
‘Zoals de goochelaar eerst zijn truc laat werken’ – In gesprek met Tom Callemin over Double Reality in Abby Kortrijk
Tom Callemin heeft een achtergrond in fotografie en mediakunst en rondde recent zijn doctoraatsonderzoek aan KASK & Conservatorium in Gent af omtrent fotografie, perceptie en identiteit. De expo Double Reality bij Abby in Kortrijk brengt zes jaar werken samen, met een gelijknamige publicatie als verlengstuk. Ive Stevenheydens spreekt met Callemin over de werking van zijn maakproces en de illusionaire kwaliteiten van fotografie.
Thema's
Je uitnodiging voor de tentoonstelling, met een zwart-witfoto van een geblinddoekt paard, trok me meteen binnen. Het beeld is tegelijk verontrustend en zorgzaam. Wat zien we precies?
‘De foto die het campganebeeld van de tentoonstelling vormt heet Horse. Ik maakte het werk al in 2019. Het toont een paard dat, zoals in het stierenvechten gebeurt, geblinddoekt wordt zodat het de stier in de arena nog niet ziet en rustig blijft. Voor mij gaat het beeld over de manier waarop perceptie gestuurd wordt en hoe subjectief onze ervaring van de werkelijkheid is. Er schuilt geweld in het beeld, omdat paard en ruiter uiteindelijk een gevecht op leven en dood tegemoet gaan. Tegelijk heeft het afdekken van de ogen ook iets zorgzaams. Die dubbelzinnigheid interesseert me.’
De titel Double Reality klinkt zowel psychologisch als technisch. Waar verwijst die precies naar?
‘Naar het idee dat er nooit een sluitende realiteit bestaat. Bij het beeld van het paard bijvoorbeeld zijn er twee werkelijkheden: die van de ruiter, die het dier probeert gerust te stellen, en die van het paard zelf, dat zich onbewust richting een gewelddadige confrontatie beweegt. Dat dubbele perspectief komt vaker terug in mijn werk, onder meer via het motief van de dubbelganger. In de tentoonstelling staan twee bomen die jarenlang op identieke wijze zijn gesnoeid en daardoor elkaars spiegelbeeld lijken. Daarmee stel ik vragen over identiteit: als twee dingen er hetzelfde uitzien, zijn ze dan ook hetzelfde? Daarnaast verwijst de titel ook naar fotografie zelf. Een foto is altijd een reproductie van de werkelijkheid op een tweedimensionaal oppervlak. In die zin reflecteert mijn werk ook voortdurend over het medium zelf.’
De tentoonstelling vormt het eindpunt van je zesjarig doctoraatsonderzoek bij KASK & Conservatorium. Voelt het hier bij Abby als een afsluiting, of eerder als een nieuw begin?
‘Ik zie mijn output als één groot werk. Met elke tentoonstelling of publicatie probeer ik nieuwe verbanden te leggen tussen oudere en recentere beelden, zodat mijn output telkens anders gelezen kan worden. Maar het was ook waardevol om dit onderzoek een duidelijke tijdspanne van zes jaar te geven. Dat bood een kader en een focus, ook al bevat de tentoonstelling eveneens beelden die al van voor het doctoraat bestonden.’
Heeft dat onderzoek je blik op fotografie fundamenteel veranderd?
‘Het onderzoek heeft me vooral zekerder gemaakt in het spreken over mijn werkproces. Dat maakte altijd al deel uit van mijn praktijk, maar vroeger hield ik het meer op de achtergrond. Nu is het expliciet aanwezig in de tentoonstelling, onder meer via de Beeldatlas (2019–2026), waarin onderzoeksmateriaal, actualiteitsbeelden, referenties uit film- en kunstgeschiedenis, sociale media, AI- en studiobeelden samenkomen. Ook de documentaire van Griet Teck, die me zes jaar in het atelier volgde, maakt daar deel van uit. Dankzij het doctoraat heb ik een taal gevonden om mijn maakproces zichtbaar te maken zonder didactisch te worden, maar evenwel in dezelfde geest als het werk zelf.’
Waarom wilde je dat? Verlies je daarmee niet een stuk magie?
‘Veel van mijn werk draait rond illusie, dus ik wil de toeschouwer eerst volledig in het beeld meenemen, zoals een goochelaar eerst zijn truc laat werken. Pas daarna toon ik iets van het maakproces. In de tentoonstelling gebeurt dat helemaal op het einde, en in het boek via de uitklapbare cover, die een inkijk in de studio geeft. Waar ik het maakproces vroeger verborgen hield, voelt het nu logisch om die constructie zichtbaar te maken en zo een extra laag aan de foto’s toe te voegen.’
