
Who are you wearing? – In gesprek met Femke de Vries – over de relatie tussen mensen en niet-menselijke dieren in mode
Who Are You Wearing? is een vraag die doorgaans wordt beantwoord met de naam van een merk of ontwerper, maar dat is niet het antwoord waar onderzoeker Femke de Vries naar op zoek is. Sinds 2023 onderzoekt ze – onder deze titel – de relatie tussen mensen en niet-menselijke dieren in mode in haar PhD aan de RMIT School of Fashion & Textiles (Melbourne, Australïe). Karmen Samson spreekt met haar over de rol van niet-menselijke dieren in de westerse mode en over de leefwerelden en relaties van en met deze dieren.
Hoe is jouw interesse in de relatie tussen mens en dier binnen mode ontstaan?
‘Het is een lang proces geweest, zonder één specifiek beginpunt. Ik heb altijd veel interesse in dieren gehad. Ik ben opgegroeid in een dorp met veel dieren om me heen, zowel huisdieren als vee. Een doorslaggevend moment was toen ik zo’n tien jaar geleden een residentie in Brits-Columbia in Canada deed. Veel mensen in dat gebied zijn actief in dierenactivisme en natuurbescherming. In die tijd kwam ik ook in aanraking met theorieën over posthumanisme en besefte ik dat ik graag iets over en voor dieren wilde doen. Onverwacht vond ik in mode een goede vorm hiervoor. Mode gaat over materiaal, over kleding, maar ook over representatie. Dieren zijn aanwezig in al deze uitingsvormen, en tegelijkertijd, ongezien: een blinde vlek.’
Hoe kunnen we als mens bewuster worden van deze dier-mens – ofwel interspecies – relaties?
‘De term interspecies, net als de term symbiose, wordt veel gebruikt in het posthumanisme. Met deze begrippen wordt de centrale positie van de mens ter discussie gesteld en benadrukt hoe we onderdeel zijn van grotere ecologieën waarin een breed scala aan verschillende wezens met elkaar verbonden zijn en elkaar beïnvloeden. Het is een mooi en belangrijk besef, maar wat ik vaak in mis in het gebruik ervan, is aandacht voor machtsrelaties en de effecten daarvan. Niet-menselijke dieren worden vaak over het hoofd gezien of simpelweg genegeerd. Het risico is ook – en dat zie je denk ik ook in veel kunstpraktijken rond posthumanisme – dat er een soort romantisering ontstaat van die relationaliteit tussen mens en dier. Zo kwam ik uiteindelijk bij Critical Animal Studies. Daar wordt de intersectionaliteit van menselijk superioriteit benadrukt en heel expliciet gesteld: we moeten verder gaan dan praten, we moeten handelen.’
Dit handelen komt bij uitstek naar voren in een van je eerste projecten, een garderobe interventie met de titel Which Animal is Present in Your Garment?, tijdens de conferentie Ways of Caring – Practicing Solidarity. Kun je wat vertellen over dit project?
‘De installatie bestaat uit vijf kledingrekken, gecategoriseerd in de vijf type dierlijke materialen: wol/haar, bont, veren, zijde en leer/huid. Bezoekers werden gevraagd in het materialenlabel van hun jas te kijken, en die op het juiste rek te hangen. Daarna kregen ze een vragenlijst, die begint met eenvoudige vragen, zoals: van welk materiaal is het gemaakt? Maar vervolgens ook: van welk dier? Omdat een kledinglabel vaak niet verteld van welk dier de huid afkomstig is, is die vraag vaak onbeantwoordbaar. Dat die vraag meestal niet beantwoordt kan worden, benadrukt de onzichtbaarheid van dieren.
Vervolgens gaan de vragen dieper in op kennis over de industrie, maar ook over het dier zelf. Wat weet je eigenlijk echt over koeien? Door mijn onderzoek heb ik bijvoorbeeld geleerd dat koeien de boer anders groeten dan hun soortgenoten, en dat ze beste vrienden kunnen hebben.
