen. In 2004 ontstaan de eerste voorzichtige protesten onder slogans als: ‘Rotterdam loopt leeg’ en ‘Rotterdam bloedt dood’. Met name hoger opgeleiden verlaten de stad voor ‘leefbaardere’ oorden, waar men meer hart heeft voor cultuur. Cultureel Rotterdam heeft het nakijken.
December 2004. In dezelfde maand dat Sjanghai het predikaat ‘grootste havenstad ter wereld’ overneemt van Rotterdam, start de actie ‘Rotterdam durft!’. De stad is zich bewust van de toenemende inflatie van het leefklimaat en begint een nieuwe promotiecampagne. Maar nauwelijks een maand later wordt er even zo gemakkelijk een desastreuze bezuiniging aangekondigd in de kunst- en cultuursector. De sector waar Rotterdam durft! zich nota bene expliciet mee afficheert. De politiek is kennelijk de weg kwijt.
Een stad die zo tegenstrijdig handelt, moet de bevolking wel wakker schudden. En inderdaad, zodra er concrete bezuinigingscijfers in zicht komen, gaat de kunst- en cultuurwereld over tot de actie ‘Rotterdam dooft!’. Het werd tijd. De instituten, uitzonderingen daargelaten, hebben te lang op safe gespeeld en uit lijfsbehoud met politieke winden meegewaaid. Ook de beeldende kunstsector had al veel eerder van zich kunnen laten horen. Al op het moment dat Chris Dercon waarschuwde voor berlusconiaanse praktijken, AVL Ville gesloten werd en Santaclaus, een beeld van Paul McCarthy bedoeld voor de openbare ruimte, van het ene stadsplan naar het andere werd gezeuld. Er zijn grenzen aan het incasseringsvermogen van de kunst. Een stad die durft moet ook voor kunst durven te kiezen, vol overtuiging, zonder bijbedoelingen.
In het najaar van 2004 nam de tentoonstelling Tracer, een samenwerkingsproject van TENT. en Witte de With, de actuele staat van de Rotterdamse kunst onder de loep. Zomer 2005 doet museum Boijmans van Beuningen dat met een tentoonstelling over Rotterdamse kunst. Was in Tracer de blik van buiten naar binnen gericht – zes ‘niet Rotterdamse’ curatoren maakten de balans op van de Rotterdamse kunst – in Boijmans van Beuningen zal de blik van binnen naar buiten worden gericht. Het wordt een parade van Rotterdamse kunst die de artistieke stand van zaken in Rotterdam reflecteert. ‘De tentoonstelling laat zien waar de kunstenaars en ontwerpers in de stad momenteel voor staan’, staat er te lezen in het persbericht. Zou dat betekenen dat men zich eindelijk eens uit gaat spreken over de situatie in de Rotterdamse kunst? Laten we het hopen.
Een groot deel van het Rotterdamse kunstmanagement is te lang bereid geweest om het spel meet te spelen en dat is ten koste gegaan van de inhoud. Er is te lang gerelativeerd. Reflectie, balansen, inventarisaties, iedereen is nog steeds volop bezig met een boekhoudkundige legitimatie van het Rotterdamse kunstinstituut. En de kunst gaat er aan onderdoor. Het wordt tijd dat het instituut zijn verantwoordelijkheid neemt door programma’s te maken die staan en aandacht trekken, debat genereren en uitmunten in inhoudelijk discours. En dat de kunst zijn eigen koers kan varen, los van alle institutionele belangen. Precies zoals Kees Weeda opmerkt in Artforum van januari 2005: stop met kunst te laten bijdragen aan iets, haar iets te laten bewijzen, te legitimeren. Het is tijd om te proberen om de waarde van kunst op zich te begrijpen. En daar ruimte voor te bieden.
Project Rotterdam (werktitel)
Museum Boijmans van Beuningen
2 juli 2005 – 25 september 2005
De catalogi TRACER 1 & 2 zijn
verkrijgbaar bij TENT. en Witte de With
Bregje van Woensel