We zijn nog steeds geneigd om foto’s als bewijs te lezen, als iets dat echt gebeurd is. Jij werkt zelf met geënsceneerde en analoge manipulatie. Vertrouw je foto’s en fotografie nog? En wanneer mag een beeld volgens jou liegen?
‘Ik vertrouw foto’s niet omdat ik weet hoe ze geconstrueerd zijn. Interessant is dat fotografie steeds meer richting schilderkunst evolueert waarbij het beeld als fictie wordt ervaren. Sociale media en AI versterken dat nog. Zes jaar geleden waren AI-beelden nog duidelijk herkenbaar, nu zijn ze vormtechnisch vaak of nauwelijks nog te onderscheiden van ‘echte’ foto’s. Ik hoop dat dat ons dwingt om kritischer te kijken. Dat fotografie minder vanzelfsprekend als bewijs of ‘waarheid’ wordt gelezen. In die zin mag een beeld doen wat het wil, zolang de context duidelijk is. Het is aan media en platformen om echte beelden te blijven filteren en te duiden. Maar tegelijk is elk beeld sowieso geconstrueerd. Alleen al het kadreren van een onderwerp is een vorm van selectie en dus van interpretatie.’
Je beelden zijn vaak heel esthetisch en aanlokkelijk. Maak je daarmee zelf ook geen deel van die verleidingsmachine?
‘Absoluut. Ik vind het interessant wanneer een beeld eerst aantrekt door zijn esthetische kracht en vervolgens ongemakkelijke vragen oproept. Mijn werk wil de blik van de kijker spiegelen en diens positie bevragen. Esthetiek is daartoe dus een middel: het brengt de toeschouwer dichterbij het beeld om die vervolgens met iets minder eenduidigs te confronteren.’
Je manipuleert je beelden niet digitaal, maar fysiek via decors en sculpturen. Zie je een ethisch, esthetisch of ander soortig verschil tussen een geconstrueerde foto en digitale beeldmanipulatie?
‘Ik probeer digitale manipulatie zo veel mogelijk te vermijden. Als ik digitaal werk, is dat eerder zoals in een analoge doka: correcties in helderheid of intensiteit, maar geen knip- en plakwerk. Ik vind het interessanter om beelden in de fysieke realiteit te construeren. Voor Traps (2021-2022, foto’s van ‘dierenvallen’ in de ‘natuur’) gebruikte ik bijvoorbeeld een oude special effect-techniek uit 2001: A Space Odyssey van Stanley Kubrick, waarbij landschappen via projectie in de studio worden opgebouwd – dus zonder green screen. Die analoge aanpak sprak me ook aan omwille van de mythe rond Kubrick en de maanlanding (de complottheorie dat Kubrick de maanlanding van 1969 in een studio ensceneerde en filmde, IS). Dat idee van constructie en illusie sloot inhoudelijk aan bij de reeks Traps, waarin dierenvallen functioneren als een vorm van misleiding.’
Als ik digitaal werk, is dat eerder zoals in een analoge doka: correcties in helderheid of intensiteit, maar geen knip- en plakwerk. Ik vind het interessanter om beelden in de fysieke realiteit te construeren.
Wanneer begint een beeld bij jou – met een idee, een object, een decor, een gevoel?
‘Elk werk begint met een uitdaging die ik mezelf opleg: een ervaring of idee dat ik zichtbaar wil maken. Body Double ontstond vanuit het verlangen om het lichaam te tonen als een masker of een huls. Ik ben etterlijk afgietsels van lichamen gaan maken. Daarvoor vroeg ik mijn schoonbroer, een voormalig topmodel, omdat zijn lichaam ook symbool staat voor een zekere reductie tot uiterlijk en oppervlak. Daarna begint het technische proces, hetgeen voor mij in gelijke mate belangrijk is. Tijdens het zoeken naar oplossingen ontstaan nieuwe ideeën en onverwachte zijpaden. Het finale beeld groeit dus gaandeweg, vanuit die wisselwerking tussen concept en techniek. De moeilijkste fase is uiteindelijk hoe het werk als beeld functioneert. Hoe maak je iets dat ook echt betekenis overdraagt?‘
Welke rol speelt de publicatie bij de tentoonstelling? Zie je het boek als documentatie, als verlengstuk van de expo, of als een autonoom werk?