Niet alleen de kleding, maar ook de kledingrekken in de installatie spelen een rol. Normaliter hangen kleren in een winkel op kleur, merk, trend of stijl. Hier worden ze gerangschikt op basis van dierlijke materialen. Omdat er gedurende de dag jassen bijkomen en opgehaald worden, veranderd de constellatie voortdurend. Zo doorbreekt het werk het idee van kleding als simpelweg een mode-item, en kijk je ernaar door de lens van dierlijke materialen en hun aanwezigheid.’
‘Normaliter hangen kleren in een winkel op kleur, merk, trend of stijl. Hier worden ze gerangschikt op basis van dierlijke materialen.'
En als mensen hun jas weer op kwamen halen?
Per categorie spelden we een lang label in de jassen met informatie die normaliter niet op een kledinglabel staat. Bijvoorbeeld over hoe deze dieren communiceren, gemeenschappen vormen en diverse culturen hebben. Maar ik stop er ook wat narigheid bij.
Dus eigenlijk gezegd een stukje realiteit…
Precies, want het risico van het maken van een werk over dieren – en dat zie je in mode vaak – is dat er een geromantiseerd beeld van het dier wordt neergezet: een stereotypisch symbool. Daardoor blijft de realiteit vaak verborgen – de exploitatie van dieren, maar ook hoe dieren wezens zijn met eigen levens. In dit werk zijn de gesprekken die ik, als ‘garderobemedewerker,’ met bezoekers voer daarom belangrijk. Het doel daarvan is niet om te oordelen of schaamte te creëren, maar om een open dialoog te hebben over deze realiteit en wat er verborgen blijft.
Je projecten laten zien hoe theorie en praktijk elkaar in een practice-based PhD versterken. Wat is voor jou de meerwaarde van deze aanpak?
‘Dat ik werk kan maken dat toegankelijk is voor een breder publiek, inclusief een niet-academische lezer of luisteraar. Door gebruik te kunnen maken van verschillende materialiteiten, zoals in mijn geval, kleding en modemagazines, kun je de gelaagdheid en realiteit van een vraagstuk beter, of anders adresseren, omdat je het letterlijk in handen hebt, dat maakt het heel ‘echt’. Een wollen trui is daadwerkelijk het haar van een schaap; je kan het vastpakken, ervaren. Practice-based research biedt deze ruimte voor participatie, interactie, speculatie en het ontwikkelen van nieuwe methodes.’
In de Who Are You Wearing shirts werk je met representaties van dieren en de locaties van deze kledingstukken. Kun je dat iets verder toelichten?
‘Ik werk altijd met tweedehands kleding, dit keer met kleding met dierenafbeeldingen erop. Die afbeeldingen verschillen per locatie: in Vancouver kwam ik bijvoorbeeld veel afbeeldingen van beren, wolven en zeedieren tegen, vaak op stereotypische wijze. Zo worden beren vaak agressief en bedreigend afgebeeld. Dat beïnvloedt hoe mensen dieren zien, en de daadwerkelijke omgang met ze. Door andere informatie over dieren over deze afbeeldingen heen te printen, probeer ik die stereotypen te doorbreken. In dit werk heb ik ook samengewerkt met verschillende lokale dierenwelzijn organisaties.’
‘Door gebruik te kunnen maken van verschillende materialiteiten, zoals in mijn geval, kleding en modemagazines, kun je de gelaagdheid en realiteit van een vraagstuk beter, of anders adresseren, omdat je het letterlijk in handen hebt, dat maakt het heel ‘echt’.'
In je onderzoek ga je vooral uit van het perspectief van het dier, en niet de mens. Waarom is dit zo belangrijk?
‘Ik geloof dat het belangrijk is om het echt over dieren zelf te hebben. De relatie tussen mens en dier krijgt namelijk wel aandacht, maar dan vaak vanuit wat het voor mensen betekent. In de westerse samenleving is de relatie tussen mens en dier gebaseerd op een dichotomie: een scherp onderscheid tussen wat een mens zou zijn en wat een dier zou zijn. De identiteit van de mens – als sociaal construct – is veelal gevormd door dat verschil. De mens is zogenaamd rationeel, heeft taal en agency, is gekleed; het dier is primitief, naakt en zou geen gevoel hebben. Alhoewel gedateerd, ligt dit ten grondslag aan onze huidige relatie met niet-menselijke dieren.’