‘Ik werk al langer met publicaties, onder meer via Des Palais, het platform dat ik samen met fotograaf Bieke Depoorter oprichtte om kunstenaarsboeken uit te geven. Daarbij vertrek ik altijd vanuit de vraag wat een boek als medium kan toevoegen, eerder dan een publicatie automatisch aan een tentoonstelling te koppelen. Dit boek vertrekt vanuit de tentoonstelling, maar is tegelijk een zelfstandig werk. Een tentoonstelling is tijdelijk en niet mobiel, terwijl een publicatie beelden op een andere manier samenbrengt en laat circuleren. Voor mij was het belangrijk om de verschillende fotoreeksen als afzonderlijke projecten te presenteren, met veel witruimte om het ritme te vertragen en beelden in verhouding tot elkaar te laten treden.’
Identiteit loopt als een rode draad door je werk. Wat interesseert je daarin?
‘Fotografie registreert enkel oppervlakken, en toch verwachten we vaak dat een beeld iets zegt over de innerlijke wereld van een persoon. Die spanning interesseert me. In mijn onderzoek heb ik mensen, dieren en zelfs bomen betrokken: telkens gaat het over lichamen en de vraag of daarachter een psychologische of innerlijke wereld schuilgaat. Een centraal werk in de tentoonstelling volgt dezelfde persoon gedurende twee jaar in twaalf foto’s (Portrait, 2019-2021). Ze staat telkens in exact dezelfde houding, maar toch rijst de vraag of we in die beelden een psychologische evolutie kunnen lezen.’
'Fotografie registreert enkel oppervlakken, en toch verwachten we vaak dat een beeld iets zegt over de innerlijke wereld van een persoon.'
Een element dat misschien niet meteen zichtbaar is in de tentoonstelling, maar dat je wel al benoemde, is geweld. Welke rol speelt dat in je werk?
‘Geweld is in bijna elk werk latent aanwezig en wordt pas op het einde van de expositie explicieter zichtbaar. Dat zit onder meer in verwijzingen naar camouflage en misleiding tijdens de Eerste Wereldoorlog (Pollard Willows uit 2025, foto’s van hulzen van ‘bomen’ waarin gewapende soldaten zich verschuilden), maar ook in de dierenvallen, het paard en in vele andere beelden. Langzaamaan ontdekte ik dat geweld sterk verbonden is met mijn onderzoek naar identiteit. Extreme geweldservaringen kunnen de relatie tussen lichaam en identiteit verbreken: mensen vergeten wie ze zijn of verliezen hun gevoel van continuïteit.’
Welke kunstenaars zijn belangrijk voor je?
‘Vija Celmins is erg belangrijk voor mij. Haar schilderijen van zeeën en hemelzichten gaan over oppervlak, illusie en de gelaagdheid van beelden. Ook haar trage, ambachtelijke manier van werken heeft me beïnvloed. Daarnaast is Mark Manders belangrijk, vooral in zijn omgang met materialiteit en illusie. Zijn werk lijkt vaak uit natte klei te bestaan, terwijl het in werkelijkheid brons is. Dat spel tussen realiteit en constructie sluit nauw aan bij mijn eigen praktijk.’
Je werk heeft ook iets uitgesproken filmisch. Hoe belangrijk is cinema voor jou?
‘Cinema heeft me sterk beïnvloed. Tijdens mijn studententijd werkte ik vaak mee aan filmsets, vooral rond licht en decor. Ook vandaag werk ik geregeld samen met scenografen uit de filmwereld. Tijdens mijn doctoraat schreef ik bovendien mee aan verschillende filmscenario’s met Lukas Dhont. Dat was een interessante oefening, maar het maakte ook duidelijk dat het narratieve minder vanzelfsprekend is voor mij. Uiteindelijk heeft dat me opnieuw richting fotografie geduwd. Ook technisch zijn er linken met cinema. Oude filmtechniek sluit inhoudelijk aan bij het thema van illusie en misleiding.’
Tot slot. Wat neem je mee uit dit zesjarige traject, en wat brengt de toekomst?
‘Na zo’n intens proces heb ik vooral behoefte aan openheid en aan werken zonder vast kader. Zes jaar lang vertrok ik vanuit dezelfde onderzoeksvragen. Nu wil ik ruimte maken voor het niet-weten en kijken welke ideeën, beelden of materiaal zich spontaan aandienen. Die vers verworven openheid voelt op dit moment echt als essentiële brandstof voor de toekomst.’
Tom Callemin, Double Reality, tot 13 september 2026 bij Abby Kortrijk. De tentoonstelling is een samenwerking met Be-Part, een platform voor hedendaagse beeldende kunst in Zuid-West-Vlaanderen.
Ive Stevenheydens
is schrijver, curator, deejay en dramaturg