Is dit ook waarom je in jouw teksten en projecten spreekt van niet-menselijk dieren en menselijke dieren?
‘Ik doe dit nog niet consistent, maar ja, niet-menselijke dieren zijn wat wij gewoonlijk dieren noemen, en menselijke dieren: mensen.’
Daar zit toch ook wel weer een verdeling in, is dat dan dus nodig?
‘Het is een ingewikkelde kwestie. In het boek Animal Equality, Language and Liberation (2001) benadrukt filosoof en dierenrechten activist Joan Dunayer het belang van taal in dierenbevrijding en dierenrechten. In de publicaties waar ik nu aan werk zal ik kijken hoe ik taal zo kan toepassen dat het zorg draagt maar ook toegankelijk blijft. Taal is een belangrijk mechanisme in het zichtbaar of onzichtbaar maken van dingen.’
Heb je het gevoel dat je werk radicaler aan het worden is?
‘Telling Tremors: “Sheep Have Good Memories” is het meest recente werk en voelt radicaler dan eerder werk. Ik probeer echter zelf nog te begrijpen waarom dit werk zo radicaal aanvoelt, aangezien ik vergelijkbare expliciete beelden en tekstfragmenten ook al eerder heb gebruikt. Het is wel de eerste keer dat ik mijn eigen stem in een werk gebruik en informatie over dieren (inclusief dierenleed) hardop uitspreek als voice-over voor de video. Dat was soms heftig. Misschien is dat ook de reden dat het voor mij zelf radicaler voelt.’
In je onderzoek kom je schokkende beelden tegen van gewelddadige en schrijnende praktijken. Hoe maak je de afweging welke beelden je wel of niet gebruikt, en hoe zet je ze in bij het vormgeven van je werken?
‘Ik werk veel met bestaande beelden en tekstfragmenten (uit uiteenlopende bronnen) die ik middels montage samenbreng in nieuwe narratieven. De manier waarop ik dit materiaal kies, combineer en het effect daarvan is belangrijk. Soms besluit ik om een beeld uit te snijden of een foto in zwart-wit af te beelden, zodat die minder confronterend is (wat soms ook als een zwakte voelt). Maar hoe ik die afweging maak, kan ik nog niet goed benoemen.’
Empathie is centraal in je PhD-onderzoek, en je maakt de leefwereld en emoties van dieren zichtbaar. Word je hierbij soms van antropomorfisme beschuldigd, en hoe ga je met die kritiek om?
‘Ik krijg zeker kritiek, en dat is ook heel interessant. Ik verzamel deze reacties en onderzoek wat ten grondslag ligt aan bepaalde vormen van kritiek en beeldvorming. Een veelvoorkomend idee is dat mensen die om dieren geven te emotioneel of irrationeel zijn, en dat dierenrechten een geprivilegieerde vrouwenzaak zijn.
Die specifieke negatieve houding tegenover antropomorfisme komt onder andere uit de wetenschap, waar dieren in geïsoleerde, afstandelijke situaties bestudeerd worden. Het erkennen van emoties bij dieren zou de objectiviteit van het onderzoek ondermijnen. Dit heeft de gedachte gevoed dat we niet mogen aannemen dat dieren emoties hebben. Dat is vreemd, want iedereen die een huisdier heeft, weet dat dieren communiceren en verschillende emoties ervaren. Het is een idee dat teruggaat tot de oude Griekse cultuur, de Verlichting en het christendom. Het was handig om dieren als gevoelloos te zien, zodat de mens superieur bleef en dieren voor menselijk gewin kon gebruiken. En dat geldt nog steeds.’
Wat zou je willen bereiken met jouw onderzoek?
‘Idealiter helpt het in het blootleggen en doorbreken van het mensgerichte perspectief in mode. Daarnaast wil ik voorstellen doen over hoe mode een instrument kan zijn om nieuwsgierigheid te creëren naar en zorg te dragen voor niet-menselijke dieren.’
Voor meer informatie over De Vries’ projecten: https://www.femkedevries.com/
Karmen Samson
is modebeoefenaar en onderzoeker met interesses in materiële cultuur en museologie






